Deel 1 — Land, water en heerlijkheid

Een landschap dat uit zee ontstond

De geschiedenis van Obdam begint niet bij de kerk, de Dorpsstraat of het station, maar bij het landschap. Het gebied waarin het dorp later ontstond, werd gevormd door zee, getijdenstromen, zand, kleiafzettingen en veengroei. In de prehistorie drong het zeewater via het zeegat van Bergen diep Noord-Holland binnen. Geulen, slikken en kwelders bepaalden het beeld. Stromend water voerde zand en klei aan en liet die materialen bij rustiger waterstanden achter. Nadat het zeegat zich omstreeks 1220 vóór Christus had gesloten, verlandde het getijdengebied langzaam. Op de achtergebleven kleibodem kon zich veen vormen. Zo ontstond het lage en waterrijke landschap waarin eeuwen later Obdam, Hensbroek, Spierdijk en de omliggende polders zouden worden aangelegd.

Het veen groeide uit tot opbollende veenkussens. Kleine stroompjes voerden het regenwater vanuit deze hogere veengebieden naar de lager gelegen omgeving af. Eeuwenlang bleef het landschap nat, drassig en moeilijk toegankelijk. Bewoning was alleen mogelijk op iets hogere plekken of langs natuurlijke waterlopen. Vanaf ongeveer de tiende en elfde eeuw begonnen bewoners het gebied systematisch te ontginnen. Zij groeven lange, evenwijdige sloten om het water af te voeren en verdeelden het land in smalle stroken. Vanaf een weg, dijk of waterloop werden de kavels steeds verder het veen in verlengd. Door deze ontwatering werd de bodem beter begaanbaar en geschikt voor landbouw. Tegelijk legden de ontginners daarmee de grondslag voor latere problemen met bodemdaling en wateroverlast.

De ontwatering had namelijk een onomkeerbaar gevolg. Zodra het veen droog kwam te liggen, begon het te oxideren en in te klinken. De bodem zakte langzaam weg. Land dat aanvankelijk hoger had gelegen dan de omgeving, kwam daardoor steeds lager te liggen. De sloten moesten worden verdiept en het water moest verder worden afgevoerd. Door stormen, golfslag en afkalving kregen bestaande waterlopen opnieuw ruimte. Op verschillende plaatsen ontstonden plassen en meren. Tot deze watergebieden behoorden onder meer de Wogmeer, het Berkmeer en delen van de Heerhugowaard. De bewoners hadden het land door ontginning bruikbaar gemaakt, maar daardoor ook kwetsbaarder. Vanaf dat moment kon het gebied alleen bewoonbaar blijven wanneer sloten, kaden, dijken en later molens voortdurend werden onderhouden.

De Kaaggouw en het ontstaan van het dorpslint

Obdam groeide aan de rand van een oud ontginningsblok. De Kaaggouw vormde waarschijnlijk de grens of het uiteinde van dit gebied. Langs deze oude lijn ontstonden Obdam en Hensbroek als langgerekte lintdorpen. Woningen en boerderijen stonden aan weerszijden van de weg, met daarachter lange, smalle stroken land. Deze verkaveling sloot vermoedelijk aan op die van Sint Pancras en behoorde tot het elfde-eeuwse opstrekkende type. De boeren bezaten of gebruikten percelen die vanaf de ontginningsas steeds verder het achterland in liepen. Wegen, sloten en erfgrenzen volgden daardoor een vaste richting. Het huidige dorpslint bewaart nog altijd iets van deze middeleeuwse structuur. De Kaaggouw en de Dorpsstraat vormen samen de ruggengraat van een nederzetting die uit de eerste georganiseerde ontginning van het veenland is voortgekomen.

Zee-inbraken in de dertiende eeuw verstoorden het oorspronkelijke verkavelingspatroon. Het gebied van Obdam raakte gescheiden van het land rond Sint Pancras. Oude verbindingen verdwenen of werden door water onderbroken. Toch bleef de richting van de oorspronkelijke kavels nog eeuwen herkenbaar. Sommige huizen en boerderijen stonden schuin ten opzichte van de latere weg. Zij volgden niet de moderne rooilijn, maar de oudere verkaveling die al vóór de grote waterstaatkundige veranderingen was vastgelegd. Zo bleef de middeleeuwse ontginning zichtbaar in de plaatsing van gebouwen. Zelfs wanneer boerderijen werden vernieuwd of wegen werden verbreed, bleven oude perceelsgrenzen invloed uitoefenen. Het dorp veranderde, maar groeide voort op een patroon dat door de eerste ontginners met sloten, greppels, erven en lange stroken grond was aangelegd.

De bodem rond Obdam bestond uit verschillende soorten klei, zavel en zandige klei. In droogmakerijen zoals de Berkmeer en delen van de Wogmeer kwamen sterk kleiig zand en lichte tot matig zware kleigronden voor. Kleine hoogteverschillen waren van groot belang. Het maaiveld liep ongeveer van 0,2 meter beneden NAP in het noordwesten tot circa 2,9 meter beneden NAP in het zuidoosten. Dat verschil bepaalde waar water zich verzamelde, welke gronden sneller vernatten en hoeveel bemaling nodig was. De laagste polders konden hun water niet vanzelf afvoeren naar hoger gelegen vaarten. Het water moest kunstmatig omhoog worden gebracht. De bodem bepaalde daardoor niet alleen welke gewassen mogelijk waren, maar ook hoeveel arbeid, techniek en samenwerking nodig waren om het land droog en bruikbaar te houden.

Spierdijk en de taaie kleigrond

Aan de oostzijde sloot het gebied van Obdam aan op Spierdijk. De naam is al vroeg overgeleverd. In 1365 werd de plaats aangeduid als Spierdijck en in 1639 als Spierdyck. De naam verwijst waarschijnlijk naar de bodem. Met spier werd de taaie bovenste laag van zeeklei bedoeld die door veen was bedekt. Door haar stevigheid was deze klei geschikt voor het maken en ophogen van dijken. Ook de dijk van Spierdijk zou uit dergelijk materiaal zijn opgebouwd. De plaatsnaam bewaart daardoor een herinnering aan de samenhang tussen bodem en waterbeheer. Zonder stevige klei konden geen betrouwbare dijken worden aangelegd. De ondergrond bepaalde waar een waterkering mogelijk was en hoe sterk deze kon worden. Spierdijk ontstond zo niet toevallig, maar op een plek waar bodem, bescherming en verbinding samenkwamen.

Spierdijk was voor Obdam tevens een belangrijke route naar het oosten. De weg over de dijk sloot aan op het stelsel van de Lutkedijk, de Kaaggouw en andere oude verbindingen. De Lutkedijk en de Spierdijk waren in de middeleeuwen aangelegd om het achterliggende land tegen het water van de Heerhugowaard te beschermen. Zij waren eerst waterkeringen en werden vervolgens ook gebruikt als wegen, grenzen en verbindingslijnen. Mensen liepen erover naar naburige dorpen, boeren dreven er vee langs en karren vervoerden er landbouwproducten. In de loop der eeuwen zakten sommige dijkgedeelten weg of werden zij afgegraven en aangepast. Toch bleef hun tracé bepalend. De oude waterkering groeide uit tot een vast onderdeel van het dagelijkse landschap en verbond bescherming tegen het water met vervoer over land.

Stadsrechten in een dorpsgebied

In 1414 kregen Obdam en Hensbroek, samen met Spanbroek en Opmeer, stadsrechten van de landsheer. Daarmee verkregen zij een zekere juridische en bestuurlijke zelfstandigheid. Het begrip stad verwees hierbij niet naar een dichtbebouwde plaats met muren en poorten, maar naar een rechtsgebied met bijzondere bevoegdheden. De inwoners konden bepaalde zaken binnen het eigen gebied regelen en zich juridisch onderscheiden van gewone dorpen. Lang duurde deze positie niet. In 1426 werden de stadsrechten weer vervallen verklaard. De reden lag in de politieke strijd van die tijd, waarin privileges konden worden verleend, ingetrokken of opnieuw verdeeld. Toch bleef de herinnering aan de stadsrechten belangrijk. Zij tonen dat Obdam en de omliggende dorpen in de vijftiende eeuw meer waren dan eenvoudige agrarische nederzettingen zonder bestuurlijke betekenis.

Na het vervallen van de stadsrechten werden Obdam en Hensbroek als hoge heerlijkheden uitgegeven. Een hoge heerlijkheid was meer dan een groot landgoed. De heer bezat er bestuurlijke, juridische en economische rechten. Hij kon invloed uitoefenen op benoemingen, rechtspraak, grondgebruik en plaatselijke inkomsten. Tot de heerlijke rechten konden ook visrechten, jachtrechten, vaarrechten, gebruiksrechten van wegen en jaagpaden en inkomsten uit water en land behoren. Welke rechten in Obdam precies golden, verschilde per periode en moet uit afzonderlijke archiefstukken worden vastgesteld. Niet elk recht lag automatisch bij de heer. Ook dorpsbesturen, polderbesturen, bannen en particuliere grondeigenaren konden bevoegdheden bezitten. De heerlijkheid vormde daarom een ingewikkeld geheel van gezag, bezit, gebruiksrechten en plaatselijke gewoonten.

Schout, schepenen en dagelijks bestuur

De heer woonde meestal niet voortdurend in Obdam. Het dagelijkse bestuur werd daarom uitgevoerd door plaatselijke functionarissen, vooral de schout en de schepenen. De schout vertegenwoordigde het gezag van de heer. Hij hield toezicht op de naleving van regels, onderzocht overtredingen, riep verdachten op en vervulde bestuurlijke taken. De schepenen traden op als bestuurders en rechters. Zij behandelden geschillen over schulden, erfenissen, grond, sloten, wegen en erfgrenzen. Voor de inwoners werd de heerlijkheid daardoor zichtbaar in concrete conflicten en beslissingen. Wanneer een schuld niet werd betaald, een nalatenschap verdeeld moest worden of onenigheid ontstond over het onderhoud van een sloot, kwamen schout en schepenen in beeld. De grote bestuurlijke rechten van de heer kregen zo een plaatselijke uitwerking in het dagelijkse dorpsleven.

Aan de heerlijkheid konden inkomsten uit boeten, pachten, benoemingen en andere rechten verbonden zijn. De heer kon daardoor financieel voordeel hebben van het bezit van Obdam, ook wanneer hij zelf elders woonde. Toch moet voorzichtig worden omgegaan met de precieze omvang van die inkomsten. Visrechten, jachtrechten en rechten op wegen of jaagpaden konden tot de heerlijkheid behoren, maar ook afzonderlijk zijn uitgegeven of door andere instellingen worden beheerd. Alleen leenakten, rekeningen, benoemingsstukken en rechterlijke documenten kunnen duidelijk maken wie in een bepaalde periode welk recht bezat. Voor Obdam is vooral van belang dat water, wegen en bestuur niet los van elkaar stonden. Wie het recht had om vis te vangen, een vaarweg te gebruiken, tol te heffen of een schout te benoemen, bezat daarmee invloed op economie en samenleving.

Jacob van Wassenaer Obdam

Tot de bekendste heren behoorde Jacob van Wassenaer Obdam. Hij werd in 1610 geboren als zoon van Jacob van Wassenaer Duivenvoorde en Anna van Randerode van der Aa. Na de dood van zijn vader erfde hij onder meer de heerlijkheden Obdam, Hensbroek, Spanbroek en Opmeer. De naam Obdam verwees niet naar zijn geboorteplaats of vaste woonplaats, maar naar een van de gebieden waarover zijn familie heerlijke rechten bezat. Jacob woonde voornamelijk in Den Haag en verbleef vanwege zijn militaire loopbaan langdurig elders. Voor de inwoners was hij daardoor een heer op afstand. Zijn titel bleef echter van betekenis. Plaatselijke functionarissen bestuurden en spraken recht namens een adellijke eigenaar die tegelijk deel uitmaakte van de hoogste bestuurlijke en militaire kringen van de Republiek.

De heerlijkheden verschaften Jacob aanzien en konden hem inkomsten opleveren. Welke bedragen hij precies uit Obdam ontving, is zonder rekeningen niet vast te stellen. Ook kan niet zonder meer worden gezegd dat alle visrechten, jachtrechten, vaarrechten en jaagpadrechten persoonlijk aan hem toebehoorden. Wel stond zijn naam in verband met de bestuurlijke en waterstaatkundige ontwikkeling van het gebied. De Weel en de Noorder-, Middel- en Zuider-Braken waren waarschijnlijk resten van vroegere dijkdoorbraken en waterinbraken vanuit de Heerhugowaard. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden deze waterpartijen drooggelegd. Volgens de gemeentelijke beschrijving gebeurde dat waarschijnlijk onder leiding van Jacob van Wassenaer, heer van Obdam. Water werd daarmee opnieuw veranderd in landbouwgrond die door sloten, kaden en molens moest worden beheerd.

Buiten zijn heerlijkheden maakte Jacob een belangrijke militaire loopbaan. Hij begon bij het landleger en werd kolonel van de cavalerie. In 1653 maakte hij de overstap naar de vloot. Na de dood van Maarten Tromp werd hij benoemd tot luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland. Hoewel hij weinig ervaring met de zeedienst had, kreeg hij daarmee een van de hoogste militaire functies van de Republiek. Zijn positie was mede het gevolg van zijn adellijke afkomst en zijn plaats in bestuurlijke netwerken. Voor Obdam betekende dit dat de naam van het dorp verbonden raakte met een man die niet alleen heer van een West-Friese heerlijkheid was, maar ook verantwoordelijk werd voor de verdediging van de handelsbelangen en zeemacht van de Republiek.

In 1658 voerde Jacob van Wassenaer Obdam de Nederlandse vloot aan tijdens de Slag in de Sont. De Nederlandse schepen moesten de Zweedse blokkade doorbreken en de vaarroute naar de Oostzee veiligstellen. Die route was van groot belang voor de aanvoer van graan, hout en andere handelsgoederen. De overwinning bezorgde Jacob groot aanzien. Hij werd gezien als de bevelhebber die een belangrijke handelsverbinding voor de Republiek had behouden. Zijn naam werd daardoor veel bekender dan die van de meeste andere heren van Obdam. Voor het dorp zelf veranderde zijn militaire succes waarschijnlijk weinig aan het dagelijkse bestaan. Toch verbond zijn titel Obdam met internationale oorlog, koopvaart en politiek. Een kleine heerlijkheid in West-Friesland werd zo onderdeel van een veel groter verhaal over handel en zeemacht.

Op 13 juni 1665 voerde Jacob tijdens de Tweede Engelse Oorlog de Nederlandse vloot aan in de Slag bij Lowestoft. Het gevecht liep uit op een zware nederlaag. Tijdens de strijd ontplofte zijn vlaggenschip De Eendragt. Jacob van Wassenaer Obdam kwam daarbij om het leven. Zijn lichaam werd nooit teruggevonden. Zijn dood maakte hem tot een bekende figuur uit de Nederlandse maritieme geschiedenis. Voor Obdam bleef vooral zijn naam bewaard. Hij had niet in het dorp gewoond en zijn loopbaan speelde zich grotendeels elders af, maar de heerlijkheid werd door zijn titel blijvend met hem verbonden. Later noemde de schippersfamilie Wester verschillende motorschepen Admiraal, als verwijzing naar Jacob. Zo bleef zijn naam eeuwen na zijn dood aanwezig in de plaatselijke scheepvaartgeschiedenis.

Obdam en Hensbroek

Obdam en Hensbroek deelden hun landschappelijke oorsprong en lagen aan dezelfde oude ontginningsas. Toch bleven het afzonderlijke dorpen met een eigen kern, bestuur, kerk en polderorganisatie. Zij waren soms in handen van dezelfde heer, maar behielden een eigen identiteit. De nabijheid zorgde voor samenwerking en onderlinge afhankelijkheid, vooral bij waterbeheer, wegen en vervoer. Tegelijk bestonden er duidelijke grenzen. Een hardstenen grenspaal uit 1835, voorzien van de namen en wapens van beide gemeenten, herinnerde aan die bestuurlijke scheiding. De geschiedenis van Hensbroek hoort daarom slechts gedeeltelijk bij die van Obdam. Gebeurtenissen die uitsluitend de kerk, dorpskern of gemeente Hensbroek betroffen, behoren in de eerste plaats tot de eigen geschiedenis van dat dorp. De verbinding met Obdam ligt vooral in gedeelde heren, polders en landschappelijke ontwikkeling.

In 1811 werden Obdam en Hensbroek bij keizerlijk decreet verenigd onder de naam Obdam. Deze samenvoeging vond plaats in de Franse tijd, toen het plaatselijke bestuur opnieuw werd ingericht en kleine gemeenten werden samengebracht. Waarschijnlijk werd toen ook het gebied dat Ursem in de Wogmeer bezat bij Hensbroek gevoegd. De vereniging hield slechts zes jaar stand. In 1817 werden Obdam en Hensbroek op verzoek van de ambachtsheren en de inwoners opnieuw zelfstandige gemeenten. Dat bleef zo tot 1979. De korte samenvoeging toont dat bestuurlijke eenheid niet vanzelf betekende dat beide dorpen als één gemeenschap werden ervaren. Hun kerken, besturen en plaatselijke belangen bleven verschillend. De bewoners wilden daarom terug naar een zelfstandige organisatie waarin ieder dorp zijn eigen zaken kon blijven regelen.

Bij de gemeentelijke herindeling van 1979 werden Obdam en Hensbroek opnieuw samengevoegd. Ook delen van de Berkmeer kwamen bij de nieuwe gemeente. Het noordoostelijke deel van de Wogmeer werd bij Wester-Koggenland ingedeeld en in het zuidwesten werd een deel van Obdam aan Heerhugowaard toegevoegd. De nieuwe gemeente bestond uit Obdam, Hensbroek, Obdammerdijk, Berkmeer en Wogmeer en had een oppervlakte van ongeveer 2.095 hectare. Deze bestuurlijke eenheid omvatte verschillende historische landschappen. Obdam en Hensbroek waren oude ontginningsdorpen, terwijl Berkmeer en Wogmeer uit zeventiende-eeuwse droogmakerijen waren voortgekomen. Obdammerdijk bleef een klein lint langs een oude waterkering. De herindeling bracht deze gebieden bestuurlijk bijeen, maar nam hun verschillende oorsprong, verkaveling en plaatselijke identiteit niet weg.

De eerste Noord-Hollandse droogmakerijen

De geschiedenis van Obdam in de zeventiende eeuw kan niet worden begrepen zonder de grote golf van landaanwinning in Noord-Holland. Het dorp lag tussen meren, sloten, lage veengronden en oude dijken. Water was onmisbaar voor vervoer en afwatering, maar bleef tegelijk een bedreiging. In de eerste helft van de eeuw werden verschillende grote wateroppervlakten drooggelegd. Rijke stedelijke investeerders, landmeters, bestuurders, molenaars, boeren en duizenden polderwerkers droegen daaraan bij. De ondernemingen brachten nieuw landbouwland voort, maar maakten het gebied ook afhankelijker van techniek en bestuur. Een droogmakerij bleef alleen bestaan wanneer dijken sterk genoeg waren, molens bleven draaien en gebruikers betaalden voor onderhoud. De stormvloed van 1675 zou later tonen hoe kwetsbaar al het gewonnen land bleef wanneer een grote waterkering bezweek.

De grote golf van bedijking begon niet bij Obdam zelf. Elders in Noord-Holland waren al eerder ervaringen opgedaan. Een belangrijk voorbeeld was de Zijpe, die in 1597 definitief werd bedijkt. In datzelfde jaar verleenden de Staten van Holland en West-Friesland een octrooi voor de bedijking van de Wieringerwaard. Adriaen Maertsz. Coetenburgh, burgemeester van Alkmaar, ontving het octrooi. Het plan kon niet direct worden uitgevoerd. De toestemming moest vijfmaal worden verlengd voordat het zware werk werkelijk begon. De Wieringerwaard was in de zestiende eeuw een buitendijks slijkgebied. Bij gunstige waterstanden kwamen delen droog te liggen, maar bij harde wind en opgestuwd zeewater overstroomden zij opnieuw. Voor bewoners bood het gebied weinig zekerheid, maar investeerders zagen de mogelijkheid van nieuwe landbouwgrond.

De belangstelling voor landaanwinning hing samen met de groei van de bevolking en economie in de Republiek. In de steden nam de vraag naar graan, zuivel, vlees en andere landbouwproducten toe. Grond was schaars en pachtprijzen liepen op. Het bedijken of droogmaken van natte gebieden leek daardoor een aantrekkelijke investering. Rijke stadsbewoners beschikten over het kapitaal om zulke ondernemingen te financieren. Zij betaalden landmeters, kaartmakers, molenbouwers en bestuurders. Het feitelijke werk werd echter verricht door grote aantallen arbeiders. Zij moesten dijken opwerpen, sloten graven, kaden aanleggen en materialen over water aanvoeren. De droogmakerij was daarmee tegelijk een technische onderneming, een belegging en een groot arbeidsproject. Die combinatie zou later ook zichtbaar worden bij Heerhugowaard, Berkmeer en Schermer.

Het zware werk in de Wieringerwaard

In de zomer van 1609 begon de bedijking van de Wieringerwaard. Volgens de overlevering bracht Pieter Valckes de eerste stukken slik naar de plaats waar de nieuwe dijk moest komen. Het ging om taaie lappen klei, vaak doortrokken met wier, die van de zeebodem werden losgetrokken. Lysbet Pieters duwde de eerste kruiwagen met aarde. Dat een vrouw bij het zware werk werd genoemd, was niet uitzonderlijk. Er was een groot tekort aan arbeidskrachten en ook vrouwen hielpen bij het kruien, graven en ophogen. Met kleine schuiten werd tussen eb en vloed slik aangevoerd. Polderwerkers gebruikten modderhaken, schoppen, kruiwagens en bootjes. De omstandigheden waren zwaar, omdat het werk voortdurend afhankelijk bleef van wind, stroming, getij en de stevigheid van de ondergrond.

De eerste dijken waren niet bestand tegen iedere storm. In 1610 en opnieuw in 1611 gingen complete dijkvakken verloren. De openingen moesten opnieuw met klei en slik worden gevuld. De Noordwesterdijk en Noorderdijk werden aan de zeezijde met extra palen versterkt. Ook later bleven aanpassingen nodig. In 1645 moest de Oosterdijk opnieuw worden verhoogd. De bedijking liet zien dat nieuw land niet met één afsluiting definitief was gewonnen. Zelfs na het droogvallen waren jarenlang geld, arbeid en technische verbeteringen noodzakelijk. Iedere storm kon zwakke plekken blootleggen. Wanneer een dijkdeel bezweek, verdween niet alleen werk, maar dreigden ook investeringen en toekomstige opbrengsten verloren te gaan. Deze ervaringen werden belangrijk voor latere projecten dichter bij Obdam, waar eveneens ringdijken, molens en voortdurend toezicht nodig waren.

Binnen de dijken van de Wieringerwaard lag ongeveer 1.660 hectare nieuw land. In het voorjaar van 1611 werd de grond verkaveld. Er werden stukken van vijftien morgen uitgegeven, met daarnaast vijf morgen ter compensatie van verschillen in bodemkwaliteit. Op 12 juli 1611 vond de verloting plaats en werd bepaald welke investeerder welk deel kreeg. De bemaling begon met twee molens en werd later uitgebreid tot vier. Nadat het water was verdwenen, verschenen de eerste gebouwen. Het Gemenelantshuis, of polderhuis, was een van de belangrijkste. Daarna volgde de herberg bij de Nieuwesluis. Deze bood niet alleen onderdak aan reizigers, maar ook aan polderwerkers en diende als opslagplaats voor materialen. Langs de dijken verrezen eenvoudige arbeiderswoningen op grond van de polder.

Tot de eerste bewoners behoorden pachtboeren, molenaars, sluiswachters, boden en polderwerkers. Veel boeren kwamen uit de directe omgeving, onder meer uit Barsingerhorn, Kolhorn, Lutjewinkel, Haringhuizen, Schagen, Zijpe en Callantsoog. Anderen kwamen van Texel, Wieringen, Huisduinen en uit Hoogwoud. Zij bewerkten grond die meestal niet van henzelf was, maar van stedelijke investeerders. Daarmee ontstond een verhouding die later ook in andere droogmakerijen zichtbaar werd. Het geld kwam uit steden, maar het dagelijkse werk werd op het land verricht door boerengezinnen, knechten en arbeiders. Zij moesten ploegen, zaaien, maaien, melken, sloten onderhouden en bijdragen aan polderlasten. De waarde van het nieuwe land ontstond pas door hun voortdurende arbeid en hun vermogen om moeilijke grond productief te maken.

Investeerders en bestuurders

De Wieringerwaard werd gefinancierd door 55 heren. Ongeveer negentig procent van hen woonde in Den Haag, Amsterdam of Alkmaar. Tot de belangrijkste geldschieters behoorden Adriaen du Gardijn, Adriaen Maertsz. Coetenburgh en Bartholt Cromhout. Du Gardijn was penningmeester van Zijpe en Wieringerwaard en schepen van Amsterdam. Coetenburgh was burgemeester van Alkmaar. Cromhout was koopman en burgemeester van Amsterdam. Samen met Jacob Schaap, jonkheer Otto van Seventer en dijkgraaf Dominicus Boot vormden zij het eerste polderbestuur. Ook de Alkmaarse vestingbouwer, wiskundige en landmeter Adriaen Anthonisz. investeerde in de onderneming. Zelfs landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt behoorde tot de deelnemers. De droogmakerij werd daardoor gedragen door een netwerk van kooplieden, bestuurders, deskundigen en adellijke investeerders.

De Wieringerwaard lag niet direct bij Obdam, maar vormde wel een belangrijk voorbeeld. De ervaringen met octrooien, financiering, dijkenbouw, verkaveling, bemaling en polderbestuur werden bij latere ondernemingen opnieuw gebruikt. Ook de verhouding tussen stedelijke eigenaren en plaatselijke gebruikers keerde terug. Rijke investeerders bezaten grote delen van het nieuwe land, terwijl boeren en arbeiders de bodem moesten verbeteren en productief maken. Dezelfde steden waren bij meerdere projecten betrokken. Amsterdam leverde handelskapitaal, Den Haag bestuurlijke invloed en Alkmaar kennis van de streek en toegang tot de Staten van Holland. Daardoor ontstond een Noord-Hollands netwerk van mensen die in verschillende droogmakerijen investeerden of bestuurlijke functies bekleedden. De ontwikkeling rond Obdam stond dus niet op zichzelf, maar maakte deel uit van een veel grotere economische en technische beweging.

Balthasar Jacot van Axele

Een van de investeerders in de Noord-Hollandse landaanwinning was Balthasar Jacot van Axele. Hij werd in 1558 in Antwerpen geboren en verhuisde in 1584 naar Amsterdam. In 1591 verwierf hij daar het poorterschap. Hij bouwde een bestaan op als lakenkoopman en werkte samen met zijn zwager Dirck Alewijn. Daarnaast trad hij op als verzekeraar van scheepsladingen. Balthasar behoorde tot de groep immigranten die snel een plaats veroverden binnen de Amsterdamse handelselite. Hij kocht voor 15.000 gulden aandelen in de Verenigde Oost-Indische Compagnie en investeerde tevens in polders in West-Friesland. Hij werd hoofdingeland en dijkgraaf van de Zijpe en heemraad van de Wieringerwaard. Handelskapitaal uit de stad vond zo zijn weg naar het Noord-Hollandse waterland.

De betrokkenheid van Balthasar Jacot laat zien dat droogmakerijen geen uitsluitend plaatselijke ondernemingen waren. Geld uit lakenhandel, scheepvaart, verzekeringen en de VOC werd gebruikt om meren en slikgronden in landbouwgrond te veranderen. De investeerders verwachtten opbrengsten uit verkoop, pacht en waardestijging. Tegelijk verwierven zij bestuurlijke invloed door functies als dijkgraaf, heemraad of hoofdingeland. Balthasar werd opgenomen in bestaande bestuurlijke kringen. Zijn zoon Eduard trouwde met een dochter van Adriaen Maertsz. Coetenburgh, de Alkmaarse burgemeester die bij verschillende landaanwinningsprojecten betrokken was. Familie, kapitaal en bestuur raakten zo met elkaar verweven. De droogmakerijen vormden niet alleen nieuwe landschappen, maar ook netwerken waarin huwelijk, bezit, stedelijke politiek en waterbeheer elkaar versterkten.

Eduard Jacot van Axele verkreeg later verschillende heerlijkheden en bestuurlijke functies. Hij werd heer van Dussen-Munsterkerk en Aartswaard en trad op als concessionaris van de bedijking van de Schermer. Daarnaast bekleedde hij functies in de Zijpe, Hazepolder, Wieringerwaard, Heerhugowaard en Schermer. Hij was onder meer heemraad van de Heerhugowaard en hoofdingeland van de Schermer. Eduard hield zich ook bezig met de techniek van de bemaling. Hij ontwierp een watermolen met twee schepraderen. Een commissie van hoofdingelanden en ervaren molenmakers koos echter niet voor zijn ontwerp. Men gaf de voorkeur aan de traditionele achtkante molen met één scheprad. Betrouwbaarheid woog zwaarder dan vernieuwing, omdat het voortbestaan van een droogmakerij volledig afhankelijk was van voortdurende en veilige bemaling.

Het plan voor het Berkmeer

Terwijl de Wieringerwaard werd bedijkt, ontstonden plannen om wateren dichter bij Obdam droog te maken. Al in 1609 bestond het voornemen om het Berkmeer droog te leggen. Het plan werd toen nog niet uitgevoerd. De kosten, de technische moeilijkheden en de verdeling van rechten en verantwoordelijkheden vormden waarschijnlijk belangrijke belemmeringen. Een droogmakerij vereiste een octrooi, voldoende investeerders, duidelijke afspraken over eigendom en een betrouwbaar plan voor dijken en bemaling. Ook moest worden vastgesteld waar het water naartoe kon worden afgevoerd. Het Berkmeer stond niet op zichzelf, maar maakte deel uit van het grotere waterlandschap rond de Heerhugowaard. Zolang dat grote meer open bleef, was het moeilijk het kleinere Berkmeer los daarvan veilig en doelmatig droog te maken.

De voorgenomen bedijking van de Heerhugowaard bracht het plan opnieuw onder de aandacht. Wanneer het veel grotere meer zou worden drooggelegd, werd het minder logisch het Berkmeer als open water te laten bestaan. Beide gebieden moesten bij de inrichting van ringdijken, kaden en afwatering in samenhang worden bekeken. De belangstelling voor droogmakerijen was ondertussen sterk gegroeid. In 1612 viel de Beemster droog. Dat succes gaf investeerders vertrouwen. In de groeiende Hollandse economie was veel kapitaal beschikbaar en land gold als een waardevaste belegging. De bedijking van de Heerhugowaard, Berkmeer en Schermer werd daardoor steeds waarschijnlijker. Voor Obdam betekende dit dat het oude waterlandschap rondom het dorp binnen korte tijd ingrijpend zou veranderen. Meren verdwenen en werden vervangen door rechte sloten, wegen, landbouwkavels en molens.

Alkmaar en de droogmakerijen

Voor Alkmaar stond bij de droogmakerijen veel op het spel. De stad wilde niet alleen profiteren van de waarde van het nieuwe land, maar ook invloed krijgen op de boeren die zich er zouden vestigen. Hun kaas, boter, graan en vee moesten bij voorkeur naar de Alkmaarse markten worden gebracht. Ook hun inkopen zouden zij in de stad moeten doen. Alkmaar had in de Staten van Holland een sterke positie wanneer projecten in de directe omgeving werden besproken. De Staten verleenden de octrooien die voor bedijking nodig waren. Initiatiefnemers konden daardoor moeilijk om het Alkmaarse stadsbestuur heen. In ruil voor stedelijke medewerking werden voorwaarden gesteld die de economische belangen van Alkmaar bevorderden. Wegen, vaarten en bestuurszetels werden zo onderdeel van een bewuste stedelijke strategie.

In 1631 viel de Heerhugowaard droog. Voor Obdam was dit een ingrijpende verandering. Ten westen en noordwesten van het dorp verdween een groot wateroppervlak. Daarvoor in de plaats kwam een nieuwe polder met rechte sloten, wegen, molens en landbouwkavels. De grens tussen oud land en nieuw land kwam dicht bij het dorp te liggen. De bedijking kostte ongeveer 1,2 miljoen gulden. Alkmaar nam een grote participatie in het project en verkreeg ongeveer 465 hectare grond. Ook afzonderlijke inwoners van de stad investeerden. Daarnaast bedong Alkmaar vaste zetels in het polderbestuur. De bestuurders moesten in de polderkamer van het Alkmaarse stadhuis vergaderen. Daarmee kreeg de stad blijvende invloed op het beheer van een gebied dat vlak naast Obdam lag.

Alkmaar wist tevens te bereiken dat wegen en vaarten uit de nieuwe polder zoveel mogelijk naar de stad liepen. Daarmee werd de economische oriëntatie van de Heerhugowaard vanaf het begin gestuurd. Boeren konden hun zuivel, vee en andere producten gemakkelijk naar de Alkmaarse markt vervoeren en daar hun benodigdheden kopen. Voor Obdam werd de verbinding met Alkmaar daardoor belangrijker. Het dorp lag tussen het oude West-Friese land en de nieuwe droogmakerij. Verkeer van boeren, vee, hooi, zuivel en landbouwproducten nam toe. Tegelijk bleef Obdam verbonden met Hoorn. De ligging tussen beide marktsteden bood kansen, maar nieuwe vaarten en wegen konden het evenwicht verschuiven. Landaanwinning veranderde dus niet alleen de bodem, maar ook handel, vervoer en economische afhankelijkheid.

Het Berkmeer wordt land

Op 21 maart 1633 verleenden de Staten van Holland en West-Friesland het octrooi voor de bedijking van het Berkmeer. Daarmee werd het oude plan uit 1609 werkelijkheid. De initiatiefnemers kregen toestemming om een ringdijk en kaden aan te leggen, het water uit te malen en de drooggevallen bodem te verdelen. De werkzaamheden verliepen snel. Molens moesten het meer eerst leegmalen en daarna het regen- en kwelwater blijven afvoeren. Binnen de nieuwe polder werden sloten en watergangen gegraven. Zij verzamelden het water uit de percelen en leidden dit naar bredere tochten en uiteindelijk naar de molen. Zonder zo’n stelsel zou het nieuwe land binnen korte tijd opnieuw onderlopen. De droogmakerij was daarom geen eenmalige ingreep, maar het begin van permanent waterbeheer.

In juni of juli 1635 was de gehele polder opgemeten en verkaveld. Een landmeting bepaalde de oppervlakte op 301 morgens en 546 roeden. Waar voorheen een meer naast Obdam had gelegen, bevond zich nu een geordend landbouwgebied. De droogmaking had voor Obdam veel directere betekenis dan de Wieringerwaard. Er kwam nieuwe grond beschikbaar voor veeteelt, hooiland en mogelijk akkerbouw. Boeren konden kavels kopen of pachten en hun bedrijven uitbreiden. Ook ontstond werk voor molenaars, timmerlieden, dijkwerkers, landarbeiders en schippers. Materialen moesten worden aangevoerd, kaden onderhouden en sloten uitgegraven. De polder vroeg dus niet alleen tijdens de aanleg om arbeid. Ook daarna bleef voortdurend toezicht en onderhoud nodig om het land droog en productief te houden.

In de gemeentelijke beschrijving wordt daarnaast 1636 genoemd als het jaar waarin de heren van Obdam, Opmeer en Veenhuizen gezamenlijk bij de droogmaking betrokken waren. Vaststaat dat het Berkmeer in de jaren dertig van de zeventiende eeuw werd ingepolderd en daarna over verschillende rechtsgebieden werd verdeeld. De polder kreeg een regelmatige blokverkaveling. Een middeltocht vormde de centrale watergang. Ter hoogte van het latere gehucht Berkmeer boog deze tocht naar het oosten, waardoor ook de richting van de kavels veranderde. De rechte percelen, ringdijk en sloten maakten zichtbaar dat het gebied niet door middeleeuwse ontginning, maar door een zeventiende-eeuws ontwerp was gevormd. Het nieuwe land verschilde daardoor duidelijk van het oudere, langgerekte veenland van Obdam en Hensbroek.

De Schermer en het behoud van vaarroutes

Eveneens in 1635 viel de Schermer droog. Deze onderneming kostte ongeveer 2,5 miljoen gulden. Alkmaar verwierf er ongeveer 630 hectare grond. Vooral stedelijke investeerders uit Alkmaar waren sterk vertegenwoordigd. De drooglegging riep ook weerstand op. Het meer maakte deel uit van belangrijke waterverbindingen tussen Alkmaar en omliggende dorpen en steden. Winkeliers vreesden dat klanten de stad moeilijker zouden kunnen bereiken. Regenten die bij de bedijking betrokken waren, werden zelfs op straat uitgejouwd. Het stadsbestuur reageerde door de bedijkers te verplichten de Noordervaart aan te leggen. Deze liep dwars door de nieuwe polder van Alkmaar naar Schermerhorn. Aan weerszijden kwamen wegen. Zo bleef een verbinding met oostelijk Noord-Holland en West-Friesland bestaan, ondanks het verdwijnen van het oude meer.

Voor Obdam waren zulke verbindingen van groot belang. In de zeventiende eeuw vond een groot deel van het vervoer over water plaats. Kaas, boter, vee, hooi, graan, turf, bouwmaterialen en huishoudelijke goederen werden per schuit vervoerd. Nieuwe vaarten konden oude routes vervangen, verkorten of juist verleggen. Daarmee bepaalden zij welke steden en markten het gemakkelijkst bereikbaar waren. De droogmakerijen versterkten de positie van Alkmaar, al leverden zij de stad financieel minder op dan verwacht. Voor haar participaties moest Alkmaar grote leningen afsluiten. De grond in Heerhugowaard en Schermer bleek minder goed dan gehoopt. De directe opbrengsten vielen tegen en de schulden liepen op. Toch profiteerden de markten, winkels en vervoerders van de grotere stroom boeren en producten richting stad.

Voor boeren uit Obdam betekende nieuwe grond evenmin automatisch rijkdom. Drooggevallen percelen moesten worden ontgonnen, verbeterd en bemest. Sommige stukken bleven nat of hadden een matige bodem. Naast pacht of aankoop moesten gebruikers bijdragen aan de kosten van molens, kaden, sloten en bestuur. De nieuwe polders werden grotendeels gefinancierd door mensen die er zelf niet woonden. Rijke stedelingen bezaten het land, terwijl plaatselijke boeren, knechten en arbeiders het productief maakten. De tegenstelling tussen kapitaal en arbeid was duidelijk. Investeerders betaalden landmeters en bestuurders, maar polderwerkers hadden de dijken opgeworpen. Daarna moesten boerengezinnen ploegen, zaaien, maaien, melken en bemesten. Het land kreeg pas waarde door hun dagelijkse arbeid en voortdurende zorg voor water en bodem.

Afhankelijk van molens en bestuur

Het landschap rond Obdam veranderde fundamenteel. Oude wateren verdwenen en werden vervangen door rechte kavels, sloten, ringdijken, molens en wegen. De natuur werd niet volledig overwonnen, maar opgenomen in een technisch en bestuurlijk systeem. Waterpeilen werden vastgesteld, onderhoudsplichten verdeeld en belastingen geheven. De nieuwe polders lagen lager dan het water in de omringende boezemvaarten. Regenwater en kwelwater konden niet vanzelf wegstromen. Molens moesten het voortdurend omhoogbrengen. Wanneer een molen stilviel, een sloot dichtslibde of een kade beschadigd raakte, kon het peil snel stijgen. Grondeigenaren en gebruikers waren daarom verplicht mee te betalen aan onderhoud en herstel. Polderbesturen, dijkgraven, heemraden en hoofdingelanden besloten over molens, waterstanden, belastingen en werkzaamheden. Het nieuwe landschap kon alleen bestaan dankzij permanente samenwerking.

De ontwikkeling bracht Obdam meer landbouwgrond, werk en handelsmogelijkheden, maar maakte het dorp ook kwetsbaarder. Hoe meer laaggelegen land werd drooggelegd, hoe groter de mogelijke schade wanneer een dijk of waterkering bezweek. De nieuwe polders hadden geen natuurlijke afvoer en konden snel vollopen. De veiligheid van Obdam hing bovendien niet alleen af van plaatselijke kaden. Ook de Westfriese Omringdijk, kilometers verderop, beschermde het gehele binnenland tegen de Zuiderzee. Wanneer daar een doorbraak ontstond, kon het water zich via sloten, vaarten en lage landerijen tot diep in de streek verspreiden. De bewoners leefden daardoor in een systeem waarin plaatselijke en regionale waterwerken volledig met elkaar samenhingen. Die kwetsbaarheid werd tijdens de zware stormvloed van 1675 op dramatische wijze zichtbaar.

De stormvloed van 1675

In de nacht van 4 op 5 november 1675 trok een zware noordwesterstorm over Holland. De wind stuwde het water van de Zuiderzee en het IJ tegen de dijken. Op meerdere plaatsen konden de waterkeringen de druk niet weerstaan. Bij Halfweg brak de Spaarndammerdijk door. Halfweg lag toen op een smalle landstrook tussen het Houtrak en het Spieringmeer. Het Houtrak stond in open verbinding met het IJ, dat destijds veel groter was dan tegenwoordig. Het Spieringmeer vormde het noordelijke deel van het steeds verder uitbreidende Haarlemmermeer. Achter de doorgebroken dijk ontstond een gat met een diameter van ongeveer 140 meter en een diepte van bijna tien meter. Het snelstromende water schuurde de bodem weg en vormde de diepe kolk die bekend werd als de Groote Braak.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland kwam op 12 november bijeen om het herstel te organiseren. De gewone inkomsten waren onvoldoende. Daarom werd een bijzondere belasting opgelegd aan grondeigenaren en gebruikers van de bedreigde polders. Omdat het innen daarvan tijd kostte, leende het hoogheemraadschap onmiddellijk honderdduizend gulden. Een eerste kistdam werd in het dijkgat gebouwd. Op 18 en 19 december volgde opnieuw een zware noordwesterstorm. De dam werd volledig weggeslagen en het werk moest worden herhaald. Bij de tweede poging werden enkele schepen voor het gat tot zinken gebracht om stroming en golfslag te breken. In maart 1676 was de Spaarndammerdijk hersteld. De rekening bedroeg meer dan 500.000 ponden. De Groote Braak bleef als zichtbaar litteken van de ramp bestaan.

De doorbraak bij Halfweg had geen directe gevolgen voor Obdam, omdat zij in een ander waterstaatkundig gebied plaatsvond. Toch laat zij zien hoe uitzonderlijk krachtig de storm was en hoeveel geld, materiaal en organisatie voor dijkherstel nodig waren. Voor Obdam was de doorbraak van de Westfriese Omringdijk bij Scharwoude veel belangrijker. Daar bezweek de dijk eveneens onder de druk van het opgestuwde Zuiderzeewater. Door het gat stroomde het water het lage West-Friese binnenland in. Het overstroomde of bedreigde gebied strekte zich uit tussen Heerhugowaard, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Obdam lag binnen deze door de Omringdijk beschermde streek. De afstand tot de Zuiderzee bood onvoldoende veiligheid, omdat water zich via lage landerijen, sloten en vaarten ver landinwaarts kon verspreiden.

Voor Obdam waren vooral de mogelijke gevolgen voor landbouw en veeteelt ernstig. Weilanden en bouwland konden onder water komen te staan. Sloten vulden zich met zout of brak water. Hooi, graan en andere wintervoorraden konden nat worden of verloren gaan. Wegen, bruggen, kaden en watergangen raakten beschadigd. In overstroomde en bedreigde dorpen probeerden boeren hun koeien, paarden en ander vee naar hoger gelegen plaatsen te brengen. In verschillende plaatsen werden kerken als noodstal gebruikt, omdat deze vaak op een relatief hoge en stevige plek stonden. Voor Obdam moet nog uit plaatselijke rekeningen blijken welke maatregelen precies werden genomen. Het behoud van vee en wintervoorraden moet echter een eerste zorg zijn geweest, omdat het verlies daarvan het voortbestaan van een boerengezin rechtstreeks bedreigde.

Het verlies van een koe betekende veel meer dan het verlies van één dier. Het huishouden verloor melk, boter, kaas, mest, kalveren en inkomsten. Wanneer bovendien het hooi verloren ging, ontstond een tekort aan veevoer. De gevolgen konden nog jaren merkbaar blijven. Nadat het water was gezakt, bleef de bodem beschadigd. Zout water tastte gras, gewassen en bomen aan. Land kon bruin en dor achterblijven en enige tijd minder vruchtbaar zijn. Sloten moesten worden schoongemaakt en kaden, wegen en bruggen hersteld. Een overstroming eindigde dus niet zodra het water verdween. Daarna begon een langdurige periode van herstel, waarin boeren hun grond opnieuw moesten bruikbaar maken, voorraden aanvullen en schade aan gebouwen, erven en waterwerken herstellen.

Het dijkgat bij Scharwoude

Het sluiten van het dijkgat bij Scharwoude was een gezamenlijke West-Friese noodzaak. Honderden arbeiders werden opgeroepen. Er werd een dubbele rij zware palen in de bodem aangebracht. De ruimte ertussen werd gevuld met hooi, stro, wier en andere materialen. Op 29 november 1675 leek het gat gesloten. Enkele dagen later werd het herstel door een nieuwe storm opnieuw vernield. Vervolgens werd verder in zee een sterkere constructie met meerdere palenrijen gebouwd. Pas op 21 januari 1676 was de Westfriese Omringdijk definitief gesloten. Ook bewoners, gebruikers en grondeigenaren uit het bedreigde binnenland konden voor het herstel en de kosten worden aangeslagen. Voor Obdam moet uit plaatselijke bronnen blijken welke bedragen, arbeiders, paarden, wagens of materialen werkelijk werden geleverd.

Na het sluiten van de Omringdijk moest het water uit het binnenland worden gemalen. De molens in en rond Obdam waren daarbij onmisbaar. De ramp bewees dat de veiligheid van het dorp niet alleen afhing van de eigen polderkaden, maar ook van een grote zeedijk die kilometers verderop lag. Alle onderdelen van het stelsel hingen samen. De Omringdijk hield de Zuiderzee buiten West-Friesland. Binnendijken en kaden verdeelden het gebied in kleinere waterstaatkundige eenheden. Molens hielden de lage polders droog. Sloten en vaarten voerden het water af en dienden tegelijk als vervoerswegen. Wanneer één onderdeel bezweek, kwamen andere delen onder druk te staan. Waterbeheer was daardoor geen plaatselijke aangelegenheid, maar een gezamenlijke verantwoordelijkheid van dorpen, polders, grondeigenaren en regionale besturen.

Na de ramp van 1675 werd het toezicht op de zeedijken aangescherpt. In 1677 werd een extra oppertoezicht ingesteld. De doorbraak van 1675 zou de laatste grote doorbraak van de Westfriese Omringdijk worden. Het gevaar verdween echter nooit. Hoge waterstanden, stormen, paalworm, verzakkingen en beschadigingen bleven voortdurende aandacht vragen. Voor Obdam werd de zeventiende eeuw zo een periode van twee tegengestelde bewegingen. Mensen veranderden water in land, maar het water bleef proberen terug te keren. Droogmakerijen brachten landbouwgrond, werk en handel. Stormvloeden brachten dreiging, schade en hoge herstelkosten. Iedere hectare nieuw land bleef afhankelijk van dijken, molens, sloten, belastingen en samenwerking. Het landschap was door mensen ingericht, maar nooit volledig aan de macht van het water onttrokken.

De Weel en de Braken

De Heerhugowaard vormde eeuwenlang een bedreiging voor Obdam. De Lutkedijk en de Spierdijk waren aangelegd om het land tegen het water te beschermen. Door vroegere dijkdoorbraken ontstonden kolken, wielen en braken. Namen als De Weel, De Waal en de Noorder-, Middel- en Zuider-Braken herinneren aan zulke gebeurtenissen. Een braak was een waterpartij die achter een doorgebroken dijk ontstond doordat het snelstromende water een diepe kolk uitschuurde. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden deze wateren drooggelegd. Rond de drooggevallen gronden kwamen nieuwe kaden en sloten. De verkaveling werd rationeler dan in het oude veenland. In de Noorder- en Middel-Braken liep een centrale tochtsloot, met de kavels daar loodrecht op. Zo bleef de herinnering aan een ramp aanwezig in een nieuw landbouwlandschap.

Toen de Heerhugowaard werd drooggelegd, veranderden ook grenzen en eigendomsverhoudingen. Het gebied van Obdam dat binnen de in 1625 aangelegde ringdijk kwam te liggen, werd door de bedijkers gekocht. Voor het deel van Hensbroek gebeurde dat niet, omdat de kosten te hoog waren. De ringdijk werd later een belangrijke verkeersroute. Een deel ervan stond bekend als de Obdammerdijk, die vanaf het zuidelijke einde van de polder De Waal tot de Lutkedijk liep. Daarmee werd een waterstaatkundig werk tevens een verbinding voor bewoners, boeren en schippers. De dijk vormde een grens tussen oud en nieuw land, maar bracht beide gebieden ook met elkaar in contact. Langs deze route ontstonden woningen en bedrijven, waaronder later het Schippershuis van de familie Wester.

De Wogmeer

Ook de Wogmeer werd in de zeventiende eeuw bedijkt en drooggemalen. De onderneming werd uitgevoerd door de ambachtsheren van Obdam en Hensbroek, samen met die van Ursem. Na de drooglegging werd het nieuwe land verdeeld. Obdam en Hensbroek kregen ieder een deel. Door het midden van de droogmakerij liep de Wogmeerderweg, later Kapelleweg genoemd. Langs deze rechte middenweg ontstond het gehucht Wogmeer. De regelmatige verkaveling, rechte weg en evenwijdige sloten maakten zichtbaar dat dit geen middeleeuwse nederzetting was, maar een geplande gemeenschap in nieuw land. De kavels stonden loodrecht op de middenweg. Daardoor verschilde het patroon duidelijk van de oudere, langgerekte veenverkaveling rond de Kaaggouw. De droogmakerij droeg haar ontstaan zichtbaar in de vorm van het landschap.

In 1850 bestond langs de Wogmeerderweg al tweezijdige lintbebouwing. Rond 1900 waren er meer woningen bijgekomen, maar de structuur veranderde nauwelijks. Ook omstreeks 1940 bleef het lint herkenbaar. Aan weerszijden van de weg stonden bomen. Langs de weg lagen sloten en dammen verbonden de boerderijen met het wegdek. De bebouwing stond hier dichter bijeen dan in veel andere delen van het buitengebied. Dat buitengebied was voornamelijk agrarisch en verspreid bebouwd. Veel bedrijven hadden een rechthoekige plattegrond, soms met een aangebouwd voorhuis en soms met een afzonderlijke woning. Wogmeer vormde daarentegen een duidelijk tweezijdig lint. De droogmakerij kreeg zo een eigen nederzettingsvorm, die afweek van zowel het oude Obdam als de verspreide bewoning in Berkmeer.

Berkmeer als gehucht

Rond 1850 heette het gehucht Berkmeer nog Berkmeerdijk. Het bestond uit een klein aantal woningen in een eenzijdig lint langs de noordelijke ringdijk. Rond 1900 veranderde de naam in Berkmeer en nam het aantal huizen aan de noordzijde af. Omstreeks 1940 stonden daar nog ongeveer vijf woningen. Aan de zuidelijke ringdijk ontstond later een groter lint dat eveneens Berkmeer werd genoemd. De ontwikkeling van de bebouwing hing samen met bereikbaarheid, grondgebruik en waterstaat. Waar wegen verbeterden en landbouwbedrijven zich uitbreidden, kon ook het zwaartepunt van bewoning verschuiven. Toch bleef Berkmeer klein en agrarisch. Er ontstond geen compacte dorpskern met kerk, plein of winkels. De ringdijk, sloten en regelmatige kavels bepaalden sterker het beeld dan de bebouwing zelf.

Een gebied van afzonderlijke polders

Waterstaatkundig vormde Obdam geen eenheid. Het gebied bestond uit afzonderlijke polders, elk met eigen sloten, kaden, molens, duikers en waterpeilen. Rond 1850 behoorde het afwateringsgebied tot het Ambacht van West-Friesland, genaamd het Geestmerambacht. De Raaksmaatsboezem vormde de boezem waarop verschillende polders hun water uitsloegen. In 1934 nam het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland de Raaksmaatsboezem en een deel van de Niedorperkoggeboezem in eigendom en beheer over. De oude ambachten werden opgeheven. De boezemgebieden werden gedeeltelijk samengevoegd tot de Verenigde Raaksmaats- en Niedorperkoggeboezem. Daarmee veranderde de bestuurlijke organisatie, maar het doel bleef hetzelfde: voldoende ruimte bieden voor het water dat door de afzonderlijke polders werd uitgeslagen.

De polder Obdam werd rond 1850 door twee vijzelmolens bemalen. Eén stond in het noordwesten en één in het zuidwesten. Zij sloegen het water uit op de ringsloot van de Heerhugowaard, die deel uitmaakte van de Raaksmaatsboezem. Via een duiker in de ringdijk kon vers water worden ingelaten. De zuidelijke molen werd in 1890 afgebroken en vervangen door een stoomgemaal. Rond 1940 werkte nog één windvijzelmolen, met het stoomgemaal als hulp. De overgang naar stoom betekende dus niet dat de windbemaling onmiddellijk verdween. Beide systemen bleven naast elkaar bestaan. De windmolen was goedkoop in gebruik wanneer voldoende wind stond, terwijl het stoomgemaal kon bijspringen wanneer snelle of betrouwbare bemaling nodig was.

De polder De Weel en Braken bestond rond 1850 uit negen kleine poldertjes. Daaronder vielen De Poel, De Kleine Veert, De Grote Veert, het Kerkeland en de verschillende Braken. De poldertjes waren met acht duikers onder de sloten van Obdam met elkaar verbonden. Twee vijzelmolens verzorgden de bemaling, één in De Poel en één aan de Zuider-Braak. Zij brachten het water op de boezem van de polder Obdam. In 1856 werd de waterverbinding tussen de delen ten westen en ten oosten van de Kaaggouw verbroken. Toch bleef het water van beide delen op dezelfde boezem worden geloosd. Het landschap bestond daarmee uit kleine afzonderlijke eenheden die technisch en bestuurlijk met elkaar verbonden bleven.

Rond 1940 was de windvijzelmolen aan de Zuider-Braak nog aanwezig. De molen in De Poel was inmiddels vervangen door een windmotorinstallatie. Tussen De Waal en De Poel lag een ondergrondse duiker. Ook tussen de oostelijke poldertjes lagen ondergrondse verbindingen. Tegenover de Tochtsloot bevond zich in de Middel-Braak een inlaatduiker. Zulke duikers waren onzichtbare maar onmisbare onderdelen van het watersysteem. Zij voerden water onder wegen, kaden of andere sloten door en maakten het mogelijk verschillende peilgebieden met elkaar te verbinden of juist van elkaar te scheiden. De bewoners zagen vooral molens en sloten, maar onder de grond lag een netwerk van buizen en doorgangen dat de afwatering mogelijk maakte. Zonder regelmatig onderhoud konden deze verbindingen verstopt raken en wateroverlast veroorzaken.

De Berkmeer werd rond 1850 door een vijzelmolen bemalen. De molen stond in het westelijke deel van de polder en sloeg het water uit op de Raaksmaatsboezem. In 1877 kwam er een hulpstoomgemaal bij, aanvankelijk met een locomobiel, een verrijdbare stoommachine. In 1925 werd deze installatie vervangen door een motorgemaal in een stenen gebouw. De oude molen verloor toen zijn roeden en werd niet langer voor de bemaling gebruikt. Rond 1940 werd de polder nog steeds door het motorgemaal drooggehouden. Het water werd afgevoerd op de Verenigde Raaksmaats- en Niedorperkoggeboezem. De ontwikkeling van wind naar stoom en vervolgens motor toont hoe technische vernieuwing de betrouwbaarheid van het waterbeheer vergrootte en de afhankelijkheid van gunstige wind verminderde.

Ook de polder Hensbroek had rond 1850 een eigen bemaling. Een vijzelmolen sloeg het water uit op de ringsloot van de Heerhugowaard. Bij de molenkolk van de Wogmeer lag een duiker in de polderkade. Wanneer het waterpeil laag genoeg was, kon de polder Hensbroek via deze duiker op de ringsloot van de Wogmeer lozen. Voor het inlaten van water waren twee duikers aangebracht in het Oudelandsdijkje, het gedeelte van de ringdijk langs Hensbroek. Eén lag bij de molen en één iets noordelijker. Hoewel dit waterstaatkundig bij Hensbroek hoorde, was het stelsel verbonden met dezelfde boezems en ringvaarten die ook voor Obdam belangrijk waren. De polders waren zelfstandig, maar nooit volledig los van elkaar.

De bemaling van Hensbroek werd verzorgd door een achtkantige binnenkruier die in 1866 was gebouwd. Rond 1940 werd deze vijzelmolen bijgestaan door een stoomgemaal dat als reserve diende. De oude duiker naar de Wogmeer was toen opgeheven. De molen aan het Oudelandsdijkje vormde een herkenbaar teken in het open landschap. Een binnenkruier werd van binnenuit op de wind gezet, in tegenstelling tot molens waarbij het bovenste deel van buitenaf werd gedraaid. De komst van stoom maakte de polder minder afhankelijk van voldoende wind. Toch bleef de molen nog lange tijd belangrijk. Oude en nieuwe techniek bestonden naast elkaar, omdat betrouwbaarheid belangrijker was dan een snelle volledige vervanging van het bestaande systeem.

Ook de Wogmeer kende een uitgebreid bemalingsstelsel. Twee benedenmolens brachten het water vanuit de laaggelegen polder naar een molenkolk. Vanuit die kolk maalden twee bovenmolens het water verder omhoog naar de ringsloot van de Heerhugowaard. De polder had dus een getrapte bemaling, omdat het hoogteverschil te groot was om in één keer te overbruggen. Rond 1940 waren de vier molens vervangen door twee elektrische gemalen. Zij stonden ongeveer op dezelfde plaatsen als de vroegere beneden- en bovenmolens en volgden dezelfde waterroute. De techniek veranderde, maar de structuur van de afwatering bleef bestaan. De ligging van gemalen en watergangen was bepaald door het zeventiende-eeuwse ontwerp en bleef ook in de twintigste eeuw de meest bruikbare oplossing.

In de Wogmeer waren vier inlaatduikers aanwezig. Eén lag bij de voormalige bovenmolen aan de ringsloot van de Heerhugowaard. Een tweede bevond zich in de omringdijk bij de vroegere benedenmolen. Twee andere lagen ongeveer 300 en 1.100 meter noordelijker. Via deze duikers kon water worden ingelaten wanneer het peil in de polder te laag werd. Bemaling betekende namelijk niet alleen zoveel mogelijk water verwijderen. Voor landbouw, vee en slootkwaliteit was ook een minimumpeil nodig. In droge perioden moest daarom vers water worden binnengelaten. Het polderbestuur moest steeds zoeken naar evenwicht. Te veel water veroorzaakte natte grond en schade aan gewassen, maar te weinig water leidde tot verdroging, slechte bevaarbaarheid en problemen voor vee en sloten.

De Lije was rond 1850 nog een meer of waterplas. Omstreeks 1940 was het meertje drooggelegd. Het kleine poldertje werd door een eigenaar onderhouden en door een vijzelmolen bemalen. Het water werd uitgeslagen op de boezem van de polder Hensbroek. De drooglegging van De Lije paste in een eeuwenoude ontwikkeling waarin open water stap voor stap werd veranderd in bruikbaar land. Zelfs kleine plassen konden aantrekkelijk worden wanneer landbouwgrond schaars of kostbaar was. De nieuwe grond bleef echter afhankelijk van bemaling. Sloten moesten worden uitgebaggerd, duikers vrijgehouden en kaden hersteld. Zonder dat dagelijkse en seizoensgebonden werk zou de polder opnieuw vernatten. Het gewonnen land was daarom nooit definitief veroverd, maar bleef een technische prestatie die voortdurend moest worden onderhouden.

Einde Deel 1 — Land, water en heerlijkheid