Bussum 

1. Intro plaats

Bussum ligt op de westelijke flank van de Gooise stuwwal, tussen Naarden, Hilversum, Crailo, de Bussummerheide en het Naardermeer. Wie alleen naar het latere villadorp kijkt, mist de diepere laag. Onder de lanen, villa’s, spoorlijnen en winkels ligt een ouder Bussum van zand, heide, enggronden, plaggen, schapen, zandwegen, meenten, een haven en een fort.

Bussum was geen vestingstad zoals Naarden en geen vissersdorp zoals Huizen. Het was een Goois zanddorp. De droge hoge grond bood ruimte om te wonen. De heide leverde plaggen en graasgrond. De engen werden akkers. De meenten gaven gras voor het vee. Zand, grind en stenen werden later handelswaar. Via de haven raakte Bussum verbonden met Naarden. Via het spoor raakte Bussum verbonden met Amsterdam.

De geschiedenis van Bussum is daarom een verhaal van verschuivingen: van Hoog-Bussum naar Laag-Bussum, van heide naar akker, van eng naar villawijk, van zandsloot naar haven, van boerenpad naar spoorlijn, van militair fort naar erfgoedplek.

2. Prehistorie met doorverwijs

Lang voordat Bussum als dorp bestond, trokken mensen over de hoge zandgronden rond de Bussummerheide, de Lange Heul, de Aardjesberg en het gebied richting Hilversum. Vuurstenen werktuigen wijzen op jagers en verzamelaars. Later kwamen boeren, grafheuvels, urnenheuvels en aardewerk van de Hilversumcultuur.

Die vondsten maken duidelijk dat het gebied niet leeg was. Mensen jaagden er, zochten voedsel, maakten vuur, sloegen werktuigen, gebruikten routes over het droge zand en begroeven hun doden in het landschap. De heide en de zandgronden rond Bussum hoorden bij een veel groter prehistorisch systeem van het Gooi.

Voor het volledige verhaal van ijstijden, stuwwallen, jagers-verzamelaars, eerste boeren, grafheuvels, urnenvelden en de Hilversumcultuur wordt verwezen naar de pagina Prehistorie van het Gooi.

3. Romeinse tijd 12 v.Chr.–450 na Chr.

Voor Bussum zelf is de Romeinse tijd stil. Er zijn geen grote Romeinse gebouwen, wegen of nederzettingen bekend zoals langs de limes. Toch betekent stilte in de bodem niet dat het landschap zonder betekenis was.

De Gooise zandgronden bleven hoog en droog liggen tussen veen, moeras en lagere natte gebieden. Wie door het landschap trok, koos zulke hogere gronden vanzelf als route. Vee kon er grazen, hout kon worden gehaald, kleine stukken grond konden worden gebruikt. Maar harde Bussumse vondsten uit deze periode zijn schaars.

Daarom moet dit tijdvak voorzichtig worden verteld. Bussum was in de Romeinse tijd vooral een landschap: zand, heide, bosranden en routes, met weinig zichtbare sporen maar wel met continuïteit van gebruik.

4. Vroege middeleeuwen 450–1000

In de vroege middeleeuwen werd het Gooi opnieuw aantrekkelijker voor bewoning. De hogere zandgronden staken uit boven uitgestrekte veengebieden. Door droogteperioden werd het hoogveen beter begaanbaar. Mensen zochten plekken waar zand, water, bos, gras en routes samenkwamen.

Naarden ontstond op de noordelijke punt van de Gooise heuvelrug. Vanuit dat Naerdincklant ontwikkelden zich ook andere Gooise woonplekken. Namen, boerderijvormen en oude nederzettingspatronen wijzen op Saksische en Friese invloeden.

Aan de westkant van de heuvelrug groeide uiteindelijk Hoog-Bussum. De naam Bussum werd vroeger geschreven als Bussen en wordt uitgelegd als “bij de bosjes”. Dat past bij een landschap van bosranden, open plekken, zandwegen en kleine boerderijen.

De eerste bewoners leefden niet van één ding. Bos werd hout. Hout werd boerderij. Heide werd plag. Plag werd mest. Mest werd akkergrond. Gras werd hooi. Hooi werd melk. Zo zat het dagelijks leven vast aan de bodem.

5. Late middeleeuwen 1000–1500

In de late middeleeuwen wordt Bussum zichtbaar als dorp. Hoog-Bussum lag bij het latere Oud-Bussum, ten zuiden van Naarden. Rond een brink stonden boerderijen. Mens en vee leefden dicht op elkaar. In het los-hoes deelden bewoners en dieren één groot gebouw. De koeien en schapen waren geen decor; zij waren warmte, mest, melk, wol en overleving.

Rond Hoog-Bussum lag de Bussummer Eng. Die eng was door mensen gemaakt. De zandgrond was schraal. Zonder bemesting leverde hij weinig op. Daarom haalden boeren plaggen van de heide. Die plaggen kwamen in de potstal onder het vee. Daar vermengden ze zich met mest. Daarna werd de donkere massa over de akkers gebracht.

Zo ontstond voedsel uit een hele keten:

heide → plaggen → potstal → mest → eng → rogge, boekweit en brood

Elke schapenkudde, elke plag en elke kruiwagen mest hoorde bij dat systeem. Ook kinderen zagen dat. Zij zagen hoe een kale heide uiteindelijk brood op tafel kon worden.

De oudste schriftelijke vermelding van Bussum dateert van 6 september 1306, toen de baljuw Bernd van den Doorenwerde in Bussen recht kwam spreken. Dat korte bericht opent een wereld van bestuur, rechtspraak en dorpsconflicten. Bussum was klein, maar niet los van macht.

Na 1409 kwam Hoog-Bussum onder Huizer gezag. Dat was lastig. Huizen lag ver weg. In oorlogstijd bood het weinig bescherming. Ook de meenten lagen ongunstig. Boeren moesten ver lopen om te melken, vee te halen of land te bewerken. Tijd was arbeid, en arbeid was voedsel.

De late middeleeuwen waren bovendien onrustig. Naarden werd verwoest en herbouwd. Gewapende groepen trokken door het gewest. Ook Hoog-Bussum lag kwetsbaar. Voor de bewoners werd de vraag steeds dringender: blijven op de oude plek, of dichter bij Naarden gaan wonen?

6. Zestiende eeuw 1500–1600

In de zestiende eeuw verschoof Bussum van hoog naar laag. Bewoners trokken van Hoog-Bussum naar een nieuwe plek aan de weg van Naarden naar Hilversum. Zo ontstond Laag-Bussum, ook Nieuw-Bussum genoemd.

Die verhuizing was geen nette kaartbeslissing. Het was een keuze uit noodzaak. Dicht bij Naarden hoopten bewoners bescherming te vinden. Dichter bij de meent konden koeien sneller worden gemolken. De oude akkers bleven bereikbaar. De plek was praktischer voor boeren, vrouwen, kinderen, knechten en vee.

Rond de Brink groeide het nieuwe dorp. Wegen liepen naar Naarden, Huizen, Laren, ’s-Graveland en het oude Hoog-Bussum. De Brinklaan, Kerkstraat, Huizerweg, Herenstraat, Laarderweg, St. Vitusstraat, Oud-Bussummerweg, Veerstraat en Meerweg zijn meer dan straatnamen. Het zijn oude looplijnen van werk, geloof, handel, begrafenis en familiebezoek.

Kort na het ontstaan van Laag-Bussum kreeg het dorp een eigen kapel: de St. Vituskapel. Zij stond bij de Kapelstraat en de Kerkstraat. Bussum bleef kerkelijk verbonden met Naarden, maar kreeg een eigen herkenbaar middelpunt. Daar hoorden klokgelui, doop, gebed, feestdagen, rouw en dorpsgemeenschap bij.

Rond 1514 telden Hoog- en Laag-Bussum samen ongeveer dertig tot veertig huizen. Na 1520 verdwijnt Hoog-Bussum als dorp vrijwel uit de bronnen. Het oude dorp werd akker, boerderij, landgoed en herinnering. Laag-Bussum werd het Bussum dat verder groeide.

7. Zeventiende eeuw 1600–1700

In de zeventiende eeuw bleef Bussum klein, maar niet stil. Het was een Goois boerendorp van akkers, vee, heide, plaggen, mest, meenten en zandwegen. Mannen werkten op de eng, vrouwen hielden huishouden, verzorgden voedsel, hielpen bij vee en huisnijverheid, kinderen liepen mee naar heide, stal en akker.

De St. Vituskapel bleef belangrijk. Bussum bleef sterk katholiek, ook na de Reformatie. In 1610 kreeg de kapel een luidklok, betaald door de dorpelingen. Die klok gaf het dorp een stem. Zij riep, waarschuwde, markeerde tijd en maakte van verspreide boerderijen een gemeenschap.

Oud-Bussum veranderde ondertussen. De verlaten dorpsplek werd een gebied van boerderijen en landgoederen. De familie Hinlopen kocht er boerderijen op. Ook Crailo en Oud-Bussum horen bij die ontwikkeling van oude Gooise grond naar buitenplaats, bezit en status.

In 1651 begon een nieuwe keten. Ten zuiden van Naarden werd een zandsloot richting Bussum gegraven. Dat was het begin van zandvervoer per schuit. Zand, grind, leem en stenen uit de Gooise bodem werden grondstoffen.

zandgrond → afgraving → zandsloot → schuit → Naarden en Bussum → bouw, ophoging en wegen

Zo werd de bodem zelf handelswaar.

8. Achttiende eeuw 1700–1800

In de achttiende eeuw bleef Bussum een klein dorp, maar de lijnen van later lagen al klaar. De Brink, de kapel, de oude wegen, de Westereng, de meenten en de zandsloot bepaalden het dagelijks leven.

De Westereng werd verder gebruikt als bouwland. Achter de boerderijen aan de westkant van de Brinklaan lagen akkerstroken. De grond was schraal. Boeren moesten zwaar bemesten. Als er te weinig mest was, raakte de grond uitgeput. Dan liet men stukken land rusten als driestland, terwijl elders opnieuw werd ontgonnen.

Ook het katholieke leven bleef zichtbaar. Rond 1700 werd een boerenwoning ingericht als bedehuis. De oude kapel werd later gebruikt voor opslag van brandhout, de lijkbaar en ander dorpsmateriaal. Een gebouw kon dus van functie veranderen, maar bleef onderdeel van het dorpslichaam.

Aan het einde van de eeuw werd de waterverbinding belangrijker. In 1796-1797 werd de bestaande zandsloot verbreed en kreeg Bussum een havenkom. Daarmee kreeg het dorp een kleine maar betekenisvolle haven. De vaart verbond Bussum met Naarden en verder met het waternetwerk.

Vanaf dat moment had Bussum naast heide, eng en meent ook een waterlijn. Schuiten konden zware lasten vervoeren die over zandwegen lastig waren: zand, grind, brandstof, bouwmateriaal en mest.

9. Negentiende eeuw 1800–1900

De negentiende eeuw was de grote omslag. In 1817 werd Bussum zelfstandig. Het dorp kwam losser van Naarden te staan en kon zich sterker als eigen plaats ontwikkelen.

Toch bleef het eerst nog herkenbaar Goois. Er waren boeren, erfgooiers, schapen, akkers, meenten, zandwegen en een dorpskern. Maar nieuwe krachten kwamen dichterbij.

De haven lag in het dorpshart, bij het huidige Wilhelminaplantsoen. Daar kwamen goederen aan en gingen goederen weg. De haven maakte Bussum praktischer en economischer verbonden. Zandwinning bleef belangrijk. Steendelvers en keienkloppers haalden stenen van de heide. Zand en grind werden gebruikt voor bouw en wegen. Wat ooit door ijs, rivier en wind was neergelegd, werd nu uitgegraven, verkocht en verplaatst.

Rond 1868-1870 werd Fort Werk IV gebouwd op de Bussummer Eng. Daarmee werd oude landbouwgrond onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het fort beschermde de benadering van Vesting Naarden. Het had een droge gracht, kazematten, een poterne, schietgaten en een vrij schootsveld. Waar eerder boeren mest uitreden, liepen nu soldaten, wachters en artilleristen.

Daarna kwam de spoorlijn. In 1874 kreeg Bussum via station Naarden-Bussum een directe verbinding met Amsterdam en de rest van het land. De stad kwam dichterbij. Reizen werd sneller. Bussum werd aantrekkelijk voor mensen die buiten wilden wonen maar de stad nodig hadden voor werk, zaken of cultuur.

Tegelijk ging het boerenbestaan wankelen. Op de Westereng leverde de schrale grond steeds minder op. Bemesting was duur. Boekweit en knollen mislukten. Goed hooiland werd kostbaar. Boeren verkochten grond aan bouwmaatschappijen. Het Spiegel ontstond op voormalige akkers.

De oude keten veranderde opnieuw:

heide → eng → akker → landbouwcrisis → grondverkoop → villa → forensenplaats

Aan het einde van de negentiende eeuw was Bussum geen gewoon boerendorp meer. Het was een groeiende Gooise woonplaats, waar boeren, zandgravers, schippers, spoorreizigers, bouwers, renteniers en forensen elkaar opvolgden. Het oude landschap verdween niet; het werd onderlaag van een nieuw Bussum.

10. Belangrijkste opgravingen, vondsten en historische plekken

De belangrijkste prehistorische en archeologische plekken liggen rond de Bussummerheide, de Lange Heul, de Aardjesberg en het gebied richting Hilversum. Daar zijn vuurstenen werktuigen, steentijdvondsten, aardewerk van de Hilversumcultuur, grafvelden, grafheuvels en urnenheuvels bekend.

Bij de Lange Heul zijn ook sporen van latere bewoning gevonden, waaronder een waterput, huisplattegrond en resten van wegen. Zulke vondsten vertellen niet alleen dat er mensen waren, maar ook hoe zij leefden: water halen, huizen bouwen, routes gebruiken, dieren houden en grond bewerken.

Voor de middeleeuwse geschiedenis zijn Hoog-Bussum, Oud-Bussum, de Bussummer Eng, de Brink, de St. Vituskapel, de Doodweg, de Oud-Bussummerweg en de oude wegenstructuur belangrijk. Zij laten zien hoe het dorp verschoof, werkte, bad, begroef en zich verdedigde tegen afstand en onrust.

Voor de latere geschiedenis horen daar de Westereng, het Spiegel, de haven van Bussum, de Naardervaart, Fort Werk IV, station Naarden-Bussum, Crailo en de zanderijen bij. Samen vormen zij het geheugen van Bussum: zand, weg, water, spoor, fort en villa.

11. Bronnenlijst

Belangrijke bronnen voor Bussum zijn de Historische Kring Bussum, het Bussums Historisch Tijdschrift, artikelen over de vroegste geschiedenis van Bussum, de keuze van de nieuwe vestigingsplaats, de Eng in prehistorische tijd, bronnen over de haven van Bussum, Fort Werk IV, de Hollandse Waterlinies, Geopark Heuvelrug, Goois Natuurreservaat, Geologisch Museum Hofland, Albertus Perk, oude kaarten zoals Krayenhoff en kadastrale kaarten, en bronnen over station Naarden-Bussum en de Oosterspoorweg.