Nieuwerkerk 

Van nieuwe kerk tot verdronken ringdorp, van kapittelplaats tot hofstedenlandschap

Nieuwerkerk begint niet met een straat, een boerderij of zelfs met de kerk. Het begint met water en klei.

Wie het dorp goed wil begrijpen, moet eerst het vlakke land rondom de Kerkring zien: de dijken, de oude wegen, de lage stukken, de plekken waar kreken hebben gelopen, de boerderijen die als ankers in het land liggen. Nieuwerkerk is geen toevallig dorp op Duiveland. Het is een dorp dat groeide op de rand van oud en nieuw land, tussen landbouwgrond, watergangen, ambachten, kerken, hofsteden en machtige families.

De naam zegt al veel. Nieuwerkerk was de nieuwe kerk tegenover Ouwerkerk, de oude kerk. In 1233 worden Ouwerkerk en Nieuwerkerk al tegenover elkaar genoemd. Dat betekent niet dat Nieuwerkerk pas toen begon. Er moet al eerder bewoning zijn geweest, genoeg mensen zelfs om een eigen kerkelijke plek nodig te maken. Mogelijk stond er al in de twaalfde of vroege dertiende eeuw een klein kerkje, op of nabij de plaats van de latere Johanneskerk.

1. Een dorp rond een kerk

De kerk werd het middelpunt van Nieuwerkerk. Niet alleen geestelijk, maar ook ruimtelijk. Rond de kerk groeide de ringstructuur: woningen, erven, schuren, kleine bedrijfjes, doorgangen, sloppen en later straten. De Kerkring was niet zomaar een dorpsvorm; het was de manier waarop geloof, bestuur, bezit en dagelijks leven zich om één heilige kern groepeerden.

De kerk was gewijd aan Johannes de Evangelist. In de late vijftiende eeuw kreeg Nieuwerkerk een uitzonderlijk groot kerkgebouw. Vanaf 1475 werd gebouwd aan een kerk van ongeveer 65 meter lang en 15 meter breed, met een toren van 36 meter hoog. Voor een dorp was dat indrukwekkend. Het laat zien dat Nieuwerkerk rond 1500 geen onbeduidende nederzetting was.

Nog belangrijker: rond 1490 werd de kerk verheven tot kapittelkerk. Dat was zeldzaam. Zeeland telde uiteindelijk maar twaalf kapittelkerken. Nieuwerkerk hoorde dus bij een kleine groep plaatsen waar aan de kerk een college van kanunniken verbonden was. Dat maakte de kerk meer dan een parochiekerk. Zij werd een instelling met bezit, inkomsten, prebenden, geestelijke status en regionale betekenis.

Hier wordt Nieuwerkerk groter dan het dorp zelf. De kerk toont dat het dorp in de late middeleeuwen een centrumfunctie had voor Duiveland. Oosterland, Sirjansland, Capelle en mogelijk Bruinisse kwamen kerkelijk voort uit Nieuwerkerk of stonden ermee in nauwe verhouding. De dochter had de moeder, Ouwerkerk, in belangrijkheid vermoedelijk al vroeg overvleugeld.

2. Duiveland, ambachten en macht

Nieuwerkerk lag binnen het bestuurlijke landschap van Duiveland. Samen met Ouwerkerk, Capelle en Botland hoorde het tot de wereld van de Vierbannen van Duiveland. Hier was bestuur nooit abstract. Het zat in ambachtsheren, baljuws, schepenen, dijkgraven, rentmeesters, kerkmeesters en boeren die genoeg grond hadden om meetellen.

In de late middeleeuwen was Zeeland opgebouwd uit ambachten en heerlijkheden. Ambachtsheren hadden rechten op bestuur, rechtspraak, pacht, visserij, molens, veren en belastingen. Maar het land zelf bleef afhankelijk van dijken, sloten, watergangen en schouwen. Wie macht had over Nieuwerkerk, moest tegelijk macht hebben over water.

Daarom horen de hofsteden bij het verhaal. Ze waren geen losse boerderijen, maar knooppunten van bezit, families, pacht, bestuur, geloof en status.

3. Het raadsel van het kasteel

Een van de spannendste lagen van Nieuwerkerk ligt niet boven de grond, maar er vlak onder.

In 2014 werden op een akker langs de Stolpweg grote hoeveelheden baksteenresten gevonden. Archeologische waarnemingen wezen op een zone van ongeveer 45 bij 35 meter. In kleine proefputten kwamen funderingsresten tevoorschijn, met bakstenen nog in verband. De baksteenformaten en het gevonden aardewerk wijzen voorzichtig naar het einde van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw.

Dat is vroeg. En groot.

De resten kunnen horen bij een fors stenen gebouw, mogelijk een versterkt huis of kasteelachtig complex. Aan de zuidoostzijde lag een grotere concentratie baksteen, misschien van een uitbouw of toren. Boringen wezen vermoedelijk op een gracht. Op luchtfoto’s lijken contouren van een rechthoekige structuur zichtbaar.

Maar het gebouw blijft raadselachtig. In 1619 heette het perceel “Capelle hofstede”, maar toen stond er al geen gebouw meer. Op zestiende- en zeventiende-eeuwse kaarten ontbreekt bebouwing. In de volksmond heette het stuk land ’t ôôge blokje. In de omgeving lagen bovendien vliedbergen, en juist zulke kasteelbergen konden voorlopers zijn van stenen huizen.

Hier moet de tekst voorzichtig blijven: hard aangetoond zijn baksteenresten, funderingen, vondsten en vermoedelijk een gracht. Niet hard aangetoond is wie de bouwheer was. Mogelijk gaat het om een versterkt huis van een lokale of grafelijke machthebber, misschien verbonden met de onrust rond 1300, de strijd tussen Hollandse en Vlaamsgezinde partijen, de controle over de Gouwe en de nabijheid van Zierikzee. De hypothese van een vroeg “Zwanenburg I” is aantrekkelijk, maar nog geen bewezen feit.

Juist dat maakt het zo sterk. Nieuwerkerk heeft hier geen romantisch verzonnen kasteel nodig. De bodem zelf zegt genoeg: hier heeft iets groots gestaan, vroeg, stevig, omgracht en later verdwenen.

4. Een landschap van hofsteden

Vanaf de zeventiende eeuw wordt Nieuwerkerk steeds duidelijker zichtbaar als hofstedenlandschap. Namen als De Wereld, Nooitgedacht, Landzicht, De Muije, Cereales, Dijkzigt, De Keulse Putten, Krabbenhoeke, Zomerlust, Familiehoeve, Slot Zwanenburg, Windenburg, De Banjaard en Pythagoras zijn meer dan boerderijnamen. Het zijn hoofdstukken.

De Wereld lag aan de Bloksweg, later Rijksweg. De naam alleen al klinkt alsof men daar het open land binnenstapte. De hofstede was verbonden met families Van Agthoven, Smits, Bibbe, Smallegange, Bouman en later Doeleman. In 1864 kwam zij in handen van Franke Bouman, pachter van Rase Keure en later burgemeester van Nieuwerkerk. Zijn familie maakte van De Wereld een machtsplek in het dorp. Jakobus Bouman werd burgemeester van 1901 tot 1934. Zo werd een boerderij een bestuurlijke kern.

Nooitgedacht, aan de Oude Nieuwlandseweg, draagt een andere laag. De hofstede gaat terug op bezit van de familie Sonnemans, mogelijk naamgever van de Zonnemansweg. Later kwamen Bal, Van Oeveren en Van den Hoek. Cornelis van Oeveren behoorde tot de rijke boerenelite van Nieuwerkerk, was bijna veertig jaar gemeenteraadslid en wethouder, en behoorde tot de rijkere inwoners van Zeeland. Zijn zoon Willem Hubrecht van Oeveren liet in 1925 de villa Ooststraat 51 bouwen en was eigenaar van zuivelfabriek De Duif. Hier zie je hoe landbouw, bestuur, zuivel, geld en dorpsstatus samenkwamen.

Cereales is misschien de meest symbolische naam: graan, akkerbouw, vruchtbaarheid. Maar achter die naam ligt ook religieuze strijd. Dirk van Farowe, voorman van de Afscheiding op Schouwen-Duiveland, was ermee verbonden. In 1846 kreeg hij boetes opgelegd voor het beleggen van diensten van afgescheidenen. Daarna verkocht hij de hofstede en emigreerde naar Noord-Amerika. Nieuwerkerk was dus niet alleen een agrarisch dorp, maar ook een plaats van geloofsconflict, emigratie en gewetensstrijd.

Dijkzigt en De Keulse Putten tonen de rijkdom van de landbouwelite. Cornelis Huibregtse van de Stolpe bezat in de achttiende eeuw meerdere hofsteden met samen circa 130 hectare grond. Later was Willemijntje van Agthoven met afstand de rijkste inwoner van Nieuwerkerk. Zij bezat vier hofsteden en meer dan 200 hectare grond. Hier wordt duidelijk dat vrouwen in de bronnen niet slechts echtgenotes zijn; soms waren zij de spil van bezit, continuïteit en macht.

Krabbenhoeke vertelt een andere beweging: bezit van bestuurders en stedelijke elites, pachters uit omliggende dorpen, emigratie naar Michigan, herbouw na brand en verwoesting door de watersnood. De hofstede werd na 1953 vrijwel opnieuw opgebouwd. Zo staat Krabbenhoeke voor de lange lijn van bezit, ramp en herstel.

Slot Zwanenburg bij Capelle bewaart de herinnering aan een oud versterkt huis. Het eeuwenoude woonhuis, restant van het vroegere slot, werd in 1953 verwoest. De naam verbindt Nieuwerkerk met middeleeuwse macht, katholieke pachters, boerenfamilies, Flikweert, Van de Stolpe en de ramp. Dat het oude huis de ramp niet overleefde, maakt van Zwanenburg een symbool: soms verdwijnt niet alleen een gebouw, maar een hele tastbare middeleeuwse laag.

Windenburg en Hooggelegen verbinden Capelle met hoge bestuurlijke en militaire families: Winckelman, De Witte, Verheije, Steengracht. In de achttiende en negentiende eeuw kwamen daar pachters en boerenfamilies bij: Van Esbroek, Koster, Viergever, Hocke, Stols. Het is een typisch Zeeuws patroon: bezit op afstand, arbeid ter plaatse.

De Banjaard, nog in originele staat, is een van de sterkste zichtbare ankers. Hier lopen lijnen van Zierikzeese eigenaren, Delftse families, Steengracht, Hallingse, Van Poortvliet, Boogaart en Koopman. De hofstede lag hoog genoeg om in 1953 slechts licht beschadigd te raken. Daardoor bleef zij een zeldzaam bewaard gezicht van het oude Capelse hofstedenlandschap.

5. Dorpsleven, geloof en breuken

Nieuwerkerk was kerkelijk buitengewoon rijk geschakeerd. Na de Reformatie werd de beschadigde Johanneskerk hersteld en protestants in gebruik genomen. In 1574 was Johannes Horst predikant, waarschijnlijk voor heel Duiveland. Toen de Spaanse troepen van Mondragón kwamen, moet hij zijn gevlucht. In 1577 en 1578 volgden nieuwe predikanten, en vanaf 1581 begint met Adriaan Sebastiaansz. Boom de vaste predikantenlijst.

Maar het geloof bleef niet rustig.

In 1836 ontstond in Nieuwerkerk een gemeente van de Afscheiding. Dit was vroeg en belangrijk. Samen met Oosterland en Bruinisse werd zij in 1837 door ds. H.J. Budding geïnstitueerd. Later kwamen de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis, Ledeboeriaanse invloeden, de Gereformeerde Gemeente, een Oud-Gereformeerde Gemeente, de Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Sinds 1873 bestond ook een Katholiek Apostolische Gemeente, plaatselijk bekend als “Ut Geloafje”.

Dat maakt Nieuwerkerk bijzonder. In weinig Zeeuwse dorpen hebben de protestantse stromingen van de negentiende en twintigste eeuw zo diep doorgewerkt. De boerderijen en families horen daarbij: Van Farowe, De Braal, Smallegange, Berman, Van Nieuwenhuijzen, Tuijnman, Stoutjesdijk, Geluk, Van Oeveren. Geloof zat niet alleen in kerken, maar ook in keukens, schuren, boedels, huwelijken en emigratiebesluiten.

6. De kerk als litteken

De Johanneskerk is het zichtbaarste litteken van Nieuwerkerk.

In 1576 trokken plunderende Spaanse soldaten door de streek. De kerk werd zwaar beschadigd door brand. Na de Reformatie werd zij tussen 1579 en ongeveer 1583 hersteld, maar het middenschip keerde niet terug. Het overgebleven koor was groot genoeg voor de bevolking. Daarmee kreeg Nieuwerkerk een kerk die tegelijk groots en gebroken is: een koor zonder volledig schip, een herinnering aan wat er was.

De toren bleef lang een bijzonder monument. Hij had een zeshoekige plattegrond, iets uiterst zeldzaams in Nederland. Op 3 februari 1945 werd hij door de Duitse bezetter opgeblazen. Daarna stond er jarenlang een houten klokkenstoel. Pas in 1975-1976 werd de toren herbouwd op de oude fundamenten.

De klok zelf vertelt bijna een eigen verhaal. In 1943 werd zij uit de toren gehaald om naar Duitsland te worden afgevoerd. Het schip waarmee zij werd vervoerd zonk in januari 1945 op het IJsselmeer. In juni 1945 werden honderden klokken uit het wrak geborgen en teruggebracht. Zo keerde ook de stem van Nieuwerkerk terug.

7. Water als vijand en ordenaar

Water maakte Nieuwerkerk. Water bedreigde Nieuwerkerk.

Duiveland was polderland, afhankelijk van dijken, sluizen, watergangen en gemalen. Stevenssluis, aan het Dijkwater, had een haven en veer. Veerdiensten, vrachtrijders, later tram, post, telefoon, molens en gemalen verbonden Nieuwerkerk met de buitenwereld. Maar onder elk verhaal lag dezelfde spanning: het land bleef alleen bestaan zolang de waterstaat werkte.

In 1953 brak die zekerheid.

De watersnoodramp trof Nieuwerkerk verwoestend. Boerderijen gingen verloren, families verdronken, huizen werden beschadigd, het dorpsplan veranderde. De vroegere schoonheid van de ringnederzetting werd blijvend aangetast. Bij veel hofsteden eindigt de oude lijn in 1953: Eerste Heul, Krabbenhoeke, Familiehoeve, Pythagoras, Slot Zwanenburg, boerderijen aan Slotweg, Capelle, Molendijk en elders. Soms werden gebouwen herbouwd, soms verplaatst, soms voorgoed opgegeven.

De ramp maakte ook een einde aan oude woonvormen. Na 1953 verrezen nieuwe boerderijen aan Stolpweg, Vissersweg, Capelleweg, Sluisweg en elders. Het landschap bleef agrarisch, maar het was niet meer hetzelfde. Oude erven verdwenen, nieuwe wegen en wederopbouwboerderijen namen hun plaats in.

8. Nieuwerkerk als boerenrepubliek

Wanneer je alle hofsteden naast elkaar legt, verschijnt Nieuwerkerk als een soort boerenrepubliek. Niet in politieke zin, maar als samenleving waarin grote landbouwfamilies het dorp droegen. Zij zaten in gemeenteraad, kerkeraad, waterschap, schoolbestuur, boerenleenbank, zuivelfabriek en lokale verenigingen.

De namen keren steeds terug: Bouman, Van Oeveren, Flikweert, Van Nieuwenhuijzen, Dalebout, Stols, Koopman, Boot, Van der Wekken, Van de Stolpe, Bal, Hallingse, Berman, Smallegange, Krepel, Gaanderse, Doeleman.

Sommigen bezaten tientallen hectares, anderen pachtten grond van stedelijke of adellijke eigenaren. Sommigen bouwden villa’s aan de Ooststraat of Weststraat; anderen trokken na faillissement, geloofsconflict of ramp naar Noord-Amerika, Zeeuws-Vlaanderen, de Noordoostpolder of elders. De hofstede was voor de ene familie een bron van rijkdom, voor de andere een kwetsbaar bedrijf dat door pacht, dijklasten, brand, ziekte, schulden of overstroming kon kantelen.

9. Het dorp van foto’s, kaarten en herinneringen

Nieuwerkerk heeft veel verloren, maar ook veel bewaard in beeld en herinnering. Oude foto’s rond 1900, tekeningen, etsen, kaarten en luchtfoto’s houden het verdwenen dorp vast. De Kerkring, de kerk, de muziektent, huizenrijen, boerderijen en dorpsgezichten laten zien dat geschiedenis niet alleen in archieven zit. Zij zit ook in ramen, gevels, erfgrenzen, bijnamen, oude schuren, verhalen van families en plekken waar “iets” onder de bouwvoor ligt.

De raamexpo’s en het werk van lokale onderzoekers, vooral Wim Kesteloo, maken duidelijk hoe rijk de dorpsgeschiedenis is. Nieuwerkerk is geen plaats waarvan “weinig bekend is”. Het is eerder een dorp waarvan de details zo talrijk zijn dat ze pas betekenis krijgen wanneer je ze in lagen leest.

10. Slot: waarom Nieuwerkerk bijzonder is

Nieuwerkerk is bijzonder omdat het meerdere geschiedenissen tegelijk draagt.

Het is een kerkdorp dat zijn naam dankt aan een nieuwe kerk en uitgroeide tot kapittelplaats.
Het is een bestuursdorp binnen Duiveland, verbonden met ambachten, dijkgraven en heren.
Het is een hofstedenlandschap waarin boerenfamilies, stedelijke elites, adel en pachters elkaar eeuwenlang opvolgden.
Het is een geloofsdorp, waar Reformatie, Afscheiding, Gereformeerde stromingen en plaatselijke vroomheid diepe sporen trokken.
Het is een rampdorp, beschadigd door oorlog, brand, torenvernietiging en vooral de watersnood van 1953.
En het is een raadselachtig middeleeuws machtslandschap, waar onder een akker langs de Stolpweg mogelijk de resten liggen van een vroeg versterkt huis.

Nieuwerkerk is dus niet zomaar een dorp op Duiveland. Het is een plaats waar kerk, water, macht, landbouw, geloof en ramp elkaar telkens opnieuw hebben gevormd.

Kernzin:
Nieuwerkerk is het dorp van de nieuwe kerk en het oude land: een Duivelandse kern waar kapittelkerk, hofsteden, verborgen kasteelresten, boerenmacht, geloofsstrijd en watersnood samen één gelaagde geschiedenis vormen.