1. Het landschap vóór de Beemster
1a. Ontstaan van het landschap
Lang voordat de Beemster een polder werd, maakte het gebied deel uit van een uitgestrekt natuurlijk landschap dat gedurende duizenden jaren was gevormd door ijs, water, wind en planten. Na het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, steeg de zeespiegel geleidelijk. Grote delen van het huidige Noord-Holland veranderden in een laaggelegen kustgebied waarin zand, klei en later veen werden afgezet.
In de eeuwen daarna ontstond tussen de hogere zandgronden van West-Friesland en de kust een uitgestrekt veengebied. Dichte begroeiing van riet, mossen en moerasplanten groeide voortdurend aan. Omdat het gebied nat bleef en plantenresten nauwelijks verteerden, ontstonden dikke lagen veen. Dit veenlandschap strekte zich uit over grote delen van het huidige Waterland, de Schermer, de Purmer en de latere Beemster.
De eerste bewoners vestigden zich niet midden in deze natte wildernis, maar op de hogere delen langs kreekruggen, oeverwallen en natuurlijke verhogingen. Dorpen als Purmerend, Avenhorn, Beets, Oosthuizen, Schermerhorn, Graft en De Rijp ontstonden langs de randen van het veengebied. Het waren kleine gemeenschappen die leefden van landbouw, veeteelt, visserij en handel.
Het landschap was echter voortdurend in beweging. Water en land waren nergens definitief gescheiden. Slootjes werden gegraven, veen werd ontgonnen en bewoners probeerden steeds opnieuw het water te beheersen. Daarmee legden zij onbedoeld de basis voor veranderingen die uiteindelijk zouden leiden tot het ontstaan van het Beemstermeer.
1b. Van veenriviertje naar binnenzee
De Beemster begon niet als groot meer, maar als een klein veenriviertje: de Bamestra. Dit water stroomde door een uitgestrekt veengebied vol moerassen, rietlanden en natte graslanden. Het landschap bestond uit een netwerk van kleine waterlopen die zich een weg zochten door het zachte veen. Voor de bewoners van de omgeving was dit een vertrouwd landschap waarin water en land voortdurend in elkaar overgingen.
Vanaf de vroege middeleeuwen veranderde dit langzaam. Om landbouw mogelijk te maken werden sloten gegraven en veengebieden ontwaterd. Hierdoor daalde het grondwaterpeil. Het veen droogde uit, klonk in en kwam steeds lager te liggen. Wat eerst stevige veengrond leek, bleek kwetsbaar zodra het met lucht in aanraking kwam.
Daarnaast werd veen op grote schaal afgegraven voor de productie van turf. Turf vormde eeuwenlang een van de belangrijkste brandstoffen van Holland. Huishoudens, bakkerijen, brouwerijen en bedrijven hadden grote hoeveelheden nodig. Door deze afgravingen ontstonden plassen en watergaten die steeds groter werden.
Vervolgens kreeg de natuur vrij spel. Stormvloeden, hoge waterstanden en voortdurende oeverafslag maakten van de kleine Bamestra een steeds groter watergebied. Vooral tijdens de dertiende en veertiende eeuw verdwenen grote stukken veenland in het water. Oevers brokkelden af en plassen groeiden samen tot een uitgestrekt binnenmeer.
De Beemster werd een echte waterwolf. Jaar na jaar vrat het water stukken land weg. Wat ooit weiland, moeras of veengrond was geweest, veranderde in open water. Het meer groeide uit tot een omvangrijke binnenzee midden in Noord-Holland.
Doordat het Beemstermeer via andere wateren in verbinding stond met de Zuiderzee, bleef het gevaar voortdurend aanwezig. Wind en golfslag konden zich over grote afstanden ontwikkelen. Bij storm werd het meer een woeste watermassa die dijken, oevers en landbouwgrond bedreigde.
Voor de boeren langs de randen betekende dit verlies van land en inkomen. Iedere afkalvende oever maakte hun bezit kleiner. Voor vissers bood het grotere water nieuwe vangstmogelijkheden. Schippers gebruikten het meer als belangrijke verbinding tussen de omliggende dorpen en steden. Het water was dus tegelijk een bedreiging én een bron van bestaan.
Tegen het einde van de zestiende eeuw was duidelijk geworden dat het Beemstermeer niet vanzelf zou stoppen met groeien. De waterwolf bedreigde steeds meer land en steeds meer bewoners. Tegelijk begonnen bestuurders, kooplieden en investeerders in te zien dat hetzelfde water misschien ook een kans bood. Als men erin zou slagen het meer droog te maken, zou een enorm gebied aan vruchtbare landbouwgrond ontstaan.
Zo vormde de groei van het Beemstermeer uiteindelijk de aanleiding voor een van de grootste waterbouwkundige ondernemingen van de Nederlandse geschiedenis. Maar voordat de molens verschenen en de dijken werden aangelegd, was de Beemster eeuwenlang een landschap van veen, water, stormen en voortdurende verandering. De geschiedenis van de polder begint daarom niet met de droogmaking van 1612, maar met de langzame vorming van het meer zelf.
1c. Water, gevaar en omliggende dorpen
Rond het Beemstermeer lagen dorpen die hun bestaan nauw verbonden zagen met het water. De Rijp, Graft, Schermerhorn, Avenhorn, Beets, Oosthuizen en Purmerend leefden letterlijk aan de rand van het meer. Voor hun bewoners was het water dagelijks zichtbaar en voelbaar.
Boeren hielden vee op de hogere gronden langs de oevers. Vissers voeren het meer op om hun netten uit te zetten. Schippers vervoerden goederen tussen de dorpen en naar de steden van Holland. Het meer maakte deel uit van een netwerk van handel, voedselvoorziening en vervoer.
Toch leefde men voortdurend met onzekerheid. Iedere zware storm kon land doen verdwijnen. Boerderijen kwamen dichter bij het water te liggen en sommige percelen gingen geheel verloren. Bewoners zagen hoe het meer steeds verder oprukte.
De Allerheiligenvloed van 1570 maakte nog eens duidelijk hoe kwetsbaar Noord-Holland was. Overal in de regio werd de strijd tegen het water een kwestie van overleven. Ook rond de Beemster groeide het besef dat blijvende maatregelen nodig waren.
Voor de boer betekende het water vruchtbare grond én gevaar. Voor de visser betekende het werk én risico. Voor de schipper betekende het een levensader én een bron van onzekerheid. Deze dubbele relatie met het water zou nog lang voortbestaan.
1d. Oude waterwegen en verbindingen
Voordat de Beemster een polder werd, vormde het meer een belangrijk verkeersknooppunt. Over water reizen was vaak gemakkelijker dan over land. De wegen waren smal, modderig en in natte perioden nauwelijks begaanbaar. Waterwegen waren daarom de snelwegen van hun tijd.
Via het Beemstermeer stonden de omliggende dorpen met elkaar in verbinding. Schippers vervoerden turf, hooi, hout, vee, vis en landbouwproducten. De Rijp en Graft ontwikkelden zich tot belangrijke centra van scheepvaart en handel. Purmerend groeide uit tot een marktstad waar producten uit de hele omgeving werden verhandeld.
Niet alleen goederen werden vervoerd. Ook mensen, nieuws, ideeën en familiecontacten reisden over het water. De schipper was vaak degene die wist wat er elders gebeurde. Het meer was daarom geen scheiding tussen dorpen, maar juist een verbinding.
De economische en sociale samenhang van de regio was sterk afhankelijk van deze waterwegen. Zonder het netwerk van vaarten, meren en verbindingen had de ontwikkeling van de omliggende dorpen er heel anders uitgezien.
1e. Leven rond het meer
Voordat de eerste plannen voor droogmaking ontstonden, leefden duizenden mensen rondom het Beemstermeer van wat het landschap hen bood. Het water was niet alleen een natuurverschijnsel, maar ook een bron van voedsel, werk en inkomen.
De boer aan de rand van het meer leefde van zijn vee en zijn land. De visser leefde van de vangst op het water. De schipper verdiende zijn brood met het vervoer van goederen en mensen. Samen vormden zij de economische basis van de streek.
Het leven was grotendeels zelfvoorzienend. Boeren leverden melk, boter, vlees en graan. Vissers zorgden voor vis. Schippers brachten producten naar markten en steden. Ambachtslieden, knechten, dienstboden en dagloners maakten deel uit van dezelfde samenleving.
Iedere groep keek anders naar het meer. Voor de boer betekende het verlies van grond een directe bedreiging. Voor de visser betekende een groter meer vaak meer viswater. Voor de schipper betekende het meer nieuwe vaarroutes. Daardoor werd het water door verschillende mensen op verschillende manieren beleefd.
Juist daarom is het belangrijk om de Beemster vóór 1612 niet alleen te zien als een meer dat later droogviel. Het was een levend landschap waarin mensen woonden, werkten, trouwden, kinderen kregen en hun bestaan opbouwden. De geschiedenis van de Beemster begint niet met molens en dijken, maar met deze wereld van boeren, vissers, schippers en dorpsgemeenschappen die eeuwenlang rond het Beemstermeer leefden.
Vijftig jaar land winnen — hoe Noord-Holland een nieuwe landstreek schiep
Wie vandaag door de Beemster, Schermer, Purmer, Wijdewormer, Heerhugowaard of Zijpe rijdt, ziet een landschap van rechte wegen, sloten, boerderijen en uitgestrekte weilanden. Het oogt alsof het er altijd is geweest. Maar schijn bedriegt. Nog geen vier eeuwen geleden lag hier op veel plaatsen water. Waar nu koeien grazen en akkers liggen, klotsten golven tegen oevers. Noord-Holland heeft een groot deel van dit landschap zelf gemaakt.
Tussen 1598 en 1647 vond een van de grootste landschappelijke veranderingen uit de Nederlandse geschiedenis plaats. In vijftig jaar tijd werden de Zijpe, Beemster, Wieringerwaard, Purmer, Wijdewormer, Heerhugowaard, Schermer en Starnmeer gewonnen op het water. Samen leverden zij ruim 30.451 hectare nieuw land op, meer dan driehonderd vierkante kilometer. Het was alsof er in een halve eeuw een geheel nieuwe landstreek aan Noord-Holland werd toegevoegd.
Toch begon dit verhaal niet in de zeventiende eeuw, maar veel eerder.
Eeuwenlang hadden de bewoners van Holland met water geleefd. Vanaf de middeleeuwen werden dijken aangelegd, sloten gegraven en moerassen ontgonnen. Tegelijk veroorzaakte juist die ontginning nieuwe problemen. Het veen klonk in, de bodem daalde en stormen kregen steeds meer vat op het landschap. Kleine plassen groeiden uit tot grote meren. De Beemster, Purmer en Schermer waren ooit veel kleiner geweest. Door afslag van oevers en stormvloeden werden ze steeds groter. Dorpen, wegen en landbouwgrond verdwenen soms letterlijk in het water.
Voor veel mensen vormden deze meren een bedreiging. Voor anderen vormden zij een kans.
In Alkmaar groeide rond 1541 een jongen op die later een belangrijke rol zou spelen in dit verhaal: Adriaen Anthonisz. Hij was geen uitvinder van de droogmakerijen, maar wel een van de mensen die de technische basis hielpen leggen. Hij werd landmeter, kaartenmaker, bestuurder, vestingbouwer en wiskundige. In een tijd zonder technische universiteiten leerde hij zijn vak in de praktijk. Met meetkettingen, kompas, passer en tekengerei bracht hij land en water in kaart.
Al in 1568 maakte hij een nauwkeurige kaart van de Bergermeer. Dat lijkt een eenvoudige opdracht, maar was van groot belang. Nieuw land moest worden verdeeld, verkocht, verpacht en belast. Daarvoor moest eerst exact worden gemeten wat er lag. De kaart van de Bergermeer stond aan het begin van een nieuwe manier van denken: landschap als iets dat kon worden gemeten, berekend en ingericht.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd Adriaen Anthonisz. beroemd als vestingbouwer. Hij werkte aan Alkmaar, Naarden, Muiden, Deventer en de beroemde vesting Bourtange. Hij kreeg de eretitel Stercktebouwmeester der Vereenighde Nederlanden. Maar de kennis die nodig was voor vestingen bleek ook bruikbaar voor polders. Dijken, sluizen, grachten, grondsoorten, waterstanden en berekeningen waren in wezen onderdelen van hetzelfde vakgebied.
Toen de Zijpe in 1598 succesvol werd bedijkt, begon de grote droogmakerijenperiode. Daarna volgden de Beemster in 1612, de Wieringerwaard in hetzelfde jaar, de Purmer in 1623, de Wijdewormer in 1626, Heerhugowaard in 1631, de Schermer in 1635 en uiteindelijk de Starnmeer in 1647.
Hoewel iedere polder zijn eigen geschiedenis heeft, volgden zij vrijwel allemaal hetzelfde systeem. Rond het water werd een ringdijk aangelegd. Langs de binnenzijde kwam een ringvaart. Vervolgens maalden tientallen windmolens het water trapsgewijs omhoog totdat het buiten de polder kon worden afgevoerd. Daarna begon een tweede fase: het organiseren van het nieuwe land.
Landmeters trokken het gebied in. Wegen werden uitgezet. Kavels werden verdeeld. Hoofdvaarten en sloten werden gegraven. Op kaarten verschenen nummers, grenzen en eigendommen. Achter elke rechte lijn in het landschap zat een berekening.
Maar de droogmakerijen waren meer dan techniek.
Duizenden mensen werkten eraan mee. Dijkwerkers sleepten aarde aan. Timmerlieden bouwden molens. Smeden vervaardigden ijzerwerk. Schippers vervoerden materialen. Landmeters liepen dagenlang door modder en klei. Boeren waagden zich aan nieuwe gronden waarvan nog niemand precies wist hoe vruchtbaar zij zouden blijken.
Ook investeerders speelden een grote rol. Amsterdamse kooplieden, regenten en bestuurders staken enorme bedragen in de projecten. Zij namen risico's. Een dijkdoorbraak kon jaren werk en grote kapitalen vernietigen. Toch geloofden zij dat het nieuwe land winst zou opleveren.
En die winst kwam.
De nieuwe polders veranderden in vruchtbare landbouwgebieden. Graan groeide op voormalige meerbodems. Weilanden leverden melk voor boter en kaas. Hooi voedde de paarden die de steden draaiende hielden. Runderen werden vetgemest op gronden waar enkele jaren eerder nog vissen zwommen. Het nieuwe land voorzag niet alleen boeren van inkomsten, maar hielp ook de snel groeiende steden van voedsel.
Amsterdam profiteerde sterk van deze ontwikkeling. De stad groeide explosief tijdens de Gouden Eeuw. Meer inwoners betekende meer vraag naar brood, melk, boter, kaas, vlees en veevoer. De droogmakerijen vormden een belangrijk deel van die voedselvoorziening.
Toch bleef het water aanwezig.
Een droogmakerij was nooit af. Dijken moesten worden onderhouden. Molens moesten draaien. Sluizen moesten worden gecontroleerd. Belastingen werden geheven om het systeem in stand te houden. Iedere boer wist dat achter zijn vruchtbare land een voortdurende strijd tegen het water schuilging.
Daarom waren de droogmakerijen niet alleen technische prestaties. Ze waren ook bestuurlijke prestaties. Waterschappen, heemraden, dijkgraven en polderbesturen zorgden ervoor dat duizenden mensen samenwerkten aan één doel: het droog houden van het land.
In deze wereld verschijnt later een andere bekende naam: Jan Adriaanszoon Leeghwater. Hij groeide uit tot het gezicht van de droogmakerijen en werd beroemd door zijn kennis van molens en bemaling. Waar Adriaen Anthonisz. de wereld van meten, kaarten en organiseren vertegenwoordigde, staat Leeghwater symbool voor het droogmalen zelf. Samen vertegenwoordigen zij twee kanten van hetzelfde verhaal.
Wanneer we vandaag naar de grote Noord-Hollandse droogmakerijen kijken, zien we daarom meer dan landbouwgrond. We kijken naar een landschap dat is ontstaan door eeuwen kennis, arbeid, investeringen en bestuur. Elke sloot, elke weg en elke kavel vertelt iets over mensen die besloten dat water niet het einde van het verhaal hoefde te zijn.
Tussen 1598 en 1647 werd meer dan dertigduizend hectare water veranderd in land. Niet door één uitvinder, niet door één bestuurder en niet door één molen, maar door een samenleving die leerde meten, rekenen, bouwen, investeren en samenwerken. Dat is de ware betekenis van de grote Noord-Hollandse droogmakerijen.
Zij maakten van water land, van land voedsel, van voedsel welvaart en van welvaart een landschap dat vier eeuwen later nog altijd herkenbaar is.
Beemster tot 1900
Met plaatsblokken: Middenbeemster, Westbeemster, Zuidoostbeemster, Noordbeemster, Oostbeemster, Zuidbeemster en Klaterbuurt
De Beemster is geen gewoon dorp en ook geen gewone polder. De Beemster is een ontworpen landschap. Waar vóór 1612 water lag, kwam land: rechtlijnig, meetbaar, verdeeld in kavels, wegen, tochten, sloten, dijken en erven. Maar dat nieuwe land werd pas geschiedenis toen mensen er gingen wonen, werken, bidden, ploegen, bouwen, begraven, armen bedeelden, paarden besloegen, kaas maakten, koeien molken, buitenplaatsen aanlegden en dorpen probeerden te vormen.
De Beemster werd bedacht als maakbaar land. Er waren plannen voor meerdere dorpskernen, met kerken, scholen en molens. In werkelijkheid groeide vooral Middenbeemster uit tot het hart van de polder. De andere delen — Westbeemster, Zuidoostbeemster, Noordbeemster, Oostbeemster, Zuidbeemster en de Klaterbuurt — kregen elk een andere rol. Daardoor is de geschiedenis van de Beemster niet één dorpsverhaal, maar een polderverhaal met verschillende kernen, buurten en buitengebieden.
Verhaal 1 — De zestiende eeuw: het Beemstermeer vóór de polder
1a. Water, gevaar en omliggende dorpen
In de zestiende eeuw was de Beemster nog geen polder, geen strak landschap van rechte wegen en kavels, maar een groot binnenmeer: de Bamestra, later Beemster genoemd. Het water lag tussen Purmerend, De Rijp, Graft, Oosthuizen, Beets, Avenhorn, Schermerhorn en het omliggende oude land. Voor de dorpen rond het meer was de Beemster tegelijk nuttig en gevaarlijk. Men viste erop, voer eroverheen, gebruikte het als verbinding, maar men vreesde ook de afslag van oevers en het groter worden van het water.
De Beemster was niet zomaar een plas. Door storm, veenafslag en menselijk ingrijpen kon het water steeds meer land aantasten. De boeren langs de randen zagen hoe vruchtbare grond verdween. Wat eerst bruikbaar land of nat veengebied was, werd water. Het meer werd een bedreiging voor erven, wegen, dijken en dorpsgrenzen.
Na de Allerheiligenvloed van 1570 werd duidelijk dat het waterprobleem in Noord-Holland groter was dan één meer. Overstromingen, stormvloeden en afkalvende oevers lieten zien hoe kwetsbaar het oude land was. In die tijd ontstonden al gedachten om de Beemster te bedijken en droog te maken. Maar tussen idee en uitvoering lag nog een lange weg. Er was geld nodig, technische kennis, toestemming van de Staten van Holland en vooral vertrouwen dat zo’n groot water werkelijk droog te malen was.
1b. Vissers, schippers, boeren en belangentegenstellingen
Voor vissers en schippers uit dorpen als De Rijp, Graft, Schermerhorn en Purmerend was het water geen lege ruimte. Het was werkterrein. Er werd gevist, gevaren, vervoerd en gehandeld. Wie aan het meer woonde, kende de wind, de diepten, de oevers en de gevaren. Het water hoorde bij het dagelijks bestaan.
Daarom was droogmaking niet voor iedereen vanzelfsprekend winst. Voor investeerders betekende de Beemster toekomstig land. Voor vissers kon hetzelfde plan verlies betekenen: minder viswater, veranderde vaarroutes en een landschap dat niet langer door water maar door eigendom, kavels en pacht werd bepaald. Voor boeren aan de randen was het dubbel. Zij konden baat hebben bij veiligheid en nieuw land, maar ook te maken krijgen met nieuwe lasten, dijken, sloten, molens en bestuur.
De droogmaking was dus vanaf het begin geen romantisch ideaal, maar een botsing van belangen. Water werd land, maar daarmee veranderde ook wie macht had. Vissers en schippers verloren ruimte. Kooplieden, regenten, landmeters, molenbouwers en toekomstige grondeigenaren kregen ruimte. De Beemster werd langzaam een project waarin kapitaal, techniek en bestuur sterker werden dan het oude gebruik van het water.
1c. De eerste plannen: van water naar bezit
In de zestiende eeuw begon de gedachte te groeien dat meren niet alleen bedreigingen waren, maar ook kansen. Als men water kon bedijken, bemalen en verkavelen, ontstond nieuw land. Dat land kon verkocht, verpacht, bebouwd en belast worden. Voor Hollandse en vooral Amsterdamse kooplieden was dat aantrekkelijk. Zij verdienden geld in handel, scheepvaart, graan, Oostzeehandel, Middellandse Zeevaart en later ook in de VOC-wereld. Een deel van dat vermogen zocht vaste belegging.
Grond was zo’n belegging. Water kon, als men het droog kreeg, veranderen in kapitaal. De Beemster werd daardoor in de hoofden van ondernemers een toekomstig bezit: niet meer een meer, maar een kaart vol kavels. In die gedachte zit de kern van de latere droogmaking. Eerst kwam niet het dorp, niet de boerderij en niet de kerk, maar het plan: water omzetten in meetbare, verkoopbare en verpachtbare grond.
Dat vroeg om mannen met geld en invloed. Namen die later belangrijk werden zijn Dirk van Os en Hendrik van Os, Amsterdamse kooplieden en grote investeerders; Jacob Poppen, een van de rijkste mannen van Amsterdam; Jan Claesz Crook, goudsmid en VOC-deelnemer; Pieter Boom; Barthout Cromhout; en Arent en Jan ten Grotenhuys. Zij horen eigenlijk al bij het vroege zeventiende-eeuwse uitvoeringsverhaal, maar hun wereld ontstond in de zestiende eeuw: een wereld waarin handel, kapitaal, bestuur en landhonger samenkwamen.
1d. Dijkenbouwers, molenmakers en landmeters
Een meer droogmaken was niet alleen een kwestie van geld. Het moest ook kunnen. De Beemster vroeg om dijken, ringvaart, molens, molengangen, sloten, tochten, wegen en een verkaveling die praktisch bruikbaar was. Achter de grote namen van investeerders stonden daarom ook dijkenbouwers, molenmakers, landmeters, timmerlieden, arbeiders en opzichters.
Deze mensen maakten het verschil tussen droom en uitvoering. Zij moesten weten hoe een dijk werd opgebouwd, hoe klei en veen reageerden, hoe water afgevoerd werd, hoe molens in gangen samenwerkten en hoe nieuw land in kavels kon worden verdeeld. De zestiende eeuw leverde de technische aanloop: ervaring uit eerdere bedijkingen, droogmakerijen en waterwerken. De latere Beemster was niet zomaar ineens mogelijk; zij rustte op tientallen jaren proberen, rekenen, meten en verbeteren.
Ook Jan Adriaansz Leeghwater hoort bij deze technische wereld, al moet hij niet als enige “maker” van de Beemster worden gezien. Zijn betekenis lag vooral in molens, waterkennis en latere roem als waterbouwkundige. De Beemster was een collectief werk: investeerders betaalden, bestuurders regelden, landmeters tekenden, molenmakers bouwden, arbeiders groeven, sjouwden en versterkten.
1e. Eerst graan, daarna pas het latere kaasland
Belangrijk is dat men de Beemster aanvankelijk niet alleen als veeteeltgebied voor zich zag. In de vroege verwachtingen speelde akkerbouw een grote rol. Men dacht aan vruchtbare kleigrond, aan graan, rogge, tarwe, haver, boekweit en andere gewassen. Het nieuwe land moest voedsel leveren en winst maken. De Beemster werd in de verbeelding een rijke akker, gewonnen uit het water.
Pas later zou blijken dat de Beemster vooral beroemd werd als veeteeltgebied, met koeien, melk, boter en kaas. Het beeld van de koe in de wei, later zelfs op de gedenkpenning van 1712, was dus niet het enige beginbeeld. Eerst was er ook de droom van graan. Dat maakt de aanloop menselijker: investeerders zagen niet alleen rechte sloten en kavels, maar opbrengst. Een morgen land betekende pacht, oogst, voedsel en rendement.
Die overgang van verwachte akkerbouw naar sterke veehouderij hoort bij het lange verhaal van de Beemster. De bodem, waterhuishouding, marktprijzen en arbeid bepaalden uiteindelijk wat mogelijk was. De polder werd niet precies wat men vooraf bedacht had, maar juist daarin zit haar geschiedenis.
1f. Bestuur, octrooi en macht
Voor droogmaking was toestemming nodig. Het water en de grond eronder waren niet zomaar vrij bezit. De Staten van Holland moesten octrooi verlenen. Daarmee kregen de bedijkers rechten, maar ook verplichtingen. Er moesten dijken komen, waterwerken onderhouden worden en afspraken worden gemaakt over kosten, eigendom, belastingvoordelen en toekomstige lasten.
De latere Beemster Compagnie kon alleen slagen doordat geld en bestuurlijke invloed samenkwamen. Amsterdamse kooplieden brachten kapitaal in; Haagse en Hollandse bestuurders brachten toegang tot besluitvorming. De droogmaking van de Beemster was dus vanaf het begin ook politiek. Wie mocht het water nemen? Wie kreeg het land? Wie betaalde de werken? Wie bestuurde daarna de polder?
Daarmee ontstaat al vóór 1607 de kern van de Beemster als machtslandschap. Het zou een polder worden waarin dijkgraaf, heemraden, hoofdingelanden, baljuw en schepenen grote betekenis kregen. Het landschap was niet alleen ontworpen met sloten en wegen, maar ook met gezag.
1g. Slot: de zestiende eeuw als noodzakelijke aanloop
De zestiende eeuw is voor de Beemster dus geen leeg voorspel. Het is de eeuw waarin het probleem zichtbaar werd: water dat land bedreigde. Het is ook de eeuw waarin de oplossing denkbaar werd: bedijken, droogmalen, meten en verkavelen. Rond het meer leefden vissers, schippers en boeren nog met de Beemster als water. In Amsterdam en Den Haag begonnen anderen haar al te zien als toekomstig land.
Daarom moet de zestiende eeuw in het Beemsterverhaal blijven staan als de eeuw van spanning: tussen water en land, tussen oud gebruik en nieuw bezit, tussen vissersbelang en investeerdersbelang, tussen gevaar en winstkans. Zonder die eeuw is 1607 niet te begrijpen. En zonder 1607 is 1612 niet te begrijpen.
De Beemster werd niet geboren op de dag dat zij droogviel. Zij werd eerst bedacht, bevochten, berekend en begeerd. Dat gebeurde al vóór de polder bestond.
Jacht in de zeventiende-eeuwse Beemster
1. Van binnenmeer naar jachtlandschap
Toen de Beemster in 1612 droogviel, veranderde het gebied ingrijpend. Waar eeuwenlang een groot binnenmeer had gelegen met open water, rietkragen, drassige oevers en talloze watervogels, ontstond een nieuw landschap van akkers, weilanden, wegen en sloten. De droogmaking was een technisch hoogstandje dat nieuw land opleverde voor landbouw en bewoning, maar tegelijkertijd veranderde ook de wereld van dieren en jacht.
Voor de droogmaking hoorde de Beemster vooral bij de wereld van visserij, vogelvangst en waterwild. Eenden, ganzen, snippen en andere watervogels vonden voedsel en rust op het uitgestrekte meer. Na de droogmaking bleef water aanwezig in sloten, vaarten en natte graslanden, maar het landschap kreeg een geheel ander karakter. Het voormalige meer veranderde in een open landbouwpolder. Daarmee veranderde ook het wild. De jacht verschoof van voornamelijk waterwild naar klein wild en veerwild dat zich thuis voelde in het nieuwe polderland.
De mens had het water teruggedrongen, maar de natuur verdween niet. Dieren pasten zich aan de nieuwe omstandigheden aan. Zo ontstond een landschap waarin landbouw, wild, watergangen, boerderijen en jachtrechten nauw met elkaar verweven raakten.
2. Het open polderland als jachtterrein
De nieuwe Beemster verschilde sterk van de traditionele jachtgebieden in Europa. Er waren vrijwel geen bossen, geen uitgestrekte heidevelden en nauwelijks natuurlijke schuilplaatsen. Het landschap was vlak, open en overzichtelijk.
Juist daardoor kreeg de jacht een eigen karakter. Hazen konden op grote afstand worden waargenomen. Patrijzen zochten voedsel tussen akkers en graslanden. Watervogels verzamelden zich langs sloten, vaarten en vochtige delen van de polder. De jager keek niet door een dicht bos, maar over kilometers open land.
De rechte verkaveling versterkte dat effect. Wegen, kavels en sloten trokken lange lijnen door het landschap. Hierdoor werd de Beemster bijzonder geschikt voor zichtjacht en voor de inzet van jachthonden. Grofwild zoals herten, reeën en wilde zwijnen speelde in deze omgeving nauwelijks een rol. De Beemster was een landschap van klein wild, open ruimte en lange zichtlijnen.
3. Het wild van de Beemster
Het belangrijkste jachtwild van de Beemster bestond uit hazen, patrijzen en verschillende soorten watervogels.
De haas voelde zich uitstekend thuis in het open polderland. Op akkers en weilanden vond hij voedsel en ruimte. Voor jagers vormde de haas een geliefde prooi. Zijn snelheid, scherpe zintuigen en onvoorspelbare bewegingen maakten de jacht uitdagend.
Ook patrijzen kwamen veel voor in het agrarische landschap. Zij leefden tussen akkers en graslanden en vormden een gewaardeerd doelwit tijdens jachtpartijen. De aanwezigheid van patrijzen liet zien dat landbouw en natuur elkaar in de jonge polder nog volop beïnvloedden.
Daarnaast bleef veerwild belangrijk. De Beemster maakte deel uit van een waterrijke omgeving. Eenden, ganzen, snippen en andere watervogels bleven daarom aanwezig. De vogeljacht bleef een herkenbaar onderdeel van het leven in en rond de polder.
Naast het gewaardeerde jachtwild leefden er dieren die door boeren vooral als schadelijk werden beschouwd. Vossen, kraaien, eksters en mollen waren geen statige jachttrofeeën, maar dieren die schade konden veroorzaken aan vee, gewassen, nesten, zaaigoed en grasland. Daarmee speelden zij een geheel andere rol in het dagelijks leven van de polder.
4. Jacht als privilege
Jacht was in de zeventiende eeuw geen recht voor iedereen. Het was nauw verbonden met grondbezit, macht en maatschappelijke positie.
De droogmaking van de Beemster werd gefinancierd door rijke Amsterdamse kooplieden, regenten en investeerders. Als beloning kregen zij grote stukken grond toegewezen. Met dat bezit kwamen ook rechten. Het jachtrecht behoorde tot de privileges die verbonden waren aan grondbezit en maatschappelijke status.
Voor gewone boeren en pachters gold dat niet. Zij leefden dagelijks tussen het wild, maar mochten meestal niet vrij jagen. Hazen en patrijzen werden beschouwd als heerenwild. De rechten op dit wild lagen bij de eigenaren van het land.
Daardoor werd de jacht een zichtbaar symbool van maatschappelijke verhoudingen. De ene groep werkte op het land, terwijl de andere groep beschikte over de rechten die aan dat land verbonden waren. In de jacht kwamen bezit, macht en dagelijks leven samen.
5. Buitenplaatsen en jachtcultuur
De Beemster werd al snel aantrekkelijk voor de Amsterdamse elite. Langs de hoofdwegen verrezen hofsteden, buitenplaatsen en landhuizen. Deze vormden niet alleen centra van grondbezit, maar ook van recreatie en representatie.
Voor de eigenaren was de Beemster een plek waar zij konden ontsnappen aan de drukte van de stad. Hier konden zij gasten ontvangen, toezicht houden op hun bezittingen en deelnemen aan het buitenleven.
Jacht hoorde bij die levensstijl. Een succesvolle jachtpartij leverde niet alleen wild op, maar bevestigde ook de status van de eigenaar. Familieleden, vrienden, bestuurders en zakenpartners ontmoetten elkaar tijdens jachtpartijen. De jacht kreeg daardoor een sociale functie en werd onderdeel van de cultuur van de buitenplaatsen.
De open polder werd zo niet alleen een landbouwgebied, maar ook een decor waarin rijkdom, invloed en prestige zichtbaar werden gemaakt.
6. Jachtmethoden
Het landschap bepaalde de manier waarop werd gejaagd. In de open polder speelde de jacht met honden een belangrijke rol. Honden konden hazen opsporen, volgen en opjagen. Omdat het terrein overzichtelijk was, kon het wild vaak over grote afstand worden gevolgd.
Ook de vogeljacht bleef van betekenis. Langs sloten, vaarten en natte graslanden werden eenden, ganzen en andere watervogels bejaagd. De aanwezigheid van water zorgde ervoor dat een deel van het oude karakter van het voormalige meer behouden bleef.
De jager volgde de structuur van de polder. Waar sloten lagen, kwamen vogels samen. Waar akkers lagen, verschenen patrijzen. Waar graslanden zich uitstrekten, waren hazen te vinden. Het landschap bepaalde waar het wild leefde en hoe de jacht werd uitgevoerd.
7. Eendenkooien en vogelvangst
In en rond de waterrijke omgeving van de Beemster speelden eendenkooien een belangrijke rol. Een eendenkooi was geen gewone jachtplaats, maar een zorgvuldig aangelegd systeem om wilde eenden te vangen.
Met behulp van tamme lokvogels werden wilde eenden naar speciale vangarmen geleid. De vangst vereiste kennis van vogelgedrag, waterbeheer en het landschap. De gevangen vogels konden worden gegeten of verkocht.
De eendenkooi laat zien hoe de nieuwe polder verbonden bleef met het waterrijke verleden. Hoewel het meer verdwenen was, bleef de relatie tussen mens en watervogels bestaan. De vogelvangst vormde een schakel tussen natuur, economie en voedselvoorziening.
8. Boeren, pachters, wildschade en schadelijk wild
Voor boeren en pachters betekende wild niet alleen jachtplezier, maar vaak ook schade.
Hazen konden jonge gewassen aanvreten. Vogels konden zaaigoed oppikken of schade veroorzaken op akkers. Wat voor de eigenaar aantrekkelijk jachtwild was, kon voor de pachter verlies van opbrengst betekenen.
Ook vossen, kraaien en eksters werden vaak als schadelijk beschouwd. Vossen konden pluimvee en jonge vogels roven. Kraaien en eksters konden schade veroorzaken aan gewassen, eieren en nesten.
Daarnaast zorgden mollen voor problemen. Hun molshopen maakten weilanden ongelijk en konden het maaien bemoeilijken. In een gebied waar grasland en veehouderij belangrijk waren, konden dergelijke verstoringen economische gevolgen hebben.
Zo ontstond een verschil in perspectief. De heer zag een aantrekkelijk jachtlandschap. De boer zag een werklandschap waarin dieren soms direct invloed hadden op zijn inkomen en bestaan.
9. Jachtrecht en spanning
Het jachtrecht maakte deze verschillen zichtbaar. Boeren en pachters leefden dagelijks tussen het wild, maar mochten er meestal niet vrij op jagen. Het wild viel onder rechten die aan anderen toebehoorden.
Daardoor ontstonden spanningen tussen landbouwbelang en jachtbelang. Een haas die schade veroorzaakte aan een akker kon voor de eigenaar tegelijkertijd een waardevol jachtdier zijn. De belangen van eigenaar en gebruiker liepen niet altijd gelijk.
De jacht laat daardoor zien hoe bezit en dagelijks werk elkaar in de Beemster konden raken. Het landschap was zorgvuldig ingericht, maar de rechten en belangen binnen dat landschap waren ongelijk verdeeld.
10. Toezicht en stroperij
Omdat jacht verbonden was met rechten en bezit, werd streng toegezien op de naleving van de regels. Jachtopzieners controleerden de terreinen en hielden toezicht op het wild.
Stroperij werd beschouwd als een ernstige overtreding. Het ging niet alleen om het doden van een dier, maar vooral om het schenden van rechten die aan grondbezit waren verbonden. Overtreders konden boetes krijgen en hun wapens of honden verliezen.
Voor arme bewoners kon een haas voedsel betekenen. Voor de eigenaar vertegenwoordigde diezelfde haas een recht en een privilege. Juist in die tegenstelling werd zichtbaar hoe nauw jacht verweven was met de maatschappelijke verhoudingen van de zeventiende eeuw.
11. De betekenis van jacht voor het Beemsterverhaal
De jacht laat zien dat de Beemster meer was dan een technisch meesterwerk van waterbeheer. De polder was ook een landschap van bezit, rechten, arbeid en ongelijkheid.
Voor de elite was de jacht een teken van status en aanzien. Voor boeren en pachters was wild vaak verbonden met schade, beperkingen en dagelijks werk. Voor vogelvangers en beheerders van eendenkooien kon het een bron van inkomsten zijn.
De jacht maakt zichtbaar hoe het nieuwe land na de droogmaking werd gebruikt. Zij verbindt landschap, landbouw, natuur, macht en economie. Een haas op een akker, een patrijs tussen het graan, een eend in een sloot, een vos bij een erf of een molshoop in een weiland vertellen samen het verhaal van een polder waarin mens en dier voortdurend met elkaar in contact stonden.
Zo laat de jacht zien wie het land bezat, wie het bewerkte en wie de gevolgen droeg.
Middenbeemster — hoofdplaats van de polder
Middenbeemster, ook wel De Buurt of Kerkbuurt, werd het centrum van de Beemster. Hier kwamen kerk, bestuur, school, marktplein, ambachten en later herinneringscultuur samen.
De grote hervormde kerk, later ook Keyserkerk of Beemsterkerk genoemd, werd gebouwd tussen 1618 en 1626. De toren was in 1621 gereed. De kerk werd ontworpen in de kring van Hendrick de Keyser, met betrokkenheid van H. Staets en C. Danckertsz. In 1661 kreeg de toren een bekroning naar ontwerp van Pieter Post.
Rond deze kerk groeide Middenbeemster uit tot het symbolische hart van de polder. Hier lagen de pastorie, school, kerkelijke administratie, begraafplaats en bestuurlijke functies dicht bij elkaar. De kerk was niet alleen een geloofsgebouw, maar ook een machtscentrum: hier kwamen predikant, kerkenraad, schoolmeester, koster, armenzorg en dorpsgemeenschap samen.
Belangrijk is de familie Fabritius. Pieter Carelsz Fabritius werd in 1616 schoolmeester in de Beemster, later ook koster en voorzanger. Zijn vrouw Barbertje Barentsdr van der Maes was vroedvrouw. Hun zoon Carel Fabritius werd in 1622 in Middenbeemster geboren en zou later als leerling van Rembrandt wereldfaam krijgen. Ook Barent Fabritius kwam uit dit gezin. Zo kreeg Middenbeemster een plaats in de kunstgeschiedenis.
Middenbeemster was ook de plaats van onderwijs, begrafenisrituelen en sociale orde. Het verhaal van de begrafenis van Hendrik Bouman in 1806 laat zien hoe een gegoede boerenbegrafenis verliep: gesloten luiken, buren die hielpen, een lange stoet rijtuigen, klokgelui, kerkelijke begraving en daarna een begrafenismaal. Zulke details maken duidelijk hoe sterk dood, status, burenplicht en kerk met elkaar verbonden waren.
In de achttiende eeuw werd Middenbeemster beroemd door Betje Wolff. Zij woonde van 1759 tot 1777 in de oude pastorie aan de Middenweg met haar man, dominee Adrianus Wolff. In haar zolderkamertje, Kipperust, schreef zij gedichten, brieven en polemische teksten. De pastorie werd later het Betje Wolff Museum.
Middenbeemster was dus tegelijk bestuurlijk hart, kerkelijke kern, literaire plek, schoolplaats, marktbuurt en herinneringsplaats.
Westbeemster — katholieke enclave en poldergeloof
Westbeemster kreeg een andere betekenis dan Middenbeemster. Waar Middenbeemster het officiële gereformeerde centrum was, groeide Westbeemster uit tot een katholieke kern.
In de eerste jaren na de droogmaking vierden katholieken de mis heimelijk, vaak in huizen of boerderijen. Er waren schuilkerken, waaronder plekken als De Kerckhaen, Vrederust, een schuilkerk aan de Middenweg en een schuilkerk aan de Jisperweg. In 1742 werd de statiekerk D’Ark van Noach aan de Westdijk gebouwd.
Vanaf 1636 had de Beemster een vaste katholieke mispriester. In 1637 ontstond een zelfstandige katholieke parochie voor de Beemster. Dat is belangrijk: de katholieke aanwezigheid was niet marginaal, maar werd een blijvende laag in het polderleven.
In 1879 werd de grote neogotische St. Jan de Doperkerk aan de Jisperweg ingewijd. Daarmee kreeg Westbeemster een monumentaal katholiek centrum. De kerk verving de oudere schuilkerkcultuur en maakte de katholieke gemeenschap zichtbaar in het landschap. In 1910 kwam daar nog de Lourdes-school en het kloostercomplex bij, maar de wortels liggen duidelijk in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw.
Westbeemster vertelt dus het verhaal van geloof onder druk, gedogen, schuilkerken, parochievorming en katholieke bouwijver.
Zuidoostbeemster — tussen Purmerend, tuinbouw en nieuwe bewoning
Zuidoostbeemster ontwikkelde zich anders. Het was lang geen klassieke dorpskern, maar een gebied aan de rand van Purmerend, met wegen, warmoezeniers, tuinders, arbeiderswoningen en later nieuwe woonbuurten.
De nabijheid van Purmerend was belangrijk. Via de Purmerenderweg, ringdijk, opschepingen en later de tram stond Zuidoostbeemster in verbinding met markt, handel en stad. Daardoor werd het gebied geschikt voor tuinbouw, kleine woningen en later forensenbewoning.
In de negentiende eeuw kwamen hier meer burgerwoningen en kleine huizen. De Purmerenderweg werd een zone waar renteniers, ambachtslieden, onderwijzers, tuinders en arbeiders woonden. Het verhaal van kavels, bakkersfamilies, timmerlieden, dubbele woningen en kleine percelen laat zien hoe de Beemster langzaam veranderde van puur agrarische polder naar een woongebied met meer sociale variatie.
Zuidoostbeemster laat vooral zien hoe de Beemster in de negentiende eeuw begon te schuiven: niet alleen boerenland, maar ook wonen, werken buiten de ringdijk, kleine bedrijven, tuinbouw en stedelijke invloed.
Noordbeemster — open polder, school en boerderijen
Noordbeemster werd nooit een groot dorp zoals oorspronkelijk bedacht. Het bleef vooral open polderland met boerderijen, wegen, sloten en een kleine kern rond school en voorzieningen.
Hier is de Beemster het meest agrarisch leesbaar. De boerderij staat centraal: stolpen, erven, boomgaarden, vee, land, pacht, eigen bezit en arbeid. De Beemsterse stolpboerderij werd een gebouw waarin wonen, werken, hooiopslag, stal en erf samenkwamen. Het vierkant, de dars, de koestal, het hooi en de rouw- en trouwdeur maakten de boerderij tot een kleine wereld op zichzelf.
Noordbeemster vertegenwoordigt de openheid van de polder: minder dorpsvorming, meer landbouwstructuur. Juist daar zie je hoe de Beemster bedoeld was als productielandschap.
Oostbeemster — buitengebied, eendenkooien en waterstructuren
Oostbeemster groeide evenmin uit tot een echte dorpskern. Het gebied is vooral belangrijk als buitengebied met erven, waterlopen, molengangen, eendenkooien en landbouw.
De Beemster kende in de zeventiende eeuw meerdere eendenkooien. Die passen bij een landschap waarin landbouw, vogelvangst, waterbeheer en marktgericht gebruik samengingen. Eendenkooien waren geen toevallige natuurplekjes, maar economische voorzieningen.
Ook de molengangen zijn essentieel. Om de Beemster droog te houden waren tientallen molens nodig. Later verdwenen ze door stoomgemalen, maar sporen van molengangen bleven in het landschap en in de bodem herkenbaar.
Oostbeemster laat dus vooral de technische en landschappelijke kant van de polder zien: droogmaking was geen eenmalige gebeurtenis, maar blijvend beheer.
Zuidbeemster — ringdijk, opschepingen, Nekkerweg en militaire laag
Zuidbeemster werd geen zelfstandige dorpskern, maar had grote betekenis door de ringdijk, opschepingen, wegen en verbindingen.
Langs de Beemster ringvaart lagen opschepingen: aanlegplaatsen waar geladen en gelost kon worden. Ze lagen vaak op plekken waar wegen op de dijk uitkwamen. Bij de Zuiddijk, Nekkerweg, Middenweg, Jisperweg en andere punten waren zulke overslagplaatsen belangrijk voor vervoer van goederen, bouwmateriaal, vee, landbouwproducten en later ook militaire voorzieningen.
De opscheping bij de Nekkerweg werd vanaf 1896 gebruikt voor de aanvoer van bouwmaterialen voor het Fort aan de Nekkerweg. Dat laat zien hoe de negentiende-eeuwse Beemster ook deel werd van nationale verdedigingsstructuren.
Zuidbeemster is daardoor vooral de Beemster van rand, dijk, vervoer, overslag, forten en verbinding met Purmerend.
De Klaterbuurt — ongeplande nederzetting en sociale onderlaag
De Klaterbuurt was niet gepland. Juist daarom is zij belangrijk. In een polder die zo ordelijk was ontworpen, ontstond toch een buurt die niet paste in het ideaalbeeld.
De Klaterbuurt lag bij de brug naar De Rijp en werd geassocieerd met arbeiders, polderjongens, arme bewoners, keten en kleine huisjes. In 1654 brandde de buurt af; het bestuur was niet ongelukkig met het verdwijnen van deze groep bewoners. Toch kwamen er later opnieuw huisjes terug.
Deze buurt laat zien dat de Beemster niet alleen bestond uit heren, bedijkers, buitenplaatsen en rijke boeren. Er waren ook losse arbeiders, armen, seizoenwerkers, knechten, meiden, bedelaars en mensen die buiten de nette polderorde vielen.
De Klaterbuurt is daarom onmisbaar in het verhaal. Zonder deze sociale onderlaag wordt de Beemster te mooi en te glad.Achttiende eeuw — buitenplaatsen, Betje Wolff, boeren en verval
In de achttiende eeuw had de Beemster twee gezichten. In de zomer was er het rijke buitenleven van Amsterdamse regenten en kooplieden. Langs wegen als de Volgerweg lagen buitenplaatsen met tuinen, lanen, vijvers en plezierhuizen. Namen als Vredenburgh, Volgerwijk, Quatre Bras, Volgerlust, Aurora en Laanzigt herinneren aan die wereld.
Tegelijk bleef de Beemster vooral boerenland. Koeien, melk, boter, kaas, hooiland, pacht en arbeid bepaalden het dagelijkse bestaan. De runderpest en economische terugslag konden hard toeslaan. In 1769 zou een groot deel van de veestapel verloren zijn gegaan. Voor kleine pachters kon dat rampzalig zijn.
In Middenbeemster leefde Betje Wolff in de pastorie. Zij zag de Beemster als mooi, ruim en vruchtbaar, maar ook als geïsoleerd. Bij langdurige regen waren wegen slecht. Amsterdam was bereikbaar, maar niet vanzelfsprekend. In de winter kon de polder benauwend worden. Haar werk geeft daardoor een unieke blik op het achttiende-eeuwse dorpsleven: boeken, brieven, geloof, vrouwenstem, intellectuele vrijheid en landelijke afzondering.
De achttiende eeuw was ook de tijd waarin veel buitenplaatsen uiteindelijk verdwenen. Rond 1800 werden landhuizen gesloopt, tuinen geëgaliseerd en gronden opnieuw agrarisch gebruikt. De boeren namen de ruimte terug die de heren tijdelijk hadden ingericht als lustlandschap.
11. Negentiende eeuw — landbouw, armenzorg, stoom, tram en woningbouw
De negentiende eeuw bracht grote veranderingen. De Beemster bleef agrarisch, maar werd moderner. Molens verdwenen, stoomgemalen kwamen, kaasfabrieken ontstonden, vervoer verbeterde en woningbouw nam toe.
Een belangrijke bestuurder was Hendrik Scheringa, burgemeester van 1876 tot 1896. In zijn tijd veranderde de polder sterk. Het polderbestuur besloot tot de bouw van stoomgemalen. Daardoor werden veel molens overbodig. De Beemster werd minder afhankelijk van wind en meer van techniek.
De landbouw kende bloei en crisis. Rond 1876 waren haver, bonen, aardappelen, mosterdzaad en augurken belangrijke gewassen. Er waren honderden paarden, duizenden koeien en schapen, varkens, geiten, hoenders, eenden, ganzen, zwanen en bijenkorven. Maar de landbouwcrisis van de jaren tachtig raakte de boeren hard. Goedkope import drukte prijzen van akkerbouwproducten, boter en kaas. Boeren zochten oplossingen in samenwerking.
Daarom kwamen coöperatieve initiatieven op: augurkeninleggerij, kaasfabrieken zoals De Hoop, De Eendracht, De Vlijt en Bamestra. De Beemster werd een landschap van boeren én kleine industrie.
Ook vervoer veranderde. In 1895 kwam de stoomtram Purmerend-Alkmaar door de Beemster. Daarmee werd de polder sterker verbonden met de regio. De oude wagendienst en vrachtschuit verloren betekenis.
Tegelijk bestond armoede. De Beemster gold als welvarend, maar in de negentiende eeuw was ongeveer één op de zes inwoners afhankelijk van bedeling. Armenzorg werd geregeld door kerkelijke diaconieën, het Burgerlijk Armbestuur, armhuizen, weeshuizen en commissies voor voedsel en brandstof. Onderstand was geen recht maar een gunst. De zaak van Aafje Ruiter laat zien hoe streng kerk en bestuur konden omgaan met armen, herkomst, gedrag, kerkgang en verblijfsduur.
In Middenbeemster begon sociale woningbouw voorzichtig vorm te krijgen. De woningbouwvereniging Goed Wonen bouwde vanaf 1911 aan de Leeghwaterstraat, net na 1900, maar de aanloop lag in de negentiende-eeuwse woningnood en groei van arbeiderswoningen.