Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 1 – Tussen Drechterland en de Zuiderzee
Aan het begin van de veertiende eeuw was Enkhuizen nog geen stad van hoge pakhuizen, stenen poorten en indrukwekkende havens. Wie vanuit het westen over de oude weg door Gommerkerspel naar de kust liep, bereikte geen gesloten stad, maar een langgerekte nederzetting die zich langzaam had ontwikkeld langs de dijk en het water. Huizen, erven, kleine werkplaatsen en schuren lagen verspreid langs de oude route die het vruchtbare achterland van Drechterland met de Zuiderzee verbond. Het landschap was open. Achter de huizen strekten zich sloten, weilanden en akkers uit. Aan de andere zijde lag de zee, voortdurend in beweging en even onmisbaar als gevaarlijk.
Enkhuizen leefde vanaf het begin tussen twee werelden. Vanuit het westen kwamen boeren met karren vol graan, boter, kaas en vee over de oude landweg naar de kust. Vanuit de nederzetting voeren vissers, veerschippers en kleine vrachtvaarders naar Medemblik, Stavoren en andere plaatsen rond de Zuiderzee. De dijk vormde daarbij de levensader van de gemeenschap. Hij beschermde het land tegen het water, maar was tegelijk de belangrijkste verkeersweg. Over dezelfde dijk werden goederen vervoerd, trokken reizigers naar de haven en gingen inwoners naar de kerk of naar familie in de omliggende dorpen.
Juist die bijzondere ligging maakte Enkhuizen anders dan veel andere nederzettingen in West-Friesland. Het was geen zuiver boerendorp en evenmin uitsluitend een vissersplaats. De bewoners leefden van beide werelden tegelijk. Een goede oogst in Drechterland bracht meer handel naar de kust. Een rijke visvangst zorgde ervoor dat boeren in het achterland verse of gezouten vis konden kopen. Wanneer stormen de dijk beschadigden, werden zowel akkers als aanlegplaatsen getroffen. Land en water vormden geen gescheiden werelden, maar één gezamenlijke leefomgeving waarin vrijwel iedere inwoner direct afhankelijk was van beide.
Het landschap waarin Enkhuizen ontstond was bovendien voortdurend in beweging. Eeuwen eerder had hier een uitgestrekt veengebied gelegen dat langzaam werd doorsneden door kreken, geulen en waterlopen. Door stormvloeden, bodemdaling en de steeds grotere invloed van de Zuiderzee veranderde de kustlijn voortdurend. Waar ooit droog land lag, kon later water stromen. Nieuwe geulen ontstonden, terwijl oude oevers verdwenen. Voor de bewoners betekende dat dat geen enkele generatie precies hetzelfde landschap naliet aan de volgende.
De latere stadshistoricus Gerard Brandt schreef in de zeventiende eeuw dat de oudste bewoning van Enkhuizen waarschijnlijk nog verder naar het oosten had gelegen dan de stad van zijn eigen tijd. Volgens hem hadden zich daar de eerste huizen en zelfs een oude kerk bevonden, in de omgeving van het latere Oosterhoofd en de Keteldijk, op grond die later grotendeels door het water verloren was gegaan. Brandt beschikte niet over eigentijdse bronnen uit de vroege middeleeuwen en zijn beschrijving moet daarom voorzichtig worden gebruikt. Toch bewaart zij een oude stedelijke herinnering die goed aansluit bij wat archeologen en historici weten over de voortdurende veranderingen van de kust. Enkhuizen ontstond niet op een onveranderlijke plek. De stad groeide op een kust die telkens opnieuw door de zee werd gevormd.
Ten westen van de latere stad lag Gommerkerspel, genoemd naar de kerk van Sint Gommarus. Gerard Brandt beschreef het als een afzonderlijk dorp dat ongeveer een boogschot van Enkhuizen verwijderd lag, hoger op de oude weg richting de Streek. De bewoners leefden grotendeels van landbouw, maar onderhielden tegelijkertijd nauwe banden met de kust. Zij verkochten hun producten in de nederzetting aan zee en maakten gebruik van dezelfde wegen, dijken en watergangen. Daardoor vormden Enkhuizen en Gommerkerspel al lang vóór de officiële stadsrechten één economische gemeenschap, ook al bezaten zij nog een eigen kerkelijke en plaatselijke identiteit.
Wie in de vroege ochtend vanuit Gommerkerspel naar Enkhuizen liep, ontmoette boeren met melk, boter, graan of vee op weg naar de kust. In omgekeerde richting trokken vissers met gezouten vis of andere handelswaren het achterland in. De Westerstraat, die later zou uitgroeien tot de belangrijkste straat van de stad, was toen al de levensader waarlangs deze dagelijkse uitwisseling plaatsvond. Zij verbond de landbouwgronden van Drechterland met de Zuiderzee en maakte van Enkhuizen een ontmoetingsplaats van twee verschillende werelden.
Het dagelijkse leven speelde zich grotendeels buiten af. Mannen werkten op het land, voeren uit of repareerden schepen en netten. Vrouwen hielden zich bezig met het huishouden, de verzorging van kinderen, het bereiden van voedsel en het verwerken van melk, wol en vlas. Tegelijk hielpen zij mee bij de handel of het familiebedrijf wanneer dat nodig was. Kinderen leerden al jong mee te werken. Jongens hielpen op het land of gingen mee het water op, terwijl meisjes thuis of op het erf allerlei werkzaamheden verrichtten. In een kleine gemeenschap kende vrijwel iedereen elkaar. Families woonden vaak generaties lang dicht bij elkaar en kerk, buurt en familie vormden samen het sociale netwerk waarop de bewoners vertrouwden.
De huizen waren eenvoudig. De meeste waren gebouwd van hout, met vlechtwerk en leem tussen de stijlen. Rieten daken overheersten het straatbeeld. Achter de woningen lagen kleine erven met groentetuinen, enkele fruitbomen, kippen, geiten of een paar koeien. Sloten voerden overtollig water af naar de grotere watergangen. Wanneer de wind dagenlang uit het noordwesten kwam en het water tegen de dijken opstuwde, liep niet alleen de kust gevaar. Ook het binnenwater kon nergens heen en zette weilanden en erven onder water. Waterbeheer was daardoor geen taak van enkele bestuurders, maar een dagelijkse zorg van de hele gemeenschap.
De dijk vormde het middelpunt van dat gezamenlijke bestaan. Hij was veel meer dan een waterkering. Over de kruin van de dijk liep de belangrijkste weg. Langs de dijk stonden huizen en opslagplaatsen. Schepen werden er gelost en gerepareerd. Bij hoog water hielden bewoners gezamenlijk toezicht op zwakke plekken. Wanneer herstel nodig was, verschenen boeren, vissers en ambachtslieden met spaden, klei, hout en riet om beschadigingen te herstellen. De veiligheid van de nederzetting hing af van de bereidheid van de inwoners om samen te werken.
Brandt vertelt bovendien dat de grotere kerk aanvankelijk nog buiten de beschermende dijk stond, terwijl zich binnen de waterkering slechts een kleinere kapel bevond. Hoewel deze mededeling niet rechtstreeks door eigentijdse veertiende-eeuwse bronnen wordt bevestigd, sluit zij aan bij de gedachte dat de kustlijn in de eeuwen daarvoor aanzienlijk was verschoven. Wanneer zijn herinnering juist is, laat zij zien hoe ingrijpend de veranderingen langs de Zuiderzee konden zijn. Wat ooit veilig land was geweest, kon enkele generaties later gevaarlijk dicht bij het water liggen.
Zo begon de geschiedenis van het veertiende-eeuwse Enkhuizen niet met stadsrechten of oorlogen, maar met een kleine gemeenschap die haar bestaan iedere dag opnieuw moest bevechten tegen water, wind en een voortdurend veranderend landschap. Juist uit die voortdurende strijd groeide langzaam een nederzetting die steeds belangrijker werd voor Drechterland, West-Friesland en uiteindelijk voor het graafschap Holland. In de loop van de veertiende eeuw zouden oorlogen, grafelijke politiek, nieuwe rechten en grote waterbouwkundige werken deze bescheiden kustplaats ingrijpend veranderen en het fundament leggen voor de latere havenstad.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 2 – Een kwetsbare kustnederzetting wordt zichtbaar (ca. 1299–1337)
Rond het jaar 1300 begon de jonge nederzetting aan de Zuiderzee steeds duidelijker een eigen plaats in West-Friesland in te nemen. Dat betekende niet dat Enkhuizen al een stad was. De gemeenschap bleef klein, open en kwetsbaar. Er waren geen stenen stadsmuren, geen zware poorten en geen veilige binnenhaven waar schepen beschut konden liggen. Wie vanuit de Zuiderzee naderde, zag vooral een langgerekte rij huizen langs de dijk, enkele eenvoudige aanlegplaatsen en daarachter de lage gronden van Drechterland.
Toch was juist deze open ligging de reden waarom steeds meer mensen de nederzetting bezochten. De kust vormde het natuurlijke eindpunt van de landweg uit het achterland. Hier ontmoetten boeren, vissers, schippers en reizigers elkaar. Op dagen met gunstige wind lagen schuiten langs de oever te wachten op vertrek naar Medemblik, Stavoren of andere plaatsen rond de Zuiderzee. Wanneer de wind ongunstig was, bleven bemanningen soms dagen aan de wal. Dan ontstond vanzelf handel. Boeren verkochten voedsel aan de schippers, ambachtslieden repareerden beschadigde netten en scheepshout en kinderen hielpen met het dragen van kleine vrachten tussen de huizen en de aanlegplaatsen.
Diezelfde openheid maakte Enkhuizen echter ook kwetsbaar. De dijk hield het water tegen, maar bood nauwelijks bescherming tegen gewapende aanvallers. Iedereen die vanaf zee kwam, kon de nederzetting gemakkelijk bereiken. Er waren geen poorten die gesloten konden worden en geen stadsmuren waarachter de bevolking zich kon terugtrekken. Wanneer gevaar dreigde, moesten de inwoners vooral vertrouwen op elkaar.
Volgens de latere stadsgeschiedenis van Gerard Brandt werd Enkhuizen rond 1299 of 1300 daadwerkelijk door geweld getroffen. Hij beschrijft hoe Friezen de nederzetting overvielen en ongeveer vijfentwintig huizen in brand staken. Omdat Brandt deze gebeurtenis ruim drie eeuwen later opschreef, moet zijn relaas voorzichtig worden gebruikt. Hij maakte gebruik van oudere overleveringen die niet altijd meer controleerbaar zijn. Toch sluit zijn verhaal aan bij de werkelijkheid van een kustgebied waar handel en oorlog dicht naast elkaar bestonden.
Voor een kleine gemeenschap betekende het verlies van vijfentwintig huizen een ramp van grote omvang. Vrijwel ieder huis vertegenwoordigde een gezin dat niet alleen zijn woning verloor, maar ook voedselvoorraden, kleding, gereedschap en vaak het middel van bestaan. Houten huizen met rieten daken vatten gemakkelijk vlam. Wanneer eenmaal brand ontstond en de wind vanaf zee opstak, konden meerdere huizen binnen korte tijd verloren gaan.
De aanval liet zien dat de bewoners niet alleen afhankelijk waren van de grillen van het water. Ook menselijke vijanden konden het voortbestaan van de nederzetting bedreigen. Dezelfde Zuiderzee die dagelijks vis, handel en verbindingen bracht, bood ook een snelle route voor plunderaars. Een schip dat de ene week handelswaar vervoerde, kon de volgende week gewapende mannen aan land zetten.
Brandt vertelt vervolgens dat de inwoners van Enkhuizen zich niet zonder meer bij deze aanval neerlegden. Volgens zijn verhaal voeren zij omstreeks 1310, samen met bewoners uit de omgeving, naar Stavoren. Daar zouden zij het klooster van Sint-Odulphus hebben geplunderd. Bij de terugtocht werden tegenstanders ingehaald en volgens de kroniek zouden tien gevangenen de volgende dag bij het klooster zijn opgehangen.
Ook dit verhaal moet vooral worden gezien als een stedelijke herinnering. De precieze gebeurtenissen zijn niet meer volledig te reconstrueren. Wel laat de overlevering zien hoe latere Enkhuizers hun eigen verleden zagen. Hun stad was volgens Brandt niet ontstaan in een tijd van rust, maar in een wereld waarin handel, oorlog, vergelding en politiek voortdurend door elkaar liepen.
De overtocht naar Stavoren was bovendien geen uitzonderlijke onderneming. Vanuit Enkhuizen lag Friesland letterlijk aan de overzijde van de binnenzee. Vissers, kooplieden, pelgrims en schippers gebruikten dezelfde vaarwegen als krijgslieden. De Zuiderzee verbond mensen even gemakkelijk als zij hen tegenover elkaar kon plaatsen.
Terwijl deze gebeurtenissen zich afspeelden, veranderde ook de bestuurlijke wereld waarin Enkhuizen lag. Na de onderwerping van West-Friesland door Floris V was het gebied steviger onder het gezag van de graven van Holland gekomen. Dat betekende niet dat de oude West-Friese gemeenschappen verdwenen. Wel kregen grafelijke bestuurders steeds meer invloed op rechtspraak, belastingen, krijgsdienst en waterbeheer.
Toen Jan II van Avesnes in 1299 graaf van Holland werd, erfde hij een gebied waarin de grafelijke macht nog voortdurend moest worden bevestigd. Hij maakte daarbij gebruik van een netwerk van edelen en bestuurders. Namen als Jan van Arkel en Claes van Putten behoren tot deze bestuurlijke wereld. Zij bestuurden Enkhuizen niet rechtstreeks, maar speelden een rol in de organisatie van het graafschap waarvan ook de jonge kustnederzetting deel uitmaakte.
Ook de kerk bleef nauw verweven met het bestuur. Jans broer Gwijde van Avesnes werd in 1301 bisschop van Utrecht. Wereldlijke en geestelijke macht liepen in deze tijd vaak in elkaar over. Voor de bewoners van Enkhuizen werd dat merkbaar wanneer belastingen werden geheven, kerkelijke rechten werden besproken of mannen voor krijgsdienst moesten worden geleverd.
Onder Willem III, die van 1304 tot 1337 regeerde, werd de grafelijke organisatie verder uitgebouwd. Zijn bestuur bracht meer samenhang binnen Holland en West-Friesland. Daardoor kreeg ook Enkhuizen vaker te maken met grafelijke opdrachten en bestuurlijke verplichtingen. Tegelijk bleef het dagelijkse leven grotendeels onveranderd. Boeren werkten op hun land, vissers trokken de Zuiderzee op zodra de wind gunstig stond en ambachtslieden herstelden huizen, karren en schepen. Terwijl aan het grafelijke hof plannen werden gemaakt, groeide aan de rand van Drechterland langzaam een gemeenschap die steeds belangrijker werd.
Die ontwikkeling zou na 1337, onder Willem IV, in een stroomversnelling raken. Enkhuizen zou niet langer alleen een kustnederzetting zijn, maar een plaats waar de Hollandse graven hun blik steeds nadrukkelijker op richtten. De ligging aan de Zuiderzee maakte de nederzetting tot een natuurlijke verzamelplaats voor schepen, mensen en voorraden, waardoor zij een steeds grotere rol ging spelen in de politiek en oorlogvoering van het graafschap Holland.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 3 – Oorlog, water en de weg naar de stadsrechten (1337–1356)
Toen Willem III in 1337 overleed, kwam zijn zoon Willem IV aan het hoofd van het graafschap Holland, Zeeland en West-Friesland te staan. De jonge graaf was energiek, ambitieus en vastbesloten het gezag van zijn huis verder uit te breiden. Anders dan zijn vader keek hij nadrukkelijk naar de overzijde van de Zuiderzee, waar Friesland nog altijd een gebied was waar Holland slechts beperkt invloed had. Daardoor kregen de West-Friese kustplaatsen een grotere strategische betekenis dan ooit tevoren.
Voor Enkhuizen veranderde hierdoor langzaam de positie binnen het graafschap. De nederzetting bleef klein, maar haar ligging maakte haar bijzonder waardevol. Zij lag precies op de overgang tussen het vruchtbare achterland van Drechterland en de kortste vaarroute naar de Friese kust. Vanuit het westen konden voedsel, paarden en andere voorraden eenvoudig worden aangevoerd. Aan de zeezijde lagen de schepen gereed die deze goederen naar de overkant konden brengen.
Nog altijd bezat Enkhuizen geen veilige binnenhaven. Schepen lagen langs eenvoudige aanlegplaatsen aan de buitenzijde van de dijk of werden bij laag water op het strand getrokken. Schippers moesten voortdurend rekening houden met de wind, de stroming en de diepte van de geulen. Grotere vaartuigen konden vaak niet dicht onder de wal komen en bleven verder buitengaats voor anker liggen, waarna kleinere schuiten de lading naar de kust brachten.
Toch was de nederzetting levendig. Op rustige dagen zaten vissers langs de oever hun netten te herstellen. Timmerlieden vervingen versleten planken van schepen. Kuipers maakten nieuwe tonnen waarin vis, boter en bier konden worden vervoerd. Touwslagers draaiden nieuw touwwerk dat bestand moest zijn tegen zout water en harde wind. De geur van pek, nat hout en gerookte vis hing vaak boven de aanlegplaatsen. Het leven speelde zich grotendeels buiten af, tussen de huizen, de dijk en de zee.
In 1345 besloot Willem IV een grote veldtocht tegen Friesland te ondernemen. Hij wilde het grafelijke gezag aan de overzijde van de Zuiderzee herstellen en verzamelde daarvoor een aanzienlijke vloot. Enkhuizen behoorde tot de plaatsen waar schepen, bemanningen en voorraden bijeenkwamen. Plotseling veranderde de rustige kustnederzetting in een militaire verzamelplaats.
Over de oude weg uit Drechterland reden karren vol brood, graan, bier, gezouten vlees en hooi naar de kust. Smeden maakten wapens en hoefijzers in orde. Zeilmakers controleerden grote zeilen op scheuren en touwslagers leverden nieuw touwwerk. Paarden werden naar de schepen gebracht, terwijl soldaten en schippers zich verzamelden langs de aanlegplaatsen. De haven kende dagen waarop vrijwel iedereen in de nederzetting direct of indirect betrokken was bij de voorbereidingen van de grafelijke expeditie.
Voor veel gezinnen betekende dit dat vaders, zonen of broers tijdelijk hun gewone werk verlieten om mee te varen. Schippers die gewoonlijk handelswaar vervoerden, maakten zich nu gereed voor een militaire onderneming. Vissersschepen werden gebruikt voor transport. Ambachtslieden werkten lange dagen om alles op tijd gereed te krijgen. De hele gemeenschap voelde dat een bijzondere gebeurtenis naderde.
Een belangrijke rol tijdens deze onderneming speelde Jan van Beaumont, de broer van wijlen graaf Willem III. Hij gold als een van de meest ervaren edelen van Holland en voerde een deel van de strijdmacht aan. Zijn naam zou nog lang verbonden blijven aan de Friese veldtocht.
De overtocht verliep echter moeizaam. Tegenwind en de moeilijke omstandigheden op de Zuiderzee maakten het vrijwel onmogelijk de vloot als één geheel bijeen te houden. Schepen raakten van elkaar gescheiden en bereikten de Friese kust op verschillende momenten. Daardoor konden de afzonderlijke onderdelen van het leger elkaar nauwelijks ondersteunen.
Op 26 september 1345 eindigde de onderneming in een ramp. Bij Warns, niet ver van Stavoren, sneuvelde Willem IV. Talrijke Hollandse edelen en soldaten kwamen om of werden gevangen genomen. De veldtocht die het gezag van Holland moest versterken, eindigde juist in een zware nederlaag.
Voor Enkhuizen bleef dit geen gebeurtenis uit een ver land. Vanuit de nederzetting waren schepen uitgevaren en mannen meegetrokken. Niet iedereen keerde terug. Achter de eenvoudige houten huizen bleven gezinnen achter die een vader, zoon of broer verloren hadden. De haven die kort daarvoor nog vol verwachting was geweest, zag ook de terugkeer van beschadigde schepen en uitgeputte bemanningen.
Tegelijk maakte deze onderneming duidelijk hoe belangrijk Enkhuizen inmiddels voor de Hollandse graven was geworden. De plaats was niet langer alleen een vissersnederzetting. Zij had bewezen een geschikte verzamelplaats te zijn voor een grote vloot. Haar ligging aan de Zuiderzee gaf haar een militaire betekenis die in de jaren daarna alleen maar verder zou groeien.
De dood van Willem IV veroorzaakte een opvolgingscrisis. Omdat hij geen wettige zoon naliet, gingen zijn bezittingen over op zijn zuster Margaretha van Henegouwen, die gehuwd was met keizer Lodewijk van Beieren. Voor de inwoners van Enkhuizen leek dit aanvankelijk een gebeurtenis die zich ver van hun dagelijks leven afspeelde. Toch had iedere wisseling van landsheer directe gevolgen. De nieuwe vorst bepaalde immers wie belasting mocht heffen, recht sprak en bestaande privileges bevestigde.
Al in 1346 verleende Margaretha aan onder meer Enkhuizen en Medemblik nieuwe bepalingen die de rechtspositie van de inwoners versterkten. Volgens Gerard Brandt hield dit onder meer in dat iemand die volgens het recht zijn leven en bezit had verbeurd, niet automatisch al zijn goederen verloor. Slechts een deel van het bezit mocht worden aangesproken.
Voor gewone gezinnen betekende zo'n bepaling veel meer dan een juridische formaliteit. Wanneer een schipper zijn schip verloor of een boer al zijn vee kwijtraakte voordat een rechtszaak was afgerond, kon een heel huishouden in armoede vervallen. Door de willekeur van bestuurders te beperken, ontstond meer zekerheid voor inwoners die afhankelijk waren van hun bezit om te kunnen leven en werken.
Ondertussen verslechterde de verhouding tussen Margaretha en haar zoon Willem, de latere Willem V van Beieren. Wat begon als een conflict binnen de grafelijke familie groeide uit tot een machtsstrijd die Holland en West-Friesland diep zou verdelen. In de jaren die volgden moesten edelen, steden en dorpen kiezen tussen moeder en zoon. Ook Enkhuizen zou uiteindelijk een keuze moeten maken.
Juist uit die politieke strijd zouden de gebeurtenissen voortkomen die de geschiedenis van Enkhuizen voorgoed zouden veranderen. Want uit het conflict tussen Margaretha en Willem V ontstond uiteindelijk ook het handvest waarmee Enkhuizen en Gommerkerspel in 1356 officieel zouden worden samengebracht tot één stad. Daarmee begon een geheel nieuwe fase in de geschiedenis van de jonge kustgemeenschap.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 4 – Van burgeroorlog naar stadsrechten (1350–1359)
In de jaren na de dood van Willem IV werd het bestuur van Holland beheerst door een conflict dat uiteindelijk ook de toekomst van Enkhuizen zou bepalen. Margaretha van Henegouwen was de wettige erfgename van Holland, Zeeland en Henegouwen, maar haar zoon Willem van Beieren vond dat hij zelf het bestuur moest voeren. Wat begon als een meningsverschil binnen één familie groeide uit tot een machtsstrijd die vrijwel iedere stad, ieder kasteel en iedere adellijke familie in Holland en West-Friesland dwong een keuze te maken.
Uit deze strijd ontstonden de twee partijen die de geschiedenis van Holland nog eeuwen zouden bepalen: de Hoeken en de Kabeljauwen. De aanhangers van Margaretha werden de Hoeken genoemd, terwijl Willem werd gesteund door de Kabeljauwen. Waarom juist deze namen ontstonden, is niet helemaal zeker, maar al snel stonden zij symbool voor twee kampen die elkaar niet alleen politiek, maar soms ook met geweld bestreden.
Ook in Enkhuizen bleef deze strijd niet zonder gevolgen. Hoewel de stad nog klein was, liepen ook hier familiebanden, handelsbelangen en politieke voorkeuren door elkaar. Gerard Brandt schreef later dat de verdeeldheid zelfs buren tegenover elkaar zette. Zijn woorden zijn ongetwijfeld gekleurd door de herinnering van latere eeuwen, maar zij laten wel zien dat de strijd diep ingreep in het dagelijks leven. Mensen die jarenlang samen hadden gewerkt aan de dijk of elkaar op de markt ontmoetten, konden plotseling tegenover elkaar staan omdat zij verschillende heren steunden.
Voor de inwoners bleef het gewone leven ondertussen doorgaan. De vissers moesten blijven uitvaren zodra de wind gunstig stond. Op de akkers moest worden gezaaid en geoogst. De dijken vroegen voortdurend onderhoud. Toch hing boven al deze dagelijkse werkzaamheden de onzekerheid over de politieke toekomst van het graafschap.
Na enkele jaren kreeg Willem van Beieren steeds meer steun. Ook Enkhuizen koos uiteindelijk zijn zijde. Die keuze was niet alleen ingegeven door trouw aan één persoon. Bestuurders en inwoners zagen dat Willem de sterkste positie leek te krijgen en hoopten dat steun aan de nieuwe machthebber de stad voordelen zou opleveren. Dat bleek een juiste inschatting.
Toen Willem zijn gezag voldoende had gevestigd, begon hij de steden die hem hadden gesteund te belonen. Daarbij keek hij niet alleen naar hun trouw, maar ook naar hun economische en strategische betekenis. Enkhuizen had tijdens de Friese expedities laten zien dat de plaats een belangrijke rol kon spelen bij de scheepvaart over de Zuiderzee. Bovendien vormde de nederzetting een natuurlijke schakel tussen Drechterland en de zee.
In deze periode groeide ook het besef dat Enkhuizen en Gommerkerspel in de praktijk al lang nauw met elkaar verbonden waren. De bewoners gebruikten dezelfde wegen, dezelfde dijken en dezelfde aanlegplaatsen. Boeren uit Gommerkerspel verkochten hun producten aan de kust, terwijl vissers en schippers afhankelijk waren van voedsel en materialen uit het achterland. Kerkelijk bleven beide plaatsen nog onderscheiden, maar economisch en maatschappelijk waren zij steeds meer één gemeenschap geworden.
Daarom besloot Willem V beide nederzettingen ook bestuurlijk samen te brengen.
Op 27 januari 1356 – volgens onze huidige jaartelling – verleende hij het beroemde stadsrecht van Enkhuizen. In sommige oudere bronnen wordt 1355 genoemd, omdat toen nog de zogenaamde Paasstijl werd gebruikt, waarbij het nieuwe jaar pas met Pasen begon. Omgerekend naar onze huidige kalender gaat het om 27 januari 1356. Op 4 april 1356 volgde een nadere bevestiging van het handvest.
Het stadsrecht betekende niet dat Enkhuizen ineens uit de grond werd gestampt. De huizen stonden er al. De oude dijk lag er al. De Westerstraat verbond de kust al generaties lang met Gommerkerspel en Bovenkarspel. Ook de handel en de visserij bestonden al. Het handvest gaf vooral een nieuwe juridische vorm aan een gemeenschap die in werkelijkheid al lang was gegroeid.
Voor het eerst werden Enkhuizen en Gommerkerspel officieel samengebracht binnen één stedelijk rechtsgebied. Dat betekende dat de inwoners voortaan onder hetzelfde bestuur vielen, dezelfde stedelijke rechten genoten en dezelfde verplichtingen kregen. De oude kerk van Sint Gommarus bleef herinneren aan het vroegere dorp, maar bestuurlijk ontstond nu één stad.
Bij het opstellen van het handvest keek Willem V nadrukkelijk naar Medemblik. Deze oudere grafelijke stad gold als voorbeeld voor de inrichting van het bestuur en de rechtspraak. Enkhuizen ontving daarom grotendeels dezelfde rechten als Medemblik. Toch maakte de graaf enkele uitzonderingen. Niet iedere poorter van Medemblik kon automatisch ook poorter van Enkhuizen worden. Evenmin mochten inwoners van Overleek zonder meer gebruikmaken van de nieuwe stedelijke voorrechten. Daarmee wilde Willem voorkomen dat mensen uitsluitend vanwege belastingvoordelen of handelsrechten poorter werden zonder werkelijk deel uit te maken van de gemeenschap.
Een andere belangrijke bepaling was dat een poorter daadwerkelijk binnen de stedelijke vrijheid moest wonen. Stadsburgerschap was geen titel op papier, maar een verbintenis met de stad. Wie bescherming genoot, moest ook bijdragen aan de lasten van de gemeenschap.
Het handvest omschreef bovendien nauwkeurig het gebied waar de stedelijke vrijheid gold. Aan de westzijde liep de grens richting Bovenkarspel langs de oude weg. Aan de oostzijde vormde de Zuiderzee de natuurlijke begrenzing. Daarmee kreeg Enkhuizen voor het eerst een officieel omschreven rechtsgebied waarin het eigen bestuur bevoegd was.
Voor de gewone inwoners veranderde het dagelijkse leven niet onmiddellijk. Dezelfde kerkklokken luidden, dezelfde boeren reden met hun karren over de Westerstraat en dezelfde schippers wachtten op gunstige wind. Maar vanaf dit moment leefden zij niet langer in een losse kustnederzetting. Zij waren inwoners van een stad die haar rechten op perkament had ontvangen en die haar plaats binnen het graafschap Holland officieel had ingenomen.
Het nieuwe stadsrecht vormde echter pas het begin. Rechten kregen pas werkelijk betekenis wanneer zij dagelijks werden toegepast. Dat zou zichtbaar worden in de jaren na 1356, toen Enkhuizen een eigen bestuur kreeg, een jaarmarkt mocht houden, krijgsdienst moest leveren en stap voor stap uitgroeide tot een stad waarin bestuur, handel, waterbeheer en het leven van gewone inwoners steeds sterker met elkaar verweven raakten.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 5 – De stad leert zichzelf besturen (1356–1361)
Met het stadsrecht van 1356 begon voor Enkhuizen geen tijd van rust. Integendeel. Nu de stad officieel bestond, moest zij leren zichzelf te besturen. Het handvest was geen eindpunt, maar een begin. Wat op perkament stond, moest iedere dag opnieuw in praktijk worden gebracht. Dat gebeurde niet door de graaf in Den Haag of Haarlem, maar door de mensen die dagelijks in Enkhuizen woonden en werkten.
De nieuwe stad kreeg een schout, schepenen en burgemeesters. Samen vormden zij het bestuur dat de stedelijke vrijheid inhoud moest geven.
De schout vertegenwoordigde de landsheer. Hij zag toe op de openbare orde, riep verdachten voor het gerecht, voerde grafelijke bevelen uit en zorgde ervoor dat de rechten van de graaf werden gerespecteerd. Tegelijk moest hij rekening houden met de stedelijke privileges. Juist daarin lag het evenwicht dat iedere middeleeuwse stad moest vinden: trouw blijven aan de landsheer en tegelijk de eigen vrijheid beschermen.
De schepenen vormden het gerecht van de stad. Zij beslisten over geschillen tussen inwoners, beoordeelden verklaringen van getuigen en legden afspraken vast. Zij deden dat niet alleen op grond van geschreven regels, maar ook op basis van plaatselijke gebruiken die vaak al generaties oud waren. Veel zaken gingen over erfgrenzen, schulden, koopovereenkomsten, watergangen of afspraken tussen buren.
De burgemeesters hielden zich vooral bezig met de gemeenschappelijke belangen van de stad. Zij zagen toe op de stedelijke inkomsten, op het onderhoud van dijken, bruggen en aanlegplaatsen en op de organisatie van de markt. Hun werk speelde zich niet af achter gesloten deuren. Vrijwel iedere beslissing had directe gevolgen voor de inwoners.
Wanneer een brug moest worden hersteld, betekende dat extra kosten. Wanneer een stuk dijk verzakte, moesten bewoners helpen bij het herstel. Wanneer de markt groeide, moesten nieuwe regels worden opgesteld. Zo werd bestuur een zichtbaar onderdeel van het dagelijkse leven.
Ook voor de gewone inwoners veranderde er veel. Wie poorter van Enkhuizen was, kreeg bescherming van de stad. Hij mocht gebruikmaken van de stedelijke rechten, deelnemen aan de handel en viel onder de eigen rechtspraak. Daar stonden echter duidelijke verplichtingen tegenover. Poorters betaalden stedelijke lasten, hielpen mee aan de verdediging van de stad en moesten gehoorzamen aan de besluiten van het bestuur.
Het handvest bepaalde bovendien nadrukkelijk dat een poorter werkelijk binnen de stedelijke vrijheid moest wonen. Daarmee wilde Willem V voorkomen dat mensen alleen op papier poorter werden om belastingvoordelen of handelsrechten te verkrijgen. Een stad bestond uit mensen die samen leefden, werkten en de lasten van de gemeenschap droegen.
Een van de belangrijkste nieuwe rechten was de jaarmarkt. Willem V verleende Enkhuizen toestemming om jaarlijks een markt van veertien dagen te houden. Zij begon op de eerste zondag na het feest van de onthoofding van Johannes de Doper, aan het einde van augustus.
Zo'n jaarmarkt betekende veel meer dan enkele dagen handel. Zij trok bezoekers uit heel West-Friesland en van de overzijde van de Zuiderzee. Boeren brachten hun producten naar de stad. Schippers arriveerden met goederen die elders moeilijk verkrijgbaar waren. Ambachtslieden verkochten hun werk en namen nieuwe opdrachten aan.
Tijdens de markt veranderde het gezicht van Enkhuizen volledig. Op de dijk en langs de oude landweg ontstond een onafgebroken stroom van mensen. Herbergen zaten vol. Op open plekken verschenen tijdelijke marktkramen. Er werd onderhandeld, gekocht, verkocht en nieuws uitgewisseld. Niet alleen goederen, maar ook verhalen, geruchten en politieke berichten vonden via de markt hun weg door de stad.
Voor kinderen was de jaarmarkt een bijzondere gebeurtenis. Zij zagen onbekende reizigers, vreemde kleding en producten die normaal nooit in Enkhuizen werden aangeboden. Voor volwassenen betekende de markt vooral werk. Iedere bezoeker moest eten, drinken en soms overnachten. Achter vrijwel iedere kraam stond een gezin dat probeerde een deel van zijn jaarinkomen te verdienen.
Tegenover deze nieuwe rechten stonden ook nieuwe verplichtingen. Wanneer de graaf een heervaart uitschreef, moest Enkhuizen dertig gewapende mannen leveren. Voor een stad van deze omvang was dat een zware belasting. Dertig mannen betekenden dertig gezinnen die tijdelijk een kostwinner moesten missen.
Het handvest bepaalde daarom dat Grootebroek en Bovenkarspel Enkhuizen daarbij moesten ondersteunen. Daarmee bleef zichtbaar hoe nauw de jonge stad met haar achterland verbonden was. De stad kon niet zonder de dorpen en de dorpen profiteerden op hun beurt van de haven, de markt en de bescherming die de stedelijke ontwikkeling bood.
In 1359 werd de rechtspositie van de inwoners verder versterkt. Enkhuizen en het baljuwschap van Medemblik kregen aanvullende rechtsbescherming. Niemand mocht zomaar langdurig gevangen worden gehouden wanneer hij voldoende borg kon stellen om voor het gerecht te verschijnen.
Voor een havenstad was dat van groot belang. Een schipper die zonder noodzaak werd vastgezet, verloor zijn reis. Een koopman kon zijn handel niet voortzetten. Een boer miste mogelijk de oogst. Door borgstelling toe te staan, bleef de rechtsgang verzekerd zonder dat een gezin onmiddellijk zijn inkomsten verloor.
Zo groeide Enkhuizen stap voor stap uit tot een stad waarin bestuur, handel en dagelijks leven steeds sterker met elkaar verweven raakten.
Terwijl bestuurders vergaderden over rechten, belastingen en rechtspraak, bleven de inwoners doen wat zij al generaties lang deden. Boeren trokken over de Westerstraat naar de markt. Vissers voeren uit zodra de wind gunstig stond. Ambachtslieden repareerden schepen, tonnen en gereedschappen. Vrouwen verzorgden huishouden, kinderen en familiebedrijven. Kinderen speelden langs de sloten en keken nieuwsgierig naar de schepen die aan de kust verschenen.
Niemand kon toen vermoeden dat juist in deze jaren een gebeurtenis naderde die de vorm van Enkhuizen voorgoed zou veranderen. In 1361 zou een zware stormvloed de stad dwingen een beslissing te nemen die belangrijker bleek dan welk handvest ook: de aanleg van een veilige binnenhaven achter de dijk. Daarmee begon de tweede grote fase in de ontwikkeling van het middeleeuwse Enkhuizen.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 6 – De stormvloed van 1361 en de geboorte van de havenstad (1361–1382)
In het jaar 1361 werd de kust van West-Friesland opnieuw getroffen door een zware stormvloed. Voor de bewoners van Enkhuizen was dit geen onbekend verschijnsel. Vrijwel iedere generatie had stormen meegemaakt waarbij de Zuiderzee de dijken op de proef stelde. Toch bleek deze storm een keerpunt in de geschiedenis van de jonge stad. Zij maakte pijnlijk duidelijk dat Enkhuizen, ondanks haar nieuwe stadsrechten, nog altijd kwetsbaar was. Schepen lagen onbeschermd aan de buitendijkse oever, de aanlegplaatsen werden door golfslag beschadigd en bij slecht weer konden schippers nauwelijks veilig laden of lossen.
Juist deze ervaring bracht het stadsbestuur ertoe een ingrijpend besluit te nemen. De stad moest een beschutte binnenhaven krijgen. Niet alleen om de handel te verbeteren, maar ook om de inwoners meer veiligheid te bieden. Daarmee begon een van de belangrijkste waterbouwkundige projecten uit de vroege geschiedenis van Enkhuizen.
De haven werd niet vóór de dijk aangelegd, maar achter de waterkering. Door een watergang vanaf de Zuiderzee naar binnen te graven ontstond een beschutte aanlegplaats waar schepen minder last hadden van wind en golfslag. Via schotdeuren of een afsluitbare opening konden vaartuigen bij gunstige waterstand naar binnen varen. Daarmee werd de stad minder afhankelijk van de grillen van de open zee.
Voor de inwoners betekende dit maanden van zwaar werk. Het graven van een haven gebeurde niet met machines, maar met schoppen, spaden, kruiwagens en houten karren. Grote hoeveelheden klei en zand moesten worden verplaatst. De uitgegraven grond werd gebruikt om oevers te verstevigen of zwakke delen van de dijk op te hogen. Timmerlieden maakten houten beschoeiingen om de nieuwe watergang tegen afkalving te beschermen. Heipalen werden met handkracht de bodem ingeslagen om kaden en bruggen te dragen.
Tijdens deze werkzaamheden bleef het gewone leven doorgaan. Boeren uit Drechterland bleven hun land bewerken. Vissers voeren uit zodra het weer het toeliet. Maar overal in de stad was zichtbaar dat iets nieuws ontstond. Mannen verlieten tijdelijk hun gewone werk om aan de haven te graven. Jongens droegen gereedschap of hielpen bij het afvoeren van grond. Vrouwen brachten eten en drinken naar de werklieden of hielpen mee waar dat mogelijk was. De aanleg van de haven werd een onderneming van de hele gemeenschap.
Toen de nieuwe haven gereedkwam, veranderde onmiddellijk het gezicht van Enkhuizen. Waar schepen vroeger afhankelijk waren van de open kust, konden zij nu beschut achter de dijk liggen. Lading bleef beter droog, reparaties konden veiliger worden uitgevoerd en schippers hoefden minder vaak uit te wijken naar andere havens wanneer het weer omsloeg.
Toch was de nieuwe haven geen groot bassin zoals de latere havens uit de Gouden Eeuw. Zij bleef betrekkelijk smal en ondiep. Vooral kleinere vrachtvaarders en vissersschepen konden er gemakkelijk gebruik van maken. Grotere schepen bleven vaak nog buiten de havenmond voor anker liggen en losten hun vracht met kleinere vaartuigen.
Gerard Brandt schrijft dat vooral smakken en seinschepen de haven konden binnenlopen. Hoewel hij deze beschrijving pas in de zeventiende eeuw opschreef, geeft zij een indruk van de beperkte afmetingen van de eerste haven. De jonge haven was gebouwd voor de scheepvaart van haar eigen tijd en niet voor de veel grotere koopvaarders die eeuwen later zouden verschijnen.
De aanleg van de haven veranderde ook de ruimtelijke ontwikkeling van Enkhuizen. Huizen werden steeds vaker gebouwd langs de nieuwe watergang. Ambachtslieden zochten een plaats dicht bij de aanlegplaatsen. Opslagruimten verschenen langs de kaden en herbergen vestigden zich waar schippers gemakkelijk konden overnachten.
Vanaf de oude Ketenbrug schoof de bebouwing langzaam op langs de haven. De verbinding met de Breedstraat, de Sint-Jansstraat en de Vissersdijk werd steeds belangrijker. De stad groeide niet volgens een vooraf getekend plan. Nieuwe huizen volgden de bestaande dijk, de oude landweg, de sloten en de pas gegraven haven. Daardoor ontstond het langgerekte stratenpatroon dat eeuwenlang kenmerkend zou blijven voor Enkhuizen.
Waterbouw en stadsbouw waren vanaf dat moment één geheel. Iedere uitbreiding van de haven betekende nieuwe huizen. Iedere nieuwe brug veranderde de verkeersroutes. Iedere verbetering van de watergang trok meer handel aan.
Ook het dagelijks leven veranderde merkbaar. Vissers hoefden hun schepen minder vaak op het strand te trekken. Timmerlieden konden vaartuigen beschut repareren. Kooplieden vonden gemakkelijker opslagruimte voor hun goederen. Op de kades klonk het geluid van houten vaten die werden gerold, paarden die karren voorttrokken en schippers die hun vracht verdeelden.
Langzaam ontstond ook een vaste plaats waar grotere schepen konden afmeren. Volgens de overlevering kreeg deze aanlegplaats later de naam Bierhoofd, omdat hier bierschepen hun vaten losten. Bier behoorde in de middeleeuwen tot de dagelijkse voedingsmiddelen. Het was veiliger te drinken dan veel oppervlaktewater en werd daarom door vrijwel iedereen gebruikt. De zware houten biervaten werden vanaf de schepen over planken aan land gerold en vervolgens naar opslagplaatsen en herbergen gebracht.
Bruggen vormden een nieuw onderdeel van de stad. Omdat de gegraven haven de oude landroute doorsneed, moesten verbindingen worden aangelegd. Gerard Brandt vermeldt dat sommige bruggen zo waren gebouwd dat de rijvloer in tijden van oorlog kon worden verwijderd. Daarmee konden vijanden worden tegengehouden zonder het dagelijkse verkeer blijvend te hinderen. Op gewone dagen trokken boeren met hun karren over dezelfde bruggen waarop kinderen stonden te kijken naar de schepen die onder hen door voeren.
Zo kreeg de haven niet alleen een economische functie, maar ook een rol in de verdediging van de stad.
De jaren na 1361 brachten daardoor een fundamentele verandering. Enkhuizen was niet langer uitsluitend een kustplaats aan de Zuiderzee. Zij werd een stad die haar bestaan steeds sterker rond een veilige haven organiseerde. De dijk bleef de bescherming tegen het water, maar achter die dijk ontstond een nieuwe wereld van schepen, handel, bestuur en dagelijks leven.
Deze ontwikkeling bleef ook de Hollandse graven niet ontgaan. Toen Albrecht van Beieren na de ziekte van zijn broer Willem V het bestuur van Holland overnam, zag hij een stad die in korte tijd aanzienlijk sterker was geworden. Dat zou leiden tot nieuwe bevestigingen van de stadsrechten, een uitbreiding van de stedelijke vrijheid en een verdere groei van Enkhuizen als bestuurlijk en economisch centrum van West-Friesland.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 7 – Albrecht van Beieren, nieuwe vrijheden en een groeiende handelsstad (1382–1395)
Toen Willem V van Beieren door zijn geestesziekte niet langer zelf kon regeren, kwam het bestuur van Holland in handen van zijn jongere broer Albrecht van Beieren. Vanaf 1358 trad hij op als ruwaard, de feitelijke bestuurder van het graafschap. Later werd hij officieel graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland. Voor de inwoners van Enkhuizen betekende deze machtswisseling geen breuk met het verleden, maar wel een nieuw moment waarop de rechten van de stad opnieuw moesten worden bevestigd.
Dat was in de middeleeuwen een vanzelfsprekend gebruik. Een stadsrecht bleef niet automatisch voor altijd geldig. Iedere nieuwe landsheer kon privileges bevestigen, uitbreiden of juist beperken. Daarom volgden de bestuurders van Enkhuizen de veranderingen aan het grafelijke hof nauwlettend. Zij wisten dat de toekomst van hun stad niet alleen afhing van een goede haven of een drukke markt, maar ook van de bereidheid van de landsheer om de stedelijke vrijheid te erkennen.
In 1382 bevestigde Albrecht van Beieren de eerder verleende stadsrechten. Daarmee bleef de juridische positie van Enkhuizen onaangetast. Voor de inwoners leek zo'n bevestiging misschien slechts een nieuwe brief op perkament, maar in werkelijkheid gaf zij zekerheid aan iedereen die in de stad woonde of handelde. Kooplieden durfden eerder te investeren wanneer zij wisten dat hun rechten beschermd bleven. Ambachtslieden bouwden werkplaatsen met meer vertrouwen en boeren uit Drechterland bleven hun producten naar de markt brengen omdat de bestaande regels gehandhaafd bleven.
De oude oorkonden werden daarom zorgvuldig bewaard. Zij lagen niet zomaar opgeborgen in een kast, maar vormden het juridische geheugen van de stad. Wanneer een geschil ontstond over belastingen, handel of eigendom, konden de bestuurders de oorspronkelijke handvesten tevoorschijn halen. De zegels van de Hollandse graven bewezen welke rechten Enkhuizen bezat. Een stuk perkament kon soms belangrijker zijn dan een gewapende groep soldaten.
Ondertussen groeide de stad verder. De nieuwe haven trok steeds meer bedrijvigheid aan. Langs de watergang verrezen extra huizen, schuren en opslagplaatsen. Toch bleef Enkhuizen een overzichtelijke gemeenschap. De meeste huizen waren nog altijd van hout gebouwd en tussen de bebouwing lagen open erven, boomgaarden, moestuinen en sloten. Wanneer men de stad vanaf de Zuiderzee naderde, zag men geen dicht opeengepakte bebouwing, maar een langgerekte nederzetting waarin water, groen en huizen elkaar afwisselden.
Iedere ochtend begon ongeveer hetzelfde. Zodra de eerste kerkklokken luidden, kwamen de bewoners in beweging. Boeren uit het achterland trokken met hun karren over de Westerstraat naar de stad. Vissers maakten hun netten los en keken naar de wind voordat zij uitvoeren. Ambachtslieden openden hun werkplaats en herbergen maakten zich gereed voor reizigers en schippers die de nacht in Enkhuizen hadden doorgebracht.
De nieuwe haven bracht steeds meer mensen van buiten naar de stad. Niet alleen inwoners van West-Friesland bezochten Enkhuizen. Ook schippers uit Friesland, Holland en andere Zuiderzeesteden meerden er aan. Daardoor hoorde men op de kades verschillende dialecten en wisselden kooplieden voortdurend nieuws uit over de prijzen van graan, vis, hout en zout. De haven werd daarmee niet alleen een plaats waar goederen werden overgeslagen, maar ook een centrum waar informatie zich verspreidde.
In 1387 kreeg Enkhuizen opnieuw een belangrijke uitbreiding van haar stedelijke vrijheid. Albrecht van Beieren vergrootte het gebied waarbinnen het stadsrecht gold. Volgens de oude oorkonden werd de vrijheid uitgebreid in de richting van Bovenkarspel en langs de kust. Gerard Brandt beschrijft deze uitbreiding later met afstanden in roeden. Hoewel die maten zich niet altijd precies laten vertalen naar het huidige landschap, maken zij duidelijk dat de stad letterlijk meer ruimte kreeg om zich te ontwikkelen.
Die uitbreiding had grote praktische gevolgen. Meer huizen en erven kwamen onder het bestuur van de stad te vallen. Nieuwe bewoners konden poorter worden. De burgemeesters kregen meer verantwoordelijkheid voor het onderhoud van wegen, dijken en watergangen. De schepenen moesten recht spreken over een groter gebied dan voorheen. De stad groeide daardoor niet alleen in oppervlakte, maar ook in bestuurlijke volwassenheid.
Nieuwe bebouwing ontstond niet volgens een strak plan. De huizen volgden de bestaande lijnen van het landschap. De oude dijk bleef de ruggengraat van de nederzetting. De Westerstraat bleef de verbinding met Gommerkerspel en Drechterland. Rond de haven verschenen nieuwe erven waar scheepstimmerlieden, kuipers en andere ambachtslieden dicht bij hun werk wilden wonen. Water en wegen bepaalden samen de vorm van de stad.
De groeiende handel maakte ook betere controle noodzakelijk. Naarmate meer goederen via Enkhuizen werden verhandeld, werd het belangrijk dat maten en gewichten betrouwbaar waren. Dat leidde uiteindelijk tot de oprichting van een Waag.
Rond 1394 kreeg Enkhuizen een officieel waaggebouw op de dijk, in de omgeving van de latere Breedstraat en Koomenstraat. Hier werden goederen gewogen voordat zij verkocht of verder vervoerd werden. Dat beschermde kopers én verkopers. Een eerlijke weging voorkwam ruzies en gaf vertrouwen aan handelaren die van buiten de stad kwamen.
De Waag werd al snel een van de drukste plaatsen van Enkhuizen. Boeren wachtten met hun karren totdat hun boter, kaas of graan aan de beurt was. Schippers zagen hoe hun lading werd gecontroleerd voordat zij opnieuw werd ingeladen of verkocht. De stadsdienaren hielden toezicht op de officiële gewichten, terwijl schrijvers nauwkeurig noteerden welke hoeveelheden waren gewogen en welke rechten daarvoor betaald moesten worden.
Voor de stad betekende dat een nieuwe bron van inkomsten. De opbrengsten van de Waag konden worden gebruikt voor onderhoud aan bruggen, dijken, havenwerken en andere voorzieningen. Handel betaalde zo letterlijk mee aan de verdere ontwikkeling van Enkhuizen.
In dezelfde periode ontstond volgens de stedelijke overlevering ook een gasthuis voor reizigers, armen en zieken. Het was geen ziekenhuis in moderne zin, maar een plaats waar mensen onderdak, voedsel en eenvoudige verzorging konden krijgen. Voor een havenstad was zo'n instelling onmisbaar. Niet iedere schipper kon na een zware reis direct verder varen. Pelgrims, reizigers en behoeftigen vonden er een tijdelijk onderkomen.
Naast het gasthuis stond volgens Gerard Brandt een kapel van Sint Antonius. Reizigers konden er bidden voordat zij de zee opgingen en inwoners zochten er troost wanneer familieleden op reis waren of ziek waren geworden. Handel, zorg en geloof lagen hier letterlijk naast elkaar.
Aan het einde van de veertiende eeuw bezat Enkhuizen daarmee vrijwel alle kenmerken van een volwaardige middeleeuwse stad. Zij had een eigen bestuur, een haven, een Waag, een jaarmarkt, een gasthuis, kerkelijke voorzieningen en een steeds groter netwerk van handelscontacten. Toch zou de stad in de laatste jaren van de eeuw nog één belangrijke ontwikkeling doormaken. Door de Friese oorlogen en de groei van de scheepvaart kreeg Enkhuizen ook een steeds grotere militaire betekenis. Dat leidde tot nieuwe havenuitbreidingen, de bouw van verdedigingswerken en een nog hechtere band met de Hollandse graven. Daarmee werd de basis gelegd voor de vijftiende eeuw, waarin Enkhuizen definitief zou uitgroeien tot een van de belangrijkste steden van West-Friesland.
Enkhuizen in de veertiende eeuw
Een stad krijgt gewicht aan de rand van de Zuiderzee (ca. 1300–1400)
Deel 8 – De laatste jaren van de veertiende eeuw en het fundament voor de toekomst (1395–1400)
Aan het einde van de veertiende eeuw begon Enkhuizen steeds duidelijker de vorm aan te nemen van een echte havenstad. Nog altijd woonden de meeste inwoners in eenvoudige houten huizen met rieten daken en lagen tussen de bebouwing sloten, boomgaarden en open erven. Toch was de stad niet meer te vergelijken met de kwetsbare kustnederzetting van een eeuw eerder. De haven was uitgegroeid tot het middelpunt van het stedelijke leven en trok steeds meer scheepvaart aan. Daardoor werd Enkhuizen niet alleen economisch belangrijker, maar ook van groeiende betekenis voor de Hollandse graven.
Volgens de overlevering vond omstreeks 1395 opnieuw een zware stormvloed plaats. Gerard Brandt verbindt deze storm met een verandering van de vaargeulen voor de kust van Enkhuizen. Hij schrijft dat het water dieper werd, waardoor grotere schepen gemakkelijker de stad konden bereiken. Die uitleg moet voorzichtig worden gelezen. Moderne waterstaatkundige kennis laat zien dat de geulen van de Zuiderzee voortdurend veranderden door stormen, stromingen en het verplaatsen van zand en slib. Waarschijnlijk was de verbetering van de vaarweg het resultaat van een langdurig proces en niet van één enkele storm.
Toch laat Brandts beschrijving zien hoe latere Enkhuizers naar hun verleden keken. Zij geloofden dat de zee niet alleen land afnam, maar hun stad ook nieuwe kansen had gegeven. Een betere vaargeul betekende immers dat grotere schepen dichter bij de haven konden komen en dat de handel gemakkelijker groeide.
Brandt noemt daarbij Hamburg en Lübeck, de grote handelssteden van de Hanze. Dat betekent niet dat Enkhuizen rond 1395 al een vaste plaats innam binnen het Hanzenetwerk, maar wel dat de stad zich steeds sterker op de handelswereld van de Noord- en Oostzee begon te richten. Bier, hout, graan, zout en andere producten bereikten via de Zuiderzee steeds vaker de West-Friese kust. Tegelijk vonden vis, landbouwproducten en ambachtelijke goederen uit Enkhuizen hun weg naar andere havens.
Voor de inwoners werd die groei zichtbaar in het straatbeeld. Op de kades verschenen steeds vaker onbekende gezichten. Schippers uit verschillende streken brachten niet alleen handelswaar mee, maar ook verhalen over oorlogen, prijzen, stormen en nieuwe vaarwegen. De herbergen zaten voller dan vroeger en op de markt werden producten verkocht die enkele tientallen jaren eerder nauwelijks in Enkhuizen waren gezien.
In dezezelfde periode verrees volgens de stedelijke overlevering ook de Engelse Toren. Gerard Brandt vertelt dat Engelse soldaten, die in dienst van de Hollandse graaf stonden, bij de bouw of bewaking betrokken waren en dat de toren daaraan zijn naam ontleende. De exacte oorsprong van de naam is niet meer met zekerheid vast te stellen, maar de toren zelf markeert een belangrijke ontwikkeling. Enkhuizen begon zijn haven steeds beter te beschermen.
De toren stond bij een belangrijke toegang tot de haven en maakte het mogelijk de rede en de havenmond voortdurend in het oog te houden. Wachters konden schepen zien naderen en tijdig alarm slaan wanneer onbekende of vijandige vaartuigen verschenen. In een tijd waarin de stad nog geen volledige stenen vesting bezat, vormde zo'n toren een krachtig verdedigingspunt.
Eeuwen later kreeg hetzelfde bouwwerk de naam Oost-Indische Toren, omdat bewindhebbers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie er bijeenkwamen. Die latere geschiedenis behoort echter tot een heel andere tijd. Aan het einde van de veertiende eeuw was de toren in de eerste plaats een onderdeel van de verdediging van een jonge havenstad.
Ondertussen richtte Albrecht van Beieren zijn aandacht opnieuw op Friesland. In 1396 verzamelde hij een grote vloot om opnieuw over de Zuiderzee naar de Friese kust te varen. Net als tijdens de veldtocht van Willem IV een halve eeuw eerder speelde Enkhuizen daarbij een belangrijke rol.
De haven veranderde opnieuw in een verzamelplaats van schepen, soldaten en voorraden. Over de Westerstraat reden onafgebroken karren met graan, bier, vlees en andere levensmiddelen naar de haven. Smeden herstelden wapens en hoefijzers. Scheepstimmerlieden controleerden de romp van de vaartuigen. Zeilmakers repareerden gescheurde zeilen en touwslagers leverden nieuw touwwerk voor de vloot.
Voor de inwoners betekende dat weken van uitzonderlijke bedrijvigheid. Herbergen zaten overvol. Op de markt werden extra dieren geslacht en brood gebakken. Vrouwen kookten voor grote groepen soldaten en schippers. Kinderen liepen nieuwsgierig langs de kades en zagen tientallen schepen zij aan zij liggen, een beeld dat zij in gewone tijden zelden meemaakten.
Tijdens deze Friese ondernemingen speelde ook Tom Brok, de machtige Oost-Friese hoofdeling, een rol. De politieke verhoudingen aan de overzijde van de Zuiderzee waren ingewikkeld. Bondgenootschappen wisselden regelmatig en plaatselijke hoofdelingen kozen soms de zijde van Holland, maar konden zich later weer tegen de graaf keren. Daardoor waren de Friese oorlogen veel complexer dan een eenvoudige strijd tussen twee gebieden.
Ook Willem van Oostervant, de zoon van Albrecht van Beieren en de latere Willem VI, nam steeds nadrukkelijker deel aan deze expedities. Zo leerde de volgende generatie van het grafelijke huis Enkhuizen eveneens kennen als een vaste uitvalsbasis voor de overtochten naar Friesland.
In 1398 kwam Albrecht opnieuw naar Enkhuizen om naar Oost-Friesland over te steken. De wind werkte echter niet mee. Dagenlang bleef de vloot wachten voordat zij kon vertrekken. Dat laat goed zien hoe afhankelijk zelfs een machtige graaf bleef van de natuur. Niet de landsheer, maar de wind bepaalde uiteindelijk wanneer de schepen konden uitvaren.
Voor Enkhuizen betekende dit opnieuw een enorme druk op de stad. Honderden mensen moesten worden gevoed. Paarden kregen hooi en water. Schepen moesten worden onderhouden zolang zij voor anker lagen. Herbergen en huizen boden onderdak aan bezoekers die langer bleven dan gepland. Tegelijk leverde deze drukte ook inkomsten op. Bakkers, brouwers, slagers, kuipers en vele andere ambachtslieden verdienden aan de aanwezigheid van de vloot.
Juist deze expedities maakten duidelijk dat de eerste binnenhaven inmiddels te klein begon te worden. Wanneer grote aantallen schepen tegelijk voor de stad lagen, ontstond ruimtegebrek. Grotere vaartuigen konden niet allemaal veilig binnen de haven worden opgenomen en moesten buitengaats wachten.
Daarom begon Enkhuizen rond 1400 opnieuw aan uitbreiding van het havengebied. Volgens de stedelijke overlevering ontstond in deze periode de Rommelhaven. Waarschijnlijk ging het niet om één grote aanleg in korte tijd, maar om een geleidelijke verbreding en verbetering van bestaande waterlopen. De nieuwe haven bood meer ruimte aan grotere schepen en verminderde de druk op de oudere binnenhaven.
Met deze uitbreiding sloot Enkhuizen de veertiende eeuw af. De stad beschikte nu over een erkend stadsrecht, een eigen bestuur, meerdere havenwerken, een Waag, een jaarmarkt, een gasthuis, verdedigingswerken en een groeiend handelsnetwerk over de Zuiderzee. De kleine kustnederzetting die rond 1300 nog kwetsbaar en open was geweest, was in een eeuw tijd uitgegroeid tot een jonge stad die haar plaats binnen Holland en West-Friesland had veroverd.
De vijftiende eeuw zou daarop voortbouwen. Niet langer stond alleen het overleven centraal, maar steeds vaker de verdere uitbreiding van handel, haven en stedelijke macht. Het fundament daarvoor was in de veertiende eeuw gelegd door generaties Enkhuizers die hun stad hadden opgebouwd tussen de dijk, het achterland van Drechterland en het altijd veranderende water van de Zuiderzee.
Aan de vooravond van de vijftiende eeuw
Geweld, schipbreuk en collectieve vergelding op de Noordzee, 1397–1400
Enkhuizer schepen voeren al naar Newcastle
In 1393 lagen schepen uit Enkhuizen in Newcastle upon Tyne. De Hemelryk van schipper Robertus Maynardsone vertrok uit de Engelse haven met steenkool in het ruim. Ook de Mariknyght van Johannes Albrightsone nam steenkool mee en vervoerde daarnaast molenstenen. De namen van schip, schipper en thuishaven waren nauwkeurig genoeg vastgelegd om de vaartuigen als Enkhuizer schepen te herkennen.
Daarmee staat vast dat de handel in Enkhuizen aan het einde van de veertiende eeuw al verder reikte dan de Zuiderzee. Enkhuizer schippers kenden de overtocht naar Engeland, verschenen bij de Engelse tolambtenaren en vonden in Newcastle een retourlading die aan deze zijde van de Noordzee kon worden verkocht. Zij maakten deel uit van een veel groter verkeer waarin ook schepen uit Hoorn, Amsterdam, Kampen, Holland, Zeeland en de Duitse kuststeden voeren.
De steenkool uit Newcastle was zwaar, maar het vervoer over water maakte grote partijen mogelijk. De molenstenen waren eveneens moeilijk over land te verplaatsen. In een scheepsruim konden zij over de Noordzee worden gebracht en daarna via de Zuiderzee verder worden verspreid. Op de heenreis namen de schepen andere handelswaar mee. Zo ontstond een doorgaande uitwisseling waarin het vaartuig bij voorkeur in beide richtingen inkomsten opleverde.
Enkele jaren later tonen drie andere zaken hoe kwetsbaar precies deze handelswereld was. Een schip uit Schiedam werd tijdens de overtocht met geweld overgenomen. Een Kamper kogge verging aan de Engelse kust, waarna de overlevende schipper zijn lading en scheepsuitrusting zag verdwijnen. Een onbetaalde schuld van twee Hollandse kooplieden leidde ten slotte tot maatregelen die iedere Hollandse en Zeeuwse schipper in Engeland konden treffen.
Enkhuizen wordt in deze drie conflicten niet afzonderlijk genoemd. Toch waren de gevaren voor een Enkhuizer schip niet anders. Dezelfde storm kon het op een vreemde kust werpen. Hetzelfde Engelse arrestatiebevel kon de bemanning in een haven vasthouden. De gebeurtenissen van 1397 tot 1400 vormen daarom een passende afsluiting van het veertiende-eeuwse verhaal. Zij laten zien onder welke omstandigheden de zeehandel van Enkhuizen de nieuwe eeuw binnenging.
De zee was niet het enige gevaar
Een middeleeuwse handelsreis begon ruim voordat een schip de haven verliet. Er moest voldoende lading worden gevonden en er moesten afspraken worden gemaakt over het vervoer. De schipper kon eigen goederen meenemen, maar in zijn ruim kon ook koopwaar van anderen liggen. Daardoor vertegenwoordigde een geladen schip vaak verschillende belangen.
Wanneer de reis goed verliep, werden de goederen in de buitenlandse haven gelost en verkocht. Daarna zocht de schipper een nieuwe lading voor de terugvaart. Wanneer onderweg iets misging, ontstond echter onmiddellijk de vraag wie het verlies moest dragen. De schipper kon eigenaar zijn van het vaartuig zonder eigenaar te zijn van alle koopwaar. Een handelaar kon zijn volledige investering verliezen terwijl hij zelf veilig thuis was gebleven.
Ook de rechtsmacht was verdeeld. Een Hollandse schipper die in Engeland werd beroofd, kon niet eenvoudig zijn eigen stadsbestuur laten ingrijpen. Hij moest bescherming of rechtsherstel vragen aan de Engelse kroon en aan de bestuurders van de haven of het graafschap waar de gebeurtenis had plaatsgevonden. Een bevel uit Westminster kon een onderzoek openen, maar schip en goederen moesten daarna nog werkelijk worden teruggevonden.
De gebeurtenissen rond de Seynt Marie van Schiedam laten zien hoe snel een gewone vervoersafspraak kon veranderen in een langdurig conflict over moord, gevangenschap, verspreide koopwaar en de uiteindelijke verkoop van het schip.
Thomas Patrick stapt in Schiedam aan boord
In het najaar van 1398 lag de Seynt Marie van Willem Woutersz. in Schiedam gereed voor vertrek. Het schip was bevracht en zou naar Engeland varen. Voordat Willem Woutersz. de reis begon, meldde Thomas Patrick zich met enkele mannen uit Friesland. Hij kwam met de Schiedamse schipper overeen dat zij naar Engeland mochten meevaren.
Het was op zichzelf geen uitzonderlijke afspraak. Een schip dat toch zou vertrekken, kon behalve goederen ook reizigers meenemen. Voor de schipper leverde dat extra inkomsten op. Thomas Patrick en zijn gezellen kwamen echter niet veilig als gewone passagiers aan de overzijde aan.
Tijdens de overtocht keerden zij zich tegen de bemanning. Een deel van de opvarenden werd gedood. De mannen die in leven bleven, werden bij Portland aan de Engelse zuidkust van boord gezet. Thomas Patrick en zijn medestanders hadden daarmee de macht over het schip en de lading overgenomen.
Het geweld beperkte zich niet tot het doden en verdrijven van de bemanning. De koopwaar werd naar verschillende Engelse havens gebracht. Daardoor raakte de lading verspreid. Zolang goederen in één schip bijeenbleven, kon een eigenaar proberen het gehele vaartuig te laten arresteren. Zodra de lading was gelost en verdeeld, moest iedere partij afzonderlijk worden opgespoord.
De koopwaar kon bovendien snel in andere handen terechtkomen. Iemand die een partij goederen kocht, kon later beweren niet te hebben geweten dat zij met geweld was verkregen. Voor Willem Woutersz. en de betrokken kooplieden werd het daardoor steeds moeilijker hun eigendom aan te wijzen en terug te krijgen.
Richard II laat naar schip en lading zoeken
De zaak bereikte koning Richard II. Op 10 oktober 1398 schreef hij vanuit Westminster aan John Brandon, Richard St. Ives en Martin Jonessone. Zij kregen opdracht Thomas Patrick te arresteren en hem voor de koninklijke Raad te brengen.
Ook de Seynt Marie moest worden opgespoord. De verspreide lading mocht niet blijven liggen in de verschillende Engelse havens waar zij terechtgekomen was. Wat werd teruggevonden, moest naar Londen worden gebracht.
Daarmee werd de gewelddadige overname van het Schiedamse schip een zaak van de Engelse kroon. Het bevel betekende echter nog niet dat Willem Woutersz. onmiddellijk over zijn schip of goederen kon beschikken. Eerst moest Thomas Patrick worden gevonden. Daarna moesten de verschillende delen van de lading worden herkend, verzameld en onder bewaking naar Londen worden gevoerd.
De bron laat niet zien dat dit proces snel of volledig slaagde. Vier maanden later was het conflict nog altijd niet afgerond. Toen moest de Raad van hertog Albrecht van Beieren bepalen hoe de overgebleven goederen, gemaakte kosten en mogelijke betalingen onder de betrokkenen moesten worden verdeeld.
De Raad van hertog Albrecht grijpt in
Op 14 februari 1399 kwam de nasleep van de reis voor de Raad van hertog Albrecht. Aan de ene zijde stonden Willem Woutersz. en Willem Hugenz., beiden poorters van Schiedam. Aan de andere zijde stonden de kooplieden Lambrecht Bellens en Jan van Peelt.
Ook andere kooplieden en inwoners van Schiedam hadden belangen in de lading. De Raad moest daarom niet alleen vaststellen wie gelijk had in een eenvoudig geschil tussen twee partijen. Er moest een bredere afrekening worden gemaakt van wat na de gewelddadige reis nog over was.
De overgebleven goederen moesten eerlijk onder de belanghebbenden worden verdeeld. Voordat dat kon gebeuren, moesten eerst de kosten worden afgetrokken die door de gevangenschap van Willem Woutersz. waren ontstaan. Kennelijk was de schipper tijdens of na de overname van zijn schip enige tijd vastgehouden.
Daarnaast waren andere uitgaven gedaan om de goederen te bewaren, terug te krijgen of te beheren. Ook die bedragen moesten uit het gezamenlijke bezit worden betaald voordat het restant kon worden verdeeld.
De schade bestond dus niet alleen uit de geroofde of verdwenen lading. De gevangenschap van de schipper had geld gekost. Het zoeken naar schip en koopwaar bracht nieuwe uitgaven mee. Iedere stap die nodig was om een deel van het bezit terug te krijgen, verkleinde tegelijk het vermogen dat uiteindelijk nog onder de kooplieden kon worden verdeeld.
De onzekere betaling van een Engelse koopman
Lambrecht Bellens en Jan van Peelt brachten voor de Raad nog een andere som ter sprake. Een Engelse koopman zou aan de poorters van Schiedam 120 nobels hebben toegezegd.
De Raad bepaalde dat alles wat van dit bedrag al was ontvangen of later nog zou binnenkomen, onder de betrokken kooplieden moest worden verdeeld. Er gold echter een belangrijke voorwaarde. De betaling mocht geen betrekking hebben op goederen die al waren opgenomen in een schriftelijk overzicht dat de Schiedammers aan de Raad hadden overhandigd.
Die bepaling voorkwam dat dezelfde schade tweemaal werd meegerekend. Wanneer de 120 nobels een vergoeding vormden voor reeds geregistreerde goederen, konden zij niet nogmaals als een zelfstandige opbrengst worden verdeeld.
De uitspraak toont hoe ingewikkeld de financiële nasleep was geworden. Er waren teruggevonden goederen, kosten wegens de gevangenschap van de schipper, uitgaven voor het beheer van de bezittingen en een mogelijke betaling uit Engeland. Daarnaast bestond het schip zelf nog als afzonderlijk vermogen.
De Seynt Marie moet worden verkocht
De Seynt Marie was op het moment van de uitspraak nog niet teruggekeerd. Het schip was nog buitengaats. Zodra het binnenkwam, moest het worden verkocht.
De opbrengst ging niet eenvoudig volledig naar Willem Woutersz. De verschillende kooplieden hadden ieder een belang in de reis. Daarom moest de waarde van het schip worden gebruikt om hen naar verhouding van hun aandeel te compenseren.
Het vaartuig was daarmee veranderd van het middel waarmee winst moest worden gemaakt in een bezit dat moest worden verkocht om geleden schade af te wikkelen. De reis naar Engeland eindigde niet met een markt en een succesvolle retourlading, maar met een juridische verdeling van wat na geweld en gevangenschap nog resteerde.
Voor de geschiedenis van de handel is juist dat van belang. Een schip was niet alleen een houten romp met mast en zeil. Het was ook een samenkomst van kapitaal, koopwaar en afspraken. Zodra de reis mislukte, moesten al die belangen opnieuw van elkaar worden gescheiden.
De Mariecogge vergaat bij Blakeney
Terwijl de zaak van de Seynt Marie nog werd afgewikkeld, bereikte de Engelse overheid een klacht van Jan Overdyk. Hij was schipper op de Mariecogge van Kampen en vervoerde Schonense haring.
De haring kwam uit het gebied rond Schonen, in het zuiden van het huidige Zweden. De vangst en handel daar waren verbonden met de routes door de Oostzee en over de Noordzee. De lading van Jan Overdyk had dus al een lange weg afgelegd voordat het schip de Engelse kust bereikte.
In de omgeving van Blakeney, aan de kust van Norfolk, leed de Mariecogge schipbreuk. Jan Overdyk en elf van zijn dienaren wisten levend het land te bereiken. De redding van de bemanning betekende echter niet dat ook het bezit veilig was.
Volgens de petitie van de schipper maakten bewoners uit de omgeving zich meester van de lading. Ook de tuigage van het schip werd weggenomen. Daarmee verdwenen niet alleen de handelsgoederen, maar ook onderdelen die nodig waren om het vaartuig te bergen of te herstellen.
De schade werd zo groter dan de oorspronkelijke gevolgen van de stranding. Zelfs wanneer de romp nog bruikbaar was geweest, maakte het verlies van zeilen, touwen en andere uitrusting een terugkeer in de vaart moeilijker.
De Engelse kroon opent een onderzoek
Op 27 januari 1399 gaf de Engelse kroon opdracht de klacht van Jan Overdyk te onderzoeken. John Gourney, sheriff van Norfolk, en zes andere aangewezen personen moesten vaststellen wat bij Blakeney was gebeurd.
De verklaring van de Kamper schipper werd niet zonder nader onderzoek als vaststaand feit beschouwd. De plaatselijke functionarissen moesten nagaan welke goederen waren meegenomen en wie daarvoor verantwoordelijk kon worden gehouden.
Voor Jan Overdyk begon daarmee een tweede strijd. Eerst had hij met zijn dienaren de schipbreuk moeten overleven. Daarna moest hij tegenover Engelse bestuurders aantonen dat de aangespoelde en weggehaalde goederen nog altijd aan hem of aan de kooplieden achter de lading toebehoorden.
De bewoners van de kust konden beweren dat zij materiaal uit zee hadden geborgen. De schipper kon daartegenover stellen dat zijn bezit zonder toestemming was geroofd. Het verschil tussen hulp bij een berging en toe-eigening van een wraklading moest door het onderzoek duidelijk worden gemaakt.
Haring was bovendien gemakkelijk te verspreiden. Zodra de vaten van de kust verdwenen, konden zij worden geopend, verplaatst of verkocht. Iedere dag die voorbijging, maakte het moeilijker de volledige lading bijeen te brengen.
Overleven betekende nog geen redding
De zaak bij Blakeney maakt duidelijk waarom een buitenlandse kust voor een schipbreukeling een onzekere plaats bleef. Jan Overdyk en zijn elf dienaren hadden het directe gevaar van de zee overleefd. Zij waren echter zonder de bescherming van hun eigen stad en zonder een bruikbaar schip aan land gekomen.
Hun eigendomsrechten bestonden op papier, maar moesten ter plaatse worden afgedwongen. Daarvoor waren de sheriff, de onderzoekers en uiteindelijk de Engelse kroon nodig. Een bevel kon een onderzoek openen, maar ook hier moesten de verdwenen goederen nog worden gevonden.
Dezelfde kwetsbaarheid gold voor een schipper uit Enkhuizen. De kust van Engeland was niet alleen een bestemming waar handel werd gedreven. Zij kon ook de plaats worden waar een volledige reis eindigde en waar een bemanning afhankelijk werd van vreemde bestuurders en bewoners.
Een schuld uit Leiden en Delft
Het derde conflict ging niet over geweld aan boord of een schipbreuk. De aanleiding was een grote onbetaalde schuld.
John de Waghen, koopman uit Beverley, had geld tegoed van Pelegrinus Florensone en Dedericus Jacobsone. Pelegrinus werd als koopman met Leiden verbonden; Dedericus kwam uit Delft. Samen waren zij 852½ Engelse nobels en 22 pence verschuldigd.
John de Waghen had geprobeerd in Holland betaling te krijgen. Dat leverde niets op. Ook koning Richard II had hertog Albrecht gevraagd de Engelse koopman rechtsherstel te geven. Toen de schuld onbetaald bleef, richtte de Engelse reactie zich niet langer uitsluitend tegen de twee schuldenaren.
In januari 1397 werd bevolen dat kooplieden en schippers uit Holland en Zeeland met hun goederen konden worden aangehouden. Het bezit van andere Hollanders en Zeeuwen werd zo gebruikt om druk uit te oefenen in een zaak waarbij zij persoonlijk niet betrokken waren.
Een schipper hoefde Pelegrinus of Dedericus niet te kennen. Hij hoefde ook geen deel te hebben gehad aan hun handel. Zijn herkomst was voldoende om hem tot doelwit van de maatregel te maken.
Handelaren worden collectief verantwoordelijk gehouden
Het bevel van 1397 trof daadwerkelijk andere kooplieden. In Londen werd beslag gelegd op Hollandse en Zeeuwse schepen en goederen. De maatregel liep echter tegen de behoeften van de Engelse markt aan.
Daarom werd later ruimte gemaakt voor schepen die paling en bier aanvoerden. De Engelse overheid wilde Holland onder druk zetten, maar wilde tegelijk voorkomen dat de eigen bevolking belangrijke levensmiddelen misliep.
Deze uitzondering laat zien hoe nauw vergelding en handel met elkaar verweven waren. Een koning kon buitenlandse schepen laten arresteren, maar moest rekening houden met de gevolgen voor de bevoorrading van zijn eigen steden. De economische afhankelijkheid tussen beide zijden van de Noordzee beperkte daardoor de ruimte voor een volledige handelsblokkade.
Voor Hollandse schippers bleef de situatie onzeker. Zij konden met een legale en gewenste lading aankomen en toch eerst onder een algemeen arrest vallen. Pas daarna kon een uitzondering of vrijgeleide worden verleend.
Hendrik IV herhaalt de maatregel
Toen Hendrik IV in 1399 koning van Engeland werd, was de schuld aan John de Waghen nog steeds niet voldaan. Op 27 oktober gaf hij zijn admiraals, ambtenaren en overige onderdanen opnieuw opdracht kooplieden en schippers uit Holland en Zeeland met hun goederen aan te houden.
Het eerdere verzoek van Richard II aan hertog Albrecht had geen betaling opgeleverd. Vanuit Engels perspectief had het Hollandse bestuur voldoende tijd gehad om rechtsherstel te bieden. Daarom werd de toegang tot de Engelse handel opnieuw als drukmiddel gebruikt.
Het arrestatiebevel kon ook Enkhuizer kooplieden en schippers raken. Zij behoorden tot Holland en bezochten aantoonbaar Engelse havens. Een Enkhuizer schip dat in Newcastle, Lynn of een andere Engelse haven aankwam, kon daardoor worden vastgehouden vanwege een schuld uit Leiden en Delft.
Dat maakt de zaak rechtstreeks relevant voor de geschiedenis van Enkhuizen. Niet omdat een concreet Enkhuizer schip in dit document wordt genoemd, maar omdat de maatregel alle Hollandse zeevaarders omvatte. De veilige toegang tot Engeland hing mede af van conflicten die ver buiten Enkhuizen waren ontstaan.
Vrijgeleide was geen overbodig papier
De schuldzaak verklaart waarom bepalingen tegen arrest wegens andermans schulden zo belangrijk waren. Wanneer een koopman alleen voor zijn eigen verplichtingen aansprakelijk werd gehouden, kon hij met meer vertrouwen naar een buitenlandse markt reizen. Zonder zo’n bescherming droeg hij het risico dat het gedrag van iedere andere Hollander tegen hem werd gebruikt.
Vrijgeleiden en handelsverdragen waren daarom geen formaliteiten rond een verder vrije zeehandel. Zij boden bescherming tegen een systeem van collectieve vergelding. Een vorst kon vastleggen dat een koopman niet mocht worden aangehouden zolang hij de gewone tollen betaalde en zelf geen schuld had.
Die bescherming bleef afhankelijk van politieke verhoudingen. Een nieuw conflict kon een bestaand vrijgeleide aantasten. Een havenbestuurder kon twijfelen aan de herkomst of papieren van een schip. De schipper moest dan wachten tot een hogere bestuurder duidelijkheid gaf.
Drie reizen, drie vormen van verlies
De Seynt Marie, de Mariecogge en de schuld aan John de Waghen laten verschillende kanten van dezelfde handelswereld zien.
Willem Woutersz. verloor de macht over zijn schip door geweld van mensen die hij zelf als passagiers had toegelaten. Een deel van de bemanning werd gedood, de overlevenden werden bij Portland achtergelaten en de lading werd over verschillende Engelse havens verspreid. Daarna volgden gevangenschap, kosten en een ingewikkelde verdeling van wat nog kon worden teruggevonden.
Jan Overdyk verloor zijn schip bij Blakeney. Hij bereikte met elf dienaren levend de kust, maar zag vervolgens de haring en de uitrusting van de Mariecogge verdwijnen. De zee had het schip getroffen; het handelen van mensen aan de kust vergrootte daarna het verlies.
De Hollandse en Zeeuwse schippers die vanwege John de Waghen werden aangehouden, hoefden zelf geen schipbreuk te lijden en geen geweld aan boord te ondervinden. Zij werden getroffen door een schuld van anderen en door een politiek systeem waarin koopwaar als dwangmiddel kon worden gebruikt.
In ieder geval moest een vorst of raad ingrijpen. Richard II liet naar Thomas Patrick, de Seynt Marie en haar lading zoeken. De Raad van hertog Albrecht bepaalde hoe de overgebleven bezittingen moesten worden verdeeld. De Engelse kroon opende een onderzoek naar de klacht van Jan Overdyk. Hendrik IV gebruikte arrestatie om betaling voor John de Waghen af te dwingen.
Geen van deze besluiten maakte de schade direct ongedaan. Zij tonen vooral hoe moeilijk het was om orde te brengen in een handelswereld die verschillende steden, landen en rechtsgebieden met elkaar verbond.
De veertiende eeuw eindigt niet aan de kade
Zo eindigde de veertiende eeuw niet met het stilvallen van de zeehandel. De routes bleven bestaan. De Enkhuizer reizen naar Newcastle uit 1393 stonden niet op zichzelf. Ondanks geweld, schipbreuk en arrestaties bleven schepen uit Holland, Zeeland en het Zuiderzeegebied Engeland bezoeken.
Begin 1400 werd een deel van de eerder vastgehouden vaart weer vrijgegeven. Op 23 februari beval Hendrik IV dat schepen uit Sluis, Veere, Rotterdam en Wijk aan Zee Great Yarmouth mochten verlaten. Op 14 maart volgde in Lynn een nieuwe groep. Daaronder bevonden zich verschillende grote Hollandse schepen, waarvan sommige de naam Marieknyght droegen. Zij mochten ondanks eerdere bevelen vertrekken waarheen zij wilden.
De handelsstroom herstelde zich dus niet in één keer. Schip voor schip en haven voor haven werd het arrest opgeheven. De bemanningen die weken of maanden hadden moeten wachten, konden hun reis hervatten.
Kort daarna werden ook twee Hoornse schepen in Newcastle aangehouden. De Engelse bestuurders dachten dat de schippers uit Friesland kwamen. Vanuit Westminster moest worden uitgelegd dat Hoorn in Holland lag en dat de mannen na betaling van de gewone rechten mochten vertrekken.
Daarmee liep het veertiende-eeuwse verhaal rechtstreeks door in de vijftiende eeuw. De handel begon niet opnieuw in 1400. De bestaande schepen, contacten en risico’s bleven aanwezig. Enkhuizen ging de nieuwe eeuw in als een stad waarvan vaartuigen de route naar Engeland al kenden, maar waarvan de zeevaarders nooit volledig zeker konden zijn dat een rechtmatige lading ook veilig thuis zou komen.
Bronverantwoording
Dit slothoofdstuk is opgebouwd uit de documenten over de Enkhuizer vaart op Newcastle in de laatste jaren van de veertiende eeuw en uit de bronnen 754, 756, 757 en 758 over de Seynt Marie, de Mariecogge en de schuld aan John de Waghen. Voor de voorgeschiedenis van de collectieve arrestaties zijn ook de eerdere stukken uit 1397 gebruikt. De vrijlatingen van februari en maart 1400 vormen de overgang naar het vijftiende-eeuwse verhaal.
De gebruikte documenten zijn opgenomen in H.J. Smit, Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland, Schotland en Ierland, eerste deel, eerste stuk, 1150–1435, uitgegeven in 1928. De bronnenuitgave schrijft het onderzoeksbevel van 27 januari 1399 toe aan Hendrik IV, hoewel hij pas later dat jaar koning werd. Daarom is in de lopende tekst de neutralere aanduiding de Engelse kroon gebruikt.