Wijdenes — van Fries ontginningsdorp tot gemeenschap tussen Hoorn en de Zuiderzee

Een dorp dat door land, water en mensen werd gemaakt

Wijdenes ligt in het zuidoosten van West-Friesland, tussen Schellinkhout, Hem en Oosterleek. Ten zuiden van het dorp ligt het water dat eeuwenlang de Zuiderzee heette, na 1932 deel werd van het IJsselmeer en sinds de afsluiting door de Houtribdijk tot het Markermeer behoort. Tussen het dorp en dat water ligt de Zuiderdijk, onderdeel van de Westfriese Omringdijk. Achter de dijk strekken zich de sloten, tochten, weilanden, boomgaarden en boerderijerven van Drechterland uit.

Op het eerste gezicht lijkt Wijdenes een rustig, langgerekt lintdorp. Onder de huidige bebouwing liggen echter vele perioden over elkaar heen. In de bodem bevinden zich oude landschapslagen uit de Bronstijd, gevolgd door een twaalfde-eeuwse ontginningssloot, middeleeuwse ophogingen, een woonterp, huisvloeren, waterputten, dierbegravingen en resten van latere boerderijen. Voor de kust liggen onder het Markermeer de teruggevonden resten van een laat-dertiende-eeuwse burcht die met de strijd tussen Floris V en de West-Friezen verbonden was. Aan de haven leefden vissers en schippers. Op de landerijen werkten boeren, knechten, dienstmeiden, tuinders en later bloembollenkwekers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vormde boerderij Sally een geheime schakel in het gewapende verzet. Het archeologische onderzoek aan Kerkbuurt 13 bracht veel van deze lagen op één erf samen.

Het verhaal van Wijdenes begint daarom niet bij één oorkonde, één kasteel of één dorpsbestuur. Het begint bij het landschap en bij de mensen die dat landschap gebruikten, veranderden en beschermden.

Het landschap vóór Wijdenes

Onder Wijdenes ligt een bodem die door duizenden jaren van waterbeweging is gevormd. Na de laatste ijstijd stegen de zee en het grondwater. Op het oude dekzand ontstond veen. Daarna zette het getij zand en klei af in een gebied van geulen, kwelders, lagunes en wadplaten.

De geulen verlegden geregeld hun loop. Toen zij later droogvielen, klonken hun zandige bodems minder sterk in dan de klei- en veengronden ernaast. Daardoor kwamen voormalige geulen uiteindelijk als iets hogere ruggen in het landschap te liggen. Dit proces wordt reliëfinversie genoemd. De hoogteverschillen bedroegen vaak niet meer dan enkele decimeters, maar in een nat gebied kon dat het verschil betekenen tussen bewoonbaar en onbewoonbaar land.

Het vergelijkende onderzoek naar Almersdorp laat zien dat de rug bij Zwaag en Wijdenes lager lag dan die bij Opperdoes en Medemblik. In de Late Bronstijd breidden meren zich uit en veroorzaakten kleine stijgingen van het waterpeil al grote overstromingen. Bewoners wierpen kleine huisterpen op, maar omstreeks 800 voor Christus werd een groot deel van oostelijk West-Friesland verlaten. De veengroei ging daarna door tot aan de middeleeuwse ontginningen.

Bronstijdboeren op de West-Friese bodem

Lang vóór het huidige Wijdenes ontstond, werd oostelijk West-Friesland al door boeren gebruikt. In de Midden- en Late Bronstijd lagen in deze streek boerderijen, akkers, weiden en greppelsystemen. Mensen hielden runderen en schapen, verbouwden graan en richtten hun omgeving doelbewust in.

Bij Kerkbuurt 13 werd onder de middeleeuwse lagen een oud bodemniveau aangetroffen dat met het landschap van de Bronstijd samenhing. In het volledige archeologische onderzoek wordt bovendien rekening gehouden met een diep spoor dat mogelijk het onderste deel van een oudere greppel vormde. Op het beperkte onderzoeksterrein kwamen echter geen overtuigende resten van een volledig bronstijds boerenerf of een herkenbare huisplattegrond tevoorschijn.

De plek kan in die vroege periode als akker, weiland of deel van een groter agrarisch landschap zijn gebruikt. Het ontbreken van een huis betekent niet dat er geen bewoning in de omgeving was. Het betekent vooral dat het onderzochte terrein waarschijnlijk niet samenviel met de eigenlijke plaats van een bronstijdboerderij.

Deze vroege boeren waren nog niet de bewoners van het middeleeuwse dorp Wijdenes. Toch vormden zij het eerste bekende hoofdstuk van het menselijke gebruik van de grond waarop het dorp later zou groeien.

West-Friesland was werkelijk Fries gebied

In de vroege en volle middeleeuwen maakte het latere Wijdenes deel uit van het Friese kustgebied. Friesland was toen niet beperkt tot de huidige provincie Fryslân. Ook grote delen van Noord-Holland ten noorden van het IJ werden door Friese gemeenschappen bewoond.

De bewoners van Drechterland waren West-Friezen. Zij hadden hun eigen rechtsgewoonten, leefden in plaatselijke gemeenschappen en stonden lange tijd slechts in beperkte mate onder het daadwerkelijke gezag van de graven van Holland. Die graven claimden wel rechten over het gebied, maar konden die aanspraken vóór het einde van de dertiende eeuw niet overal afdwingen.

Kerkelijk viel de streek onder het bisdom Utrecht. Dat betekende dat de bisschop geestelijk gezag uitoefende via parochies, priesters, tienden en kerkelijke rechtspraak. Het betekende niet dat de bisschop persoonlijk eigenaar was van iedere akker en ieder weiland.

Ook van de graaf van Holland kan niet zonder bewijs worden gezegd dat hij het hele veengebied rond Wijdenes bezat en het vervolgens als ontginningsgrond uitgaf. Voor Wijdenes is geen grafelijke ontginningsakte bekend. Evenmin is een klooster aangetoond dat de eerste inrichting van het dorp leidde. De archeologie toont wel dát er werd ontgonnen, maar niet dat een graaf, bisschop of abdij daartoe de opdracht gaf.

Het waarschijnlijkste beeld is daarom dat West-Friese boerenfamilies uit oudere nederzettingen in Drechterland hun gebruik van het veengebied stap voor stap uitbreidden. Zij groeven sloten, verdeelden het land, legden erven aan en droegen hun gebruiks- en bezitsrechten binnen families over.

De grote veenontginning

Vanaf ongeveer 900 begon in Noord-Holland een grootschaliger ontginning van het veen. Door bevolkingsgroei was meer landbouwgrond nodig. Natuurlijke veenriviertjes werden uitgediept en vanaf deze waterlopen groef men rechte afwateringssloten het veen in.

Het veen had aanvankelijk een vruchtbare bovenlaag die geschikt was voor akkerbouw. De ontginners legden lange strokenkavels aan en bouwden hun boerderijen op de hogere delen van het veengebied. De ontginning begon vermoedelijk eerder rond Medemblik en breidde zich daarna zuidwaarts uit. Het gebied rond Hoorn, Schellinkhout en Wijdenes wordt in het archeologische onderzoek als een van de laatste grote ontginningszones beschouwd. Daar vond de systematische inrichting waarschijnlijk vooral in de twaalfde eeuw plaats.

Deze ontwikkeling maakt duidelijk dat de eerste bewoners van het middeleeuwse Wijdenes waarschijnlijk West-Friese ontginners waren. Zij waren geen vreemde kolonisten die pas door de graaf naar een leeg gebied werden gestuurd. Zij maakten deel uit van een bestaande regionale bevolking die haar landbouwgebied uitbreidde.

De twaalfde-eeuwse sloot onder Kerkbuurt 13

De duidelijkste archeologische aanwijzing voor het ontstaan van Wijdenes kwam tevoorschijn bij Kerkbuurt 13. Daar vonden archeologen delen van een sloot die haaks op de huidige Kerkbuurt was gegraven.

Uit de sloot kwamen tientallen fragmenten middeleeuws aardewerk. Het betrof lokaal kogelpotaardewerk en geïmporteerd Rijnlands aardewerk, waaronder Pingsdorf- en Paffrathachtige waar. Een deel kan nog uit de elfde eeuw stammen, maar het geheel wijst vooral op de twaalfde eeuw en de periode rond 1200.

Ook werd een loden spinlood gevonden, dat werd gebruikt om een spintol te verzwaren. Daarmee werd wol of een plantaardige vezel tot draad gesponnen. Het kleine voorwerp toont dat naast het zware werk van ontginnen, graven en boeren ook textielproductie tot het dagelijkse huishouden behoorde.

De sloot wordt geïnterpreteerd als een ontginningssloot. Het hoger gelegen gedeelte dat ooit door het veen liep, verdween later doordat het ontwaterde veen oxideerde. Alleen het diepste deel bleef onder jongere lagen bewaard. Het spoor toont dat de omgeving van Wijdenes in de twaalfde eeuw systematisch werd ingericht.

In dezelfde eeuw begon men waarschijnlijk ook de hogere lijn van de latere Kerkbuurt als bewoningsgebied te gebruiken. Het erf werd vervolgens in verschillende fasen opgehoogd. Na 1200 ontstond een duidelijker woonerf dat in de dertiende en veertiende eeuw verder werd uitgebreid en vernieuwd.

Turf: bruikbaar, maar geen bewezen hoofdindustrie

Het veen kon als brandstof worden gebruikt. Afgestoken en gedroogd veen werd turf. Turf was waardevol voor huishoudens, bakkerijen, brouwerijen en ambachtelijke bedrijven. Het ligt daarom voor de hand dat bewoners van Wijdenes in de vroege ontginningsperiode plaatselijk turf gebruikten.

Toch is geen bewijs gevonden dat Wijdenes een groot commercieel turfcentrum was. De oorspronkelijke veenlaag verdween niet alleen door afgraving, maar vooral door ontwatering, oxidatie en bodemdaling. Het is mogelijk dat een overschot aan turf per schuit naar omliggende dorpen, Hoorn of Enkhuizen ging, maar concrete Wijdenesser turfregisters of omvangrijke verveningscomplexen zijn in de geraadpleegde bronnen niet aangetoond.

In het verhaal van Wijdenes hoort turf daarom thuis als een vroege natuurlijke hulpbron en brandstof, niet als bewezen belangrijkste exportproduct.

De ontginning liet de bodem zakken

De afwateringssloten maakten het veen bruikbaar, maar veroorzaakten tegelijkertijd een nieuw probleem. Wanneer veen uitdroogt, komt het in aanraking met zuurstof. Het verteert, krimpt en zakt. Daardoor kwam het maaiveld steeds lager te liggen.

Akkerbouw werd moeilijker. Sloten moesten worden verdiept, erven opgehoogd en kaden versterkt. Het land dat door ontginning was gewonnen, werd steeds afhankelijker van georganiseerd waterbeheer.

Bij Kerkbuurt 13 werd in de periode rond 1200–1250 een vroege ophogingslaag aangebracht. Het terrein lijkt in een deel van deze fase nog als akker, weiland of overgangsgebied tussen landbouwgrond en bewoning te zijn gebruikt.

Een grote kuil kan een daliekuil zijn geweest. Daaruit werd kalkhoudende klei gewonnen, die door de zure veenbodem werd gemengd om het land geschikter te maken voor akkerbouw. De klei was daarmee een plaatselijke bodemschat met praktische agrarische waarde.

Het gebruik van zulke klei laat zien dat de bewoners niet passief afwachtten wat de bodem hun gaf. Zij probeerden de grond doelbewust te verbeteren en aan te passen aan hun behoefte aan akkers en voedselproductie.

De Kerkbuurt als ruggengraat van het dorp

De Kerkbuurt lag waarschijnlijk op een relatief hoge lijn in het landschap. Zij functioneerde niet alleen als weg, maar mogelijk ook als ontginningsas en binnenwaterkerende kade.

Langs deze hogere lijn konden erven veiliger worden aangelegd. In de tweede helft van de dertiende eeuw werd het terrein bij Kerkbuurt 13 opnieuw opgehoogd. Er ontstond een woonterp met sloten aan de zuid- en oostzijde. De terp was minstens ongeveer twaalf bij 38 meter groot.

Op de ophoging lagen dunne kleivloeren, afgewisseld met een donkere gebruikslaag. Zij wijzen op een huis dat herhaaldelijk werd schoongemaakt, hersteld of opnieuw bevloerd. Het gebouw stond vermoedelijk evenwijdig aan de Kerkbuurt en werd vooral tussen ongeveer 1250 en 1325 gebruikt.

Uit een kuil kwamen onder meer een bijna complete kogelpot, een kleiner potje, een kan met lintoor en een klopsteen. Deze vondsten tonen het dagelijkse leven op een middeleeuws erf: koken, voedsel bewaren, spinnen, repareren, vee verzorgen en land bewerken.

De ontwikkeling van afzonderlijke opgehoogde erven langs een hogere ontginningsas past bij de groei van een langgerekt West-Fries lintdorp. Wijdenes ontstond niet als een compact dorp rond een plein, maar als een reeks erven die door dezelfde weg, dezelfde waterhuishouding en uiteindelijk dezelfde kerkelijke en bestuurlijke gemeenschap met elkaar verbonden raakten.

De naam Wijdenes

De plaatsnaam kwam in oude vormen voor als Widenisse, Widenes en Wijdenesse. De sterkste naamkundige verklaring verbindt het tweede deel met nes of nisse: een landtong of buitendijks stuk land. Wijdenes zou dan de brede of uitgestrekte nes betekenen.

De verklaring past goed bij het landschap. Voor de huidige Zuiderdijk lag vroeger meer land dan tegenwoordig. Door kustafslag en stormvloeden is een groot deel van dit voorland verdwenen. Ook in beschrijvingen van het kasteel wordt de naam vertaald als de “wijde nes”, waarbij nesse of nes op een landtong of buitendijks stuk grond wijst.

De basisschool draagt de naam Roelof van Wienesse en verbindt de plaatsnaam met een vermeende Scandinaviër die omstreeks 820–890 zou hebben geleefd en een kasteel zou hebben gebouwd. Deze voorstelling behoort tot de plaatselijke overlevering, maar wordt niet door een bekende vroegmiddeleeuwse bron of archeologische vondst bevestigd.

De naamkundige uitleg vanuit het landschap is daarom sterker. Het dorp werd waarschijnlijk niet naar één vroegmiddeleeuwse stichter genoemd, maar naar de vorm of ligging van het land waarop het ontstond.

Een vroege kerk en het bisdom Utrecht

Waarschijnlijk ontstond in of rond de twaalfde eeuw een kerkelijke gemeenschap in Wijdenes. Latere beschrijvingen noemen tufsteen in de oude kerk, wat op een romaanse voorganger kan wijzen. Een volledig twaalfde-eeuws grondplan is echter niet bekend.

De kerk viel onder het bisdom Utrecht. Zij kan land en tiendrechten hebben bezeten. Toch is daarmee niet bewezen dat de kerkelijke overheid de eerste ontginning van Wijdenes organiseerde.

De kerk gaf de verspreide boerenerven een gemeenschappelijk middelpunt. Hier vonden doop, huwelijk, begrafenis en eredienst plaats. Rond de kerk groeide de Kerkbuurt uit tot het herkenbare centrum van de nederzetting.

De toren werd bovendien een zichtbaar oriëntatiepunt in een open landschap. Voor bewoners die over land reisden en voor vissers en schippers op de Zuiderzee kon hij aangeven waar Wijdenes lag.

Van ontginners tot dijkenbouwers

De West-Friese boeren die het land ontgonnen, moesten het daarna beschermen. Eerst legden zij kleine kaden rond erven en ontginningsblokken aan. Naarmate de bodem daalde en de invloed van de Zuiderzee toenam, werden deze kaden verhoogd en onderling verbonden.

De Westfriese Omringdijk werd niet op één dag door één graaf, klooster of overheid gebouwd. Hij groeide uit plaatselijke waterkeringen. Dorpsgemeenschappen, bannen en later grotere dijkorganisaties werkten eraan.

Het onderhoud bleef eeuwenlang een verplichting van grondbezitters. Dijkvakken werden verdeeld en toegewezen. Boeren en arbeiders groeven klei, vervoerden grond, sloegen palen en herstelden schade. Wanneer één eigenaar zijn vak verwaarloosde, kon een groter gebied gevaar lopen.

De graaf van Holland kreeg na de onderwerping van West-Friesland meer toezicht en regelgevende macht, maar de plaatselijke bevolking bleef het feitelijke dijkwerk uitvoeren.

Dijkbeheer was daardoor zowel een gezamenlijke noodzaak als een bron van conflicten. Er konden geschillen ontstaan over slecht onderhoud, de verdeling van kosten, het gebruik van klei en het recht om op bepaalde plaatsen materiaal te winnen.

Dijken als wegen

Een dijk was behalve waterkering ook een verhoogde route. In een drassig landschap vormde de kruin vaak de droogste verbinding tussen dorpen.

Vanuit Wijdenes kon men westwaarts via Schellinkhout naar Hoorn en oostwaarts naar Oosterleek, Venhuizen en Enkhuizen. Over de dijk trokken voetgangers, ruiters, vee en karren.

Het was geen comfortabele straat. De kruin was smal, onverhard en bij regen glad. Zware wagens konden de dijk beschadigen. Daarom konden regels gelden voor het gebruik van de kruin en voor het gewicht of de breedte van transporten.

Naast de zeedijk waren hogere binnenwegen van belang. In Schellinkhout stond de oude doorgaande route bekend als de Heerenweg. In Wijdenes werd het verkeer verder geleid over de Kerkbuurt, de Zuideruitweg en andere hogere dorpswegen. De Heerenweg en de zeedijk waren niet overal dezelfde route.

Sloten, tochten en vaarwegen

Achter de dijk lag een fijnmazig netwerk van sloten, tochten, molenwateren en vaarten. Deze watergangen dienden voor de afwatering, maar ook voor vervoer.

Met kleine schuiten konden hooi, mest, turf, graan, veevoer, hout en andere zware goederen worden verplaatst. Dat was dikwijls gemakkelijker dan met een kar over onverharde wegen.

Op de negentiende-eeuwse kaart van Wijdenes zijn onder meer de Tocht, de Molentocht, poldersloten, kaden en verspreide erven zichtbaar. De Molentocht bracht water naar een molen of molenkolk. Daar werd het water omhooggebracht en via een sluis of haven naar de Zuiderzee afgevoerd.

De kaart toont ook de Veenhuizerpolder, het Hof en erven als Zwanenburg. Wijdenes verschijnt niet als een compacte kern, maar als een nederzetting die zich langs hogere wegen en waterstaatkundige lijnen uitstrekte.

Het netwerk van sloten bepaalde het ritme van het landschap. Kavels werden door water begrensd, hooi werd per schuit vervoerd en vee kon alleen via dammen, bruggetjes en overhalen van het ene perceel naar het andere worden gebracht.

De waterroute naar Hoorn

De directe verbinding met Hoorn verliep niet alleen over de dijk. Vanaf de haven van Wijdenes konden schepen westwaarts langs de Zuiderzeekust varen, voorbij Schellinkhout naar de Hoornse haven.

Voor zware of omvangrijke ladingen was vervoer over water aantrekkelijk. Hooi, veevoer, graan, hout, turf, vis en landbouwproducten konden in grotere hoeveelheden worden meegenomen dan over de smalle landwegen.

De route liep toen over de Zuiderzee. Pas na 1932 werd dit water deel van het IJsselmeer en vanaf 1976 van het Markermeer. Het huidige rustigere water was eeuwenlang zowel een bedreiging als een verkeersader.

De afstand naar Hoorn was klein genoeg voor regelmatige verbindingen. Een schipper kon goederen naar de markt brengen, nieuwe vracht aannemen en nog dezelfde dag of kort daarna naar Wijdenes terugkeren.

De komst van Floris V

De West-Friezen verzetten zich langdurig tegen het gezag van de graven van Holland. Graaf Willem II sneuvelde in 1256 tijdens een veldtocht in West-Friesland. Zijn zoon Floris V zette de strijd voort.

In 1282 landde Floris met een leger bij Wijdenes. De plek was strategisch, omdat vanaf de kust een relatief bruikbare route het binnenland in liep. Op 25 juni 1282 vaardigde hij vanuit Wijdenes een oorkonde uit. Daarmee staat zijn aanwezigheid in of bij het dorp vast.

De veldtocht betekende niet onmiddellijk dat heel West-Friesland definitief was onderworpen. De strijd duurde voort. Door militaire druk, versterkingen en de gevolgen van zware overstromingen wist Floris uiteindelijk zijn gezag te vestigen.

In 1289 erkenden de West-Friese gemeenschappen hem als landsheer. Na zijn dood in 1296 volgde opnieuw opstand. De laatste grote nederlaag van het verzet kwam in 1297.

Wijdenes werd dus in 1282 militair getroffen, in 1289 formeel onder Hollands gezag gebracht en na 1296–1297 definitief onderdeel van het graafschap Holland.

Het kasteel van Wijdenes

Floris V liet na zijn veldtochten verschillende versterkingen bouwen om het veroverde gebied te beheersen. Ook bij Wijdenes werd waarschijnlijk in of kort na 1282 een burcht opgericht.

Over de oorspronkelijke vorm is nog weinig met volledige zekerheid bekend. De burcht kan een bakstenen, mogelijk vierhoekige versterking zijn geweest die de landingsplaats, kust en route naar het binnenland bewaakte. Zij wordt doorgaans een dwangburcht genoemd, omdat zij het grafelijke gezag tegenover de West-Friezen moest handhaven.

Het complex kan tegelijk een militaire uitvalsbasis en logistiek centrum zijn geweest. Manschappen, paarden, wapens, levensmiddelen en bouwmaterialen konden over water worden aangevoerd en van hieruit verder het West-Friese binnenland in worden gebracht.

Mogelijk ging het niet om een groot adellijk woonkasteel met representatieve zalen, maar om een ommuurd militair complex met houten binnengebouwen, opslagplaatsen en verblijven voor krijgslieden.

Een hypothese houdt rekening met de mogelijkheid dat op de locatie al vóór Floris V een West-Friese versterking bestond. Daarom wordt soms een bouwfase vanaf ongeveer 1272 genoemd. Het is denkbaar dat Floris een bestaande verdedigbare plaats innam, uitbreidde of verving. Dit is interessant, maar nog geen algemeen bewezen conclusie.

Na de dood van Floris V in 1296 zouden West-Friezen en Kennemers de burcht hebben afgebroken. Latere stormvloeden en kustafslag tastten het terrein verder aan. Uiteindelijk kwam de locatie door het verlies van het voorland onder het water te liggen.

Kloostermoppen onder het Markermeer

De locatie van de burcht ligt tegenwoordig in het Markermeer. In januari 1997 werd ongeveer 250 meter uit de kust vanaf het ijs gedoken. Daarbij werden grote middeleeuwse bakstenen, kloostermoppen, gevonden.

De stenen lagen in een strook van ongeveer 21 meter lang en 2,5 meter breed. Sonaronderzoek bracht later een tweede, bijna evenwijdige strook aan het licht, ongeveer 22 meter lang en eveneens 2,5 meter breed. Tussen beide lag circa tien meter.

Onderzoek van opgehaalde stenen wees op een datering in de late dertiende eeuw. De ligging op een zandplaat, het nabijgelegen Hofland, de rechthoekige structuren en de datering pasten bij een versterking uit de tijd van Floris V.

Lange tijd werden deze vondsten vooral als sterke aanwijzingen beschouwd. Hernieuwd sonaronderzoek en latere duikcampagnes brachten echter duidelijkere rechthoekige bouwsporen en concentraties grote middeleeuwse bakstenen aan het licht. Archeologen beschouwen de vindplaats inmiddels als de teruggevonden locatie van het kasteel van Wijdenes.

Dat betekent niet dat iedere vraag is opgelost. Een volledig grondplan is nog niet opgegraven. De precieze omvang, vorm, bouwfasen en inrichting van het complex moeten verder worden onderzocht. Ook blijft de vraag bestaan of Floris V de burcht volledig nieuw liet bouwen of een oudere West-Friese versterking gebruikte.

De identificatie als kasteellocatie is echter veel sterker dan vroeger. Onder het Markermeer ligt daadwerkelijk muurwerk dat past bij de laat-dertiende-eeuwse burcht van Wijdenes.

Het verdwenen voorland

De huidige kustlijn is niet de middeleeuwse kustlijn. Voor de Zuiderdijk lag vroeger land met akkers, wegen, erven en het kasteelterrein.

Rond 1500 ging tussen Schellinkhout en Wijdenes veel land verloren. Een nieuwe inlaagdijk werd verder landinwaarts aangelegd. Bij een inlaag werd een bedreigde strook voorland bewust prijsgegeven om achter de oude dijk een nieuwe, veiligere waterkering te maken.

Het archeologische rapport over Wijdenes vermeldt dat het Hofland in 1525 gedeeltelijk binnen- en gedeeltelijk buitendijks lag en dat de burcht vermoedelijk op land stond dat nu onder het Markermeer ligt.

Het onderzoek naar Almersdorp bij Opperdoes laat als vergelijkingsmateriaal zien hoe ingrijpend dit proces kon zijn. Daar verdwenen uiteindelijk nederzettingsdelen, kerk en kerkhof uit het bewoonde landschap doordat de dijk werd teruggelegd en het voorland aan het water werd overgelaten.

Dit bewijst niet dat Wijdenes precies hetzelfde patroon had, maar het maakt duidelijk hoe complete West-Friese landschappen buitendijks konden raken. Land dat eeuwenlang was bewoond en bewerkt, kon binnen enkele generaties in wad, ondiepte of open water veranderen.

De Zuiderkogge van Drechterland

Wijdenes maakte deel uit van Drechterland en daarbinnen van de Zuiderkogge. Ook Schellinkhout, Hem, Venhuizen en Oosterleek behoorden tot deze bestuurlijke en waterstaatkundige samenhang.

Een kogge was geen enkele polder. Het was een gebied waarin verschillende bannen samenwerkten. Iedere banne kende een eigen plaatselijke gemeenschap en verantwoordelijkheden, terwijl grotere zaken zoals dijkbeheer, waterafvoer, belastingen en rechtspraak samenwerking vereisten.

Deze structuur verklaart waarom Wijdenes niet geïsoleerd kan worden bekeken. Het dorp was voortdurend verbonden met Oosterleek, Schellinkhout, Hem en Venhuizen.

Voor het onderhoud van de Westfriese Omringdijk viel Wijdenes onder het ambacht Drechterland. Voor de afwatering vormde het dorp samen met een groot deel van de banne Oosterleek de polder Wijdenes en Oosterleek.

Water hield zich niet aan dorpsgrenzen. Wanneer een tocht in Oosterleek dichtslibde of een dijkvak bij Schellinkhout bezweek, konden ook de landerijen van Wijdenes gevaar lopen.

Van banne naar plattelandsstede

In 1414 werden Wijdenes en Oosterleek voor de hogere rechtspraak verbonden met Schellinkhout. Zij behielden daarbij plaatselijke bestuurlijke rechten.

Nadat in Schellinkhout de grafelijke dienaar Andries Adaem was gedood, verloor Schellinkhout zijn privileges. Wijdenes en Oosterleek waren niet bij het misdrijf betrokken. Op 6 januari 1430 kregen zij toestemming hun rechten gezamenlijk zelfstandig te blijven gebruiken.

Zo ontstond de stede Wijdenes en Oosterleek. In juridische zin bezaten de beide dorpen daarmee stedelijke rechten en een gezamenlijke rechtbank. Dat betekende niet dat Wijdenes muren, stadspoorten of een groot marktplein kreeg. Landschappelijk en economisch bleven Wijdenes en Oosterleek plattelandsdorpen.

Een schout vertegenwoordigde het hogere gezag en trad als aanklager op. Schepenen spraken recht over schulden, erfenissen, eigendom, grondgrenzen, voogdij en andere geschillen. De stede gaf de inwoners een mate van plaatselijk zelfbestuur binnen het graafschap Holland.

De stede Wijdenes en Oosterleek bleef tot maart 1811 bestaan. Binnen dit verband bleven beide plaatsen herkenbare dorpen. Hoe hun dagelijkse bestuurlijke verhouding precies was geregeld, is niet op ieder punt bekend.

Rechtspraak en archieven

Het gerecht van Wijdenes en Oosterleek behandelde niet alleen geweld en diefstal. Ook grondverkopen, schulden, hypotheken, erfenissen, huwelijken en de voogdij over wezen werden vastgelegd.

De schout trad als vertegenwoordiger van de landsheer en als aanklager op. De schepenen beoordeelden geschillen en bekrachtigden overeenkomsten.

Een conflict kon ontstaan over een slecht onderhouden sloot, een verschoven erfgrens, een onbetaalde levering, de beschadiging van een dijk of de verdeling van een nalatenschap. Daarmee was het gerecht voortdurend aanwezig in het dagelijkse bestaan.

Het oud-rechterlijk archief bewaart rechtbankverslagen, transporten van onroerend goed, hypotheekakten en stukken over het toezicht op voogden. Registers van de veertigste penning uit de periode 1660–1689 geven inzicht in de overdracht van huizen, land en boerderijen.

Aan de Wijmers lag waarschijnlijk een gemeenschappelijk galgenveld van Schellinkhout en de stede Wijdenes en Oosterleek. Hoe vaak daar werkelijk terechtstellingen plaatsvonden, is niet bekend.

De archieven bewaren vooral namen die anders verloren zouden zijn gegaan: boeren, schippers, weduwen, wezen, schuldenaren, kopers, verkopers, voogden en mensen die met de plaatselijke rechtspraak in aanraking kwamen.

Scheepsbouw voor de Bourgondische heer

De maritieme verplichtingen van de dorpen blijken uit bevelen uit 1439 en 1440. Wijdenes en Schellinkhout moesten samen een roeibaar oorlogsschip leveren voor Filips van Bourgondië.

Toen de bouw niet snel genoeg ging, moesten Hem, Venhuizen, Oosterleek, Wijdenes en Schellinkhout gezamenlijk een schip met twaalf roeibanken bouwen.

Daarvoor waren hout, ijzer, touw, zeildoek, vaklieden en bemanning nodig. Scheepstimmerlieden moesten de romp bouwen. Smeden leverden nagels en beslag. Touwslagers en zeilmakers verzorgden tuigage en zeilen. Vervolgens moesten mannen worden aangewezen die konden roeien, sturen en vechten.

Deze opdracht laat zien dat de dorpen niet alleen agrarisch waren. Hun scheepvaartkennis, arbeid en materialen konden ook voor militaire doeleinden worden ingezet.

De Bourgondische heer zag Wijdenes en de omliggende dorpen dus niet uitsluitend als leveranciers van voedsel en belastinggeld, maar ook als gemeenschappen die schepen en bemanning konden leveren.

De laatmiddeleeuwse erven

Bij Kerkbuurt 13 werd de woonterp tussen 1400 en 1600 verder opgehoogd en uitgebreid. De oude terpsloot raakte dicht. Mogelijk groeiden verschillende afzonderlijke woonheuvels langs de Kerkbuurt geleidelijk samen tot één breder en hoger bewoningslint.

Uit de ophogingslagen kwamen fragmenten van grapen, bakpannen, een pispot en geïmporteerd steengoed uit Langerwehe en Frechen.

Twee munten werden gevonden. Eén daarvan was een halve plak uit 1561, gezamenlijk geslagen door Deventer, Kampen en Zwolle. De andere munt kan uit het Duitse graafschap Hoya afkomstig zijn.

Een bijzonder voorwerp is een bronzen bakje met gegraveerde bladmotieven en twaalf ogen langs de bovenrand. Mogelijk maakte het deel uit van een kaarsenkroon.

Deze vondsten laten zien dat een Wijdenesser erf via handel, markten en schippers verbonden was met gebieden ver buiten Drechterland. Voorwerpen konden via Hoorn, Enkhuizen en andere handelsplaatsen het dorp bereiken.

Tegelijk bleef het dagelijks bestaan agrarisch. De geïmporteerde pot of munt lag op een erf waar vee werd verzorgd, mest werd verwerkt, water uit een put werd gehaald en voedsel boven een haard werd bereid.

De haven van Wijdenes

De haven wordt genoemd in een keur die zeker uit de zestiende eeuw en mogelijk al van vóór 1500 dateert. In die regeling kwam de keuze van een havenmeester aan bod.

Op een kaart uit 1638 ligt bij de uitmonding van de molenkolk een bescheiden, door palen beschermde inham. Grote schepen konden waarschijnlijk niet diep naar binnen. Zij konden bij gunstig weer voor de kust ankeren, terwijl kleine vaartuigen de haven zelf gebruikten.

De haven was niet alleen een aanlegplaats. Zij vormde ook het eindpunt van het binnenlandse afwateringssysteem. Polderwater werd via sloten, de Molentocht en de molenkolk naar de kust gebracht en bij een gunstig buitenpeil geloosd.

Een formeel eigen tolrecht van Wijdenes is niet aangetoond. De havenmeester kan toezicht hebben gehouden en mogelijk werden aanleg-, lig- of onderhoudsgelden gevraagd. Dat is iets anders dan een officieel landsheerlijk tolrecht.

De Sonttolregisters vermelden in de zestiende eeuw verschillende schippers uit Wijdenes. Zij voeren waarschijnlijk met kleine koopvaarders en transportschepen naar plaatsen rond de Zuiderzee, de Noordzee en mogelijk het Oostzeegebied.

Daarmee reikte de maritieme wereld van sommige Wijdenessers verder dan de korte route naar Hoorn. Een plaatselijke schipper kon via de Zuiderzee naar de Noordzee en vervolgens door de Sont naar de Oostzee varen.

De vissersbuurt

Rond de haven lag een herkenbare buurt. Een lidmatenlijst uit 1639 noemt 21 personen die “aan de visscherij” woonden. Op grond daarvan is geschat dat de buurt mogelijk veertig tot vijftig inwoners telde, verdeeld over ongeveer tien huizen.

Op de kaart uit 1638 zijn acht huizen en boerderijen bij de haven zichtbaar. Daar leefden vissers, schippers, boeren, knechten, vrouwen en kinderen. Ook kunnen er ambachtslieden hebben gewoond die netten repareerden, schepen onderhielden of vangsten verwerkten.

Visserij leverde onder meer paling, bot, spiering, haring en in latere tijd ansjovis. Schippers vervoerden landbouwproducten, turf, hout, zout en andere goederen.

De Wijdenesser haven was kleiner dan die van grote steden, maar gaf het dorp een duidelijk maritiem karakter. Het was een plaats waar water uit de polder werd geloosd, vis aan land kwam, goederen werden geladen en nieuws uit andere plaatsen werd meegebracht.

Visserij en werk aan de wal

De visserij werd in veel gezinnen waarschijnlijk gecombineerd met landbouw, veehouderij, scheepvaart of losse arbeid. De vangsten konden per seizoen en per jaar sterk verschillen. Een goede haring- of ansjovisvangst bracht tijdelijk inkomsten, terwijl een slecht visjaar nauwelijks iets kon opleveren.

De vissers gebruikten vermoedelijk vooral kleine zeil- en roeivaartuigen die geschikt waren voor de ondiepe kust. Fuiken konden worden gebruikt voor paling, terwijl netten werden ingezet voor haring, ansjovis, bot, spiering en andere vissoorten.

Rond de haven moesten netten worden gedroogd en gerepareerd, boten onderhouden en vangsten gesorteerd, schoongemaakt en verkocht. Ook vrouwen en kinderen konden bij deze werkzaamheden betrokken zijn.

Een deel van de vis werd in Wijdenes en omliggende dorpen gegeten. Andere vangsten konden naar Hoorn, Enkhuizen of andere markten worden gebracht.

De Zuiderzee was gevaarlijk. Storm, mist, ijsgang, zandplaten en plotseling veranderend weer konden vissers en schippers in moeilijkheden brengen. De toren van Wijdenes kon vanaf het water als herkennings- en oriëntatiepunt dienen.

Een visser die de haven verliet, wist niet altijd met zekerheid wanneer hij terugkwam. Het gezinsinkomen hing daardoor niet alleen af van vakkennis en arbeid, maar ook van wind, water, seizoen en geluk.

De economische kringloop van Wijdenes

Wijdenes leefde niet alleen van zelfvoorziening. Het dorp maakte deel uit van een voortdurende heen-en-weereconomie.

Vanuit Wijdenes gingen vee, boter, kaas, hooi, eieren, pluimvee, wol, huiden, vis, fruit en later tuinbouwproducten en bloembollen naar Hoorn, Enkhuizen en andere markten.

Op de terugweg kwamen zout, ijzer, gereedschap, touw, zeildoek, hout, bakstenen, dakpannen, aardewerk, kleding, bier, wijn en later koloniale producten mee.

Dezelfde reis kon meerdere economische functies combineren. Een boer bracht kaas of eieren naar de markt, verkocht een kalf en nam gereedschap en zout mee terug. Een schipper voer met landbouwproducten naar Hoorn en keerde terug met hout, graan of stedelijke handelswaren.

Daarmee was de economie geen eenrichtingsverkeer van dorp naar stad. Hoorn had het voedsel en de grondstoffen van het platteland nodig; Wijdenes had de markt, ambachten, opslag, krediet en ingevoerde producten van Hoorn nodig.

Hoorn als markt- en verzorgingsstad

Hoorn lag voor Wijdenes dichtbij en beschikte over een veel grotere haven, markten, pakhuizen, ambachtslieden en kooplieden. Boeren konden er vee, boter, kaas, eieren, fruit en andere producten verkopen.

Schippers konden er lading overladen, schepen laten repareren of nieuwe vracht aannemen. Gereedschappen, metalen voorwerpen en bouwmaterialen die niet in Wijdenes werden gemaakt, konden in Hoorn worden gekocht.

De relatie was ook sociaal en bestuurlijk. Inwoners reisden naar Hoorn voor notariële zaken, gespecialiseerde aankopen, medische hulp en later onderwijs en ziekenhuiszorg.

Hoornse burgers investeerden bovendien in Wijdenesser land en boerderijen. Het Huis te Wijdenes kwam bijvoorbeeld in 1683 in handen van Maarten de Haan uit Hoorn en in 1726 van de Hoornse koopman Pieter Kalker. Daarmee stroomde stedelijk kapitaal naar het platteland.

Hoorn en Wijdenes waren economisch dus niet elkaars tegenpolen. De stad en het dorp maakten deel uit van hetzelfde regionale systeem.

Rundvee als economische basis

De belangrijkste agrarische waarde lag waarschijnlijk in rundvee, grasland en zuivel. Een koe leverde melk, kalveren, mest en uiteindelijk vlees, huid en vet.

Verse melk was beperkt houdbaar. Door verwerking tot boter en kaas ontstonden producten die langer bewaard en gemakkelijker vervoerd konden worden. Zij konden over de dijk of per schip naar Hoorn worden gebracht.

Mest was essentieel voor akkers, tuinen en boomgaarden. Het aantal dieren dat een boer kon houden, hing af van de oppervlakte grasland en van de hoeveelheid hooi die voor de winter werd gewonnen.

Een rund was daardoor levend kapitaal. Het vertegenwoordigde niet één opbrengst, maar een reeks jaarlijkse en uiteindelijke opbrengsten.

Het verlies van een koe betekende niet alleen minder vlees. Een gezin verloor mogelijk jarenlang melk, boter, kaas, kalveren en mest. Daarom was gezondheid van het vee van groot belang.

Veevetterij

De rijke graslanden van West-Friesland waren geschikt om runderen en ossen vet te weiden voor de vleesmarkt. Het is daarom aannemelijk dat ook Wijdenesser boeren naast melkvee jongvee of ossen hielden die later in Hoorn of elders werden verkocht.

Een bron die Wijdenes expliciet als groot centrum van veevetterij aanwijst, is nog niet gevonden. De aanwezigheid van vruchtbare weiden, hooilanden en goede verbindingen met stedelijke markten maakt de bedrijfsvorm echter goed voorstelbaar.

Naast melkvee hielden sommige Wijdenesser boeren daarom waarschijnlijk runderen die op de vruchtbare graslanden werden vetgeweid voor de stedelijke vleesmarkt.

De veehouderij kon per bedrijf verschillen. Sommige boeren legden meer nadruk op zuivel, andere op opfok, handel of vetweiderij. Veel bedrijven combineerden verschillende vormen.

Hooi, gras en mest

Hooi was even onmisbaar als het vee. Zonder wintervoer kon een boer zijn kudde niet aanhouden. Een slechte hooioogst betekende dat dieren moesten worden verkocht of geslacht.

Hooi was volumineus. Daarom waren schuiten en sloten belangrijk. Het gras werd gemaaid, gedroogd en per vaartuig of wagen naar de boerderij gebracht. In de stolp werd het rond het centrale houten vierkant opgeslagen.

De landbouw vormde een kringloop. Gras en gewassen werden veevoer, vee leverde melk en vlees, en de mest voedde het land. Ook bagger uit sloten en plaatselijk gewonnen klei konden voor bodemverbetering worden gebruikt.

Het baggeren had een dubbele functie. De sloot bleef diep genoeg voor afwatering en vervoer, terwijl de voedingsrijke bagger over de akkers, boomgaarden of graslanden kon worden verspreid.

Graan en de oudste Stofmolen

In de vroege ontginningsperiode was akkerbouw belangrijker dan later. Op pas ontwaterd veen konden rogge, gerst en haver worden verbouwd. De mogelijke daliekuil bij Kerkbuurt 13 laat zien dat bewoners actief probeerden de grond voor akkerbouw te verbeteren.

Door bodemdaling en vernatting verschoof het zwaartepunt naar grasland. Graan bleef echter nodig voor brood, pap, bier, zaaigoed en veevoer. Een deel werd lokaal verbouwd; een ander deel werd aangevoerd.

Op een in 1680 uitgegeven kaart staat op de plaats van de latere Stofmolen al een korenmolen aangegeven. Tot 1911 stond hier een kleine, vermoedelijk zeventiende-eeuwse achtkante bovenkruier. Deze molen maalde graan voor boeren, bakkers en huishoudens.

De molen was daardoor een centrale schakel in de voedselvoorziening. Boeren brachten hun graan naar de molen, waar het tot meel werd gemalen. Bakkers en huishoudens verwerkten het vervolgens tot brood, pap en andere gerechten.

Het Vette Schaap komt naar Wijdenes

In 1911 werd de oude molen vervangen door de voormalige Zaanse oliemolen Het Vette Schaap uit Zaandijk.

In april 1911 verkocht Jacobus Honig Cz. de molen voor tweeduizend gulden aan de bekende molenslopersfirma Gebroeders De Boer uit Oostzaan.

De onderdelen werden in Zaandijk zorgvuldig afgebroken en per schip naar Hoorn vervoerd. Vandaar gingen zij verder naar Wijdenes.

De nieuwe molen werd vlak naast de oude Stofmolen gebouwd. Daardoor kon de bestaande korenmolen tijdens de bouw van zijn opvolger in bedrijf blijven.

De herbouw werd uitgevoerd door dorpstimmerman Groot en de mannen van Gebroeders De Boer. Toen het werk was voltooid, bedroegen de totale kosten ongeveer elfduizend gulden.

De naam De Stofmolen bleef behouden, hoewel het houten achtkant oorspronkelijk tot Het Vette Schaap had behoord.

Daarmee werd een stuk van de Zaanse olie-industrie naar het West-Friese boerenland overgebracht. De molen kreeg in Wijdenes een nieuwe functie en een nieuw leven.

De constructie van De Stofmolen

Het berookte grenen achtkant van de voormalige oliemolen werd op een ongeveer 6,6 meter hoge stenen onderbouw geplaatst.

Het donkere hout herinnert aan de tijd waarin de molen in Zaandijk oliehoudende zaden verwerkte. Bij het olieslaan en verwarmen van zaden kon rook in de houten constructie trekken.

De stelling ligt ongeveer zestig centimeter boven de bovenkant van de stenen onderbouw. Vanaf de lager gelegen maalzolder is zij alleen via een trapje bereikbaar.

Waarschijnlijk lag de stelling in Zaandijk lager en had de molen daar een iets grotere vlucht.

In het bovenachtkant bevinden zich per veld drie in elkaar gewerkte veldkruisen. Deze zware constructie hangt waarschijnlijk samen met de oorspronkelijke functie als oliemolen.

Bij de verbouwing tot korenmolen werd een tussenvloer aangebracht. Onder deze vloer bevinden zich het spoorwiel en de twee steenschijflopen.

Net als bij de korenmolen in Bovenkarspel staat de koningspil op een verschuifbare wervelbalk. Het spoorwiel is waarschijnlijk een aangepast steenwiel uit Het Vette Schaap. Ook een groot deel van het overige gaande werk is vermoedelijk van de voormalige oliemolen afkomstig. De bovenschijfloop dateert waarschijnlijk uit 1911.

De constructie laat daardoor meerdere levensfasen zien. Onderdelen die ooit voor olieslaan waren gemaakt, werden aangepast voor het malen van graan.

Mechanische maalderij en nieuwe functies

In 1924 werd tegen het onderachtkant een stenen aanbouw voor een mechanische maalderij gebouwd. Daarmee werd het bedrijf minder afhankelijk van de wind.

Toch bleef de windmolen tot 1951 als maalwerktuig in gebruik. De Stofmolen toont daardoor de overgang van traditioneel malen op windkracht naar mechanische aandrijving.

Nadat het maalbedrijf was opgeheven, kocht de gemeente Wijdenes het complex. De bovenverdieping van de stenen aanbouw werd als vergaderzaal gebruikt.

Later kreeg de kantklosschool er onderdak. Zo veranderde een agrarisch bedrijfsgebouw in een plaats van bestuur, onderwijs, vakmanschap en ontmoeting.

Vanaf 1970 werd de molen weer met enige regelmaat in werking gesteld. Later werd hij opnieuw maalvaardig gemaakt en werd op vrijwillige basis soms weer graan gemalen.

De molen bleef daardoor niet alleen als stilstaand monument bewaard. Het mechaniek kon opnieuw draaien en liet zien hoe windkracht in maalwerk werd omgezet.

De restauratie van De Stofmolen

Aan het einde van de twintigste eeuw bleek dat de molen een zeer grondige herstelbeurt nodig had. In september 2001 werd hij stilgezet.

In 2004 begon de restauratie. De gemetselde onderbouw bleek zo slecht dat deze volledig moest worden vernieuwd.

Het houten bovenachtkant bleef tijdens het werk op zijn plaats. Het werd zwaar onderstut en stond zonder roeden boven de vernieuwde onderbouw.

Ook de kap, de staart en de stelling werden geheel of grotendeels vernieuwd. Op 24 augustus 2005 werden de roeden opnieuw gestoken.

Niet lang daarna was De Stofmolen weer maalvaardig. De molen bewaart zowel de geschiedenis van de Zaanse olie-industrie als die van het Wijdenesser korenmaalbedrijf, de landbouw, het gemeentebestuur, de kantklosschool en het vrijwillige molenaarswerk.

Kippen, varkens, schapen en wild

Kippen hadden per dier minder waarde dan runderen, maar waren belangrijk voor het dagelijkse huishouden. Zij leverden eieren, vlees, kuikens en mest. Eieren konden eenvoudig naar de markt worden meegenomen en vormden voor vrouwen en kinderen mogelijk een kleine eigen inkomstenbron.

Varkens verwerkten keukenafval en wei uit de kaasbereiding tot vlees, spek en vet. Zij pasten daardoor goed in een gemengd boerenbedrijf.

Schapen leverden wol, vlees, huiden en mest. Het spinlood uit de twaalfde-eeuwse sloot wijst erop dat in de omgeving vezels werden gesponnen, mogelijk schapenwol.

Hazen en andere wilde dieren waren geen gewone landbouwproducten. Zij hadden waarde als vlees of geschenk, maar de jacht was aan rechten en verboden gebonden. Een boer mocht niet automatisch ieder dier op zijn eigen land vangen.

Hazen vormden dus een aanvullende opbrengst, geen economische hoofdsector.

De kerk, brand en wederopbouw

De bewaard gebleven kerktoren dateert waarschijnlijk uit de late vijftiende eeuw of rond 1500. De oudere kerk werd in 1616 door brand getroffen. De toren bleef staan.

In 1617 goot Henricus Nieman uit Enkhuizen een nieuwe klok. Het kerkgebouw werd hersteld of herbouwd.

In 1838 werd de kerk opnieuw grotendeels vernieuwd. Delen van ouder muurwerk bleven behouden. In 1863 volgde een uitbreiding.

De kerk was meer dan een religieus gebouw. Zij bepaalde het dorpscentrum, bood een plaats voor afkondigingen en armenzorg en diende met haar toren als herkenningspunt voor bewoners en schippers.

Rond de kerk werden mensen gedoopt, trouwden zij en werden zij begraven. Daarmee werd de plek een verzamelplaats van familiegeschiedenissen die generaties lang met het dorp verbonden bleven.

Geloofsverschillen en Maerten Florissz

Na de Reformatie werd de officiële kerk gereformeerd. Wijdenes vormde een eigen gereformeerde en later hervormde gemeente. In verschillende perioden deelde het dorp een predikant met Oosterleek.

Vanaf de Reformatie tot 1650 en opnieuw vanaf 1807 hadden Wijdenes en Oosterleek gezamenlijk één predikant.

Katholieken bleven aanwezig en vielen voor hun zielzorg onder de statie van Hem. Ook doopsgezinden woonden in en rond Wijdenes.

In 1610 vroeg Maerten Florissz uit Wijdenes samen met andere mennonieten vrijstelling van deelname aan het plaatselijke bestuur en de rechtspraak. Doopsgezinden konden gewetensbezwaren hebben tegen functies waarbij lijf- of doodstraffen werden uitgesproken.

Maerten mocht zijn verplichting afkopen door 25 gulden aan de armenzorg te betalen.

Het voorval laat zien hoe geloof, bestuur, rechtspraak en sociale zorg in een klein dorp met elkaar verbonden waren. De overheid wilde dat inwoners publieke taken uitvoerden, terwijl doopsgezinden vanuit hun geloof bezwaar konden maken tegen geweld en strafrecht.

Begraven, huwen en plaatselijke registers

Inwoners van verschillende geloofsrichtingen werden in de gereformeerde kerk of op de daarnaast gelegen begraafplaats begraven. Daarvan zijn vanaf 1779 plaatselijke begraafgegevens bewaard gebleven.

Huwelijken van alle gezindten moesten tot begin 1795 in de gereformeerde kerk worden afgekondigd. De afkondigingsregisters zijn niet bewaard gebleven.

Tijdens de Republiek golden alleen gereformeerde huwelijken automatisch als wettig. Andersdenkenden konden hun huwelijk voor de stedelijke rechtbank van Wijdenes laten bevestigen. Daarvan zijn gegevens vanaf 1677 bewaard gebleven. De registratie van niet-gereformeerde huwelijken loopt door tot 1799.

Van de impost, de belasting op trouwen en begraven, zijn gegevens uit de jaren 1753–1805 bewaard gebleven. Deze registers geven niet alleen namen en data, maar kunnen ook iets zeggen over maatschappelijke verschillen binnen het dorp.

De hoogte van de belasting kon samenhangen met de financiële positie van een gezin. Daardoor worden in zulke administratieve registers niet alleen levensmomenten zichtbaar, maar ook verschillen tussen rijke boeren, ambachtslieden, arbeiders en armen.

Schout Kloek en zijn zoon

Aan het begin van de zeventiende eeuw was Hendrick Jacobsz Kloek, ook geschreven als Cloeck of Cloek, schout of officier over Wijdenes, Schellinkhout en Oosterleek. Zijn zoon Claes Hendricksz Cloeck trad al jong als plaatsvervanger op.

De familie raakte zelf bij conflicten betrokken. Hendrick werd ervan beschuldigd een huwelijk niet op de gebruikelijke plaats te willen sluiten en de secretaris te hebben bedreigd. Claes trok tijdens een conflict een mes.

In 1625 verbleef Claes in Den Haag om zijn ambt te laten verlengen. In herberg Het Rode Paard ontstond tijdens drinken en gokken een gevecht met kapitein Pieter Maertsz Mul uit Enkhuizen.

Claes wierp een zware kandelaar naar zijn tegenstander, maar trof Jannetje Margerets uit Enkhuizen. Zij overleed aan haar verwondingen.

In Wijdenes werden daarna verklaringen opgenomen. Claes verloor zijn functie, raakte financieel in moeilijkheden en vertrok later in dienst van de West-Indische Compagnie met het schip De Griffioen. Daarna verdwijnt hij uit de plaatselijke bronnen.

Het verhaal maakt duidelijk dat de bestuurders die anderen moesten vervolgen zelf niet boven het recht stonden. Ook laat het zien hoe personen uit een klein dorp via Den Haag, Enkhuizen en de West-Indische Compagnie in een veel grotere wereld terecht konden komen.

Stormen van 1609 en 1610

In 1609 sloeg een zware storm een deel van de dijk bij Wijdenes weg. Water stroomde het achterland in en bedreigde huizen, vee, hooi, graan en landbouwgrond.

Een jaar later dreigde opnieuw een doorbraak. Volgens de plaatselijke overlevering hielp iedereen die kon lopen en voldoende kracht had mee om de dijk te behouden. Boeren, knechten en andere inwoners brachten materiaal aan en versterkten de zwakke plaats.

Hier wordt duidelijk dat dijkwerk geen los beroep was. In nood veranderde de hele dorpsgemeenschap in een groep dijkwerkers.

De economische waarde van alle boerderijen en landerijen was afhankelijk van de sterkte van één gezamenlijke waterkering. Een doorbraak trof niet alleen de eigenaar van het dichtstbijzijnde land, maar de hele gemeenschap.

De ramp van 1675

In 1675 werd West-Friesland opnieuw zwaar getroffen door dijkdoorbraken en overstromingen. Bij Scharwoude bezweek de Omringdijk en het water verspreidde zich via het binnenland.

Voor Wijdenes betekende een dergelijke regionale ramp gevaar voor vee, oogst, voedselvoorraden en woningen. Zout of brak water kon de bodem beschadigen. Na afloop moesten sloten worden schoongemaakt, dijken hersteld en land opnieuw in gebruik genomen.

Archeologisch onderzoek langs de Zuiderdijk laat zien dat bewoning bij kwetsbare dijkgedeelten in het laatste kwart van de zeventiende eeuw soms verdween. Huizen kunnen zijn verlaten of verwijderd om ruimte te maken voor versterking.

De ramp toont dat een dorp ook gevaar liep wanneer de dijk niet direct bij het eigen grondgebied brak. Water kon zich door polders en sloten over grote afstanden verspreiden.

Het Huis te Wijdenes

Op kaarten uit de zeventiende eeuw staat bij het Hofland een groot erf met boerderij, boomgaard en stenen woongebouw. Het werd aangeduid als het Huis te Wijdenes.

Dit was waarschijnlijk niet de burcht van Floris V, maar een jongere buitenplaats uit de zestiende of vroege zeventiende eeuw.

De eerste bekende eigenaar was Dirk Cornelisz Baens, een vermogende rechtsgeleerde uit Enkhuizen. Hij wordt in 1637 als eigenaar genoemd.

Na zijn overlijden woonde zijn weduwe Agatha Maelson in het huis. Het terrein werd bovendien gebruikt als dijkmagazijn. Daar konden materialen worden opgeslagen die nodig waren voor onderhoud en noodherstel van de dijk.

In 1683 kwam het bezit bij Maarten de Haan uit Hoorn en in 1726 bij Pieter Kalker. Waarschijnlijk werd het grote stenen huis daarna afgebroken. Op een afbeelding uit 1730 staat alleen nog de stolpboerderij.

In 1759 werd het bezit verkocht aan boer Klaas Cornelisz Oostwouder. Later kwam het in handen van de familie Smit, die er tot in de twintigste eeuw woonde.

Het Hofland wordt al in 1331 genoemd. Het Huis te Wijdenes uit de zeventiende eeuw moet echter duidelijk worden onderscheiden van de middeleeuwse burcht die buitendijks lag en tegenwoordig onder het Markermeer ligt.

Het ene was een vroegmoderne buitenplaats met boerderij en boomgaard; het andere een militaire versterking uit de tijd van de Hollandse verovering.

De haven groeit en verzandt

Op 26 juni 1675 werd een verzoek van de havenmeesters om de haven te vergroten nog afgewezen. Op een kaart uit 1723 is de haven echter breder weergegeven. Op een kaart uit 1775 lijkt zij zelfs groter dan die van Oosterleek.

Daarna nam haar betekenis af. De inham verzandde en werd slechts bij een gunstig waterpeil toegankelijk. De havenbuurt verloor inwoners.

Op de kaart van Govert Oostwoud staan nog verschillende huizen rond de haven. Op de kadastrale kaart uit het begin van de negentiende eeuw zijn daar vrijwel alleen molens en enkele woningen over.

Aan het einde van de negentiende eeuw was de haven alleen bij vloed bereikbaar en dan nog slechts voor vaartuigen met weinig diepgang.

De ansjovis- en haringvisserij zorgde in de negentiende en vroege twintigste eeuw nog voor tijdelijke bedrijvigheid. Na de jaren twintig liep de vangst terug.

De afsluiting van de Zuiderzee in 1932 veranderde het zoute getijdenwater in een zoeter binnenmeer en maakte een einde aan veel traditionele visserij.

In 1980 werd de haven gerestaureerd en zoveel mogelijk in de oude vorm teruggebracht. Zij bleef als landschappelijke en historische herinnering behouden.

Stolpboerderijen en eeuwenoude erven

De West-Friese stolp werd het kenmerkende boerderijtype. Onder één groot piramidevormig dak bevonden zich woonruimte, stallen, werkruimte en hooiopslag rond het centrale houten vierkant.

Niet iedere stolp werd in één keer gebouwd. Oudere langhuizen konden worden uitgebreid, verbouwd of gedeeltelijk in een nieuwe stolp worden opgenomen. Op de eeuwenoude woonterpen werden gebouwen voortdurend vervangen en aangepast.

Bij Kerkbuurt 13 werd op de oudere woonterp in de Nieuwe Tijd een stolp gebouwd. Archeologen vonden muurwerk, een bakstenen waterput en kuilen met dierlijke resten.

De waterput rustte op hergebruikte planken van grove den. Een deel van het hout was in de winter van 1603–1604 gekapt; ander hout dateerde van na 1578. Omdat het materiaal opnieuw was gebruikt, kan de put jonger zijn geweest.

In de put lagen onder meer bloempotten en een kopje met boerenbontdecor uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Deze vondsten wijzen erop dat de put toen buiten gebruik raakte.

De waterput verbindt daardoor verschillende perioden. Het hout was ouder dan de uiteindelijke buitengebruikstelling en werd mogelijk al vóór de bouw van de put voor een ander doel gebruikt.

Dierbegravingen en de kwetsbaarheid van een boerenbedrijf

Op het erf werden kuilen met dierlijke resten gevonden, waaronder het skelet van een rund. Zulke begravingen kunnen verband houden met ziekte, een ongeval of een dier dat niet normaal kon worden verwerkt.

Het verlies van een koe was economisch zwaar. Een boerengezin verloor daarmee melk, boter, kaas, een mogelijk kalf, mest en de uiteindelijke vleeswaarde.

De exacte datering van alle dierbegravingen is niet volledig zeker. Zij tonen wel hoe nauw het leven van de bewoners met het vee verbonden was.

Een dood dier was niet alleen een archeologische vondst of een landbouwkundig verlies. Het kon voor een gezin het verschil betekenen tussen voldoende inkomen en financiële moeilijkheden.

Het negentiende-eeuwse polderlandschap

Op negentiende-eeuwse kaarten verschijnt Wijdenes als onderdeel van een fijnmazig waterstaatkundig landschap. Ten noorden ligt de Veenhuizerpolder. Namen als de Tocht en de Molentocht tonen hoe het water door het land werd geleid.

De bewoning lag verspreid langs hogere wegen en kaden. Bij de kust staat het Hof aangegeven. Ook namen als Zwanenburg zijn op de kaarten zichtbaar.

Wijdenes bestond niet uit één compacte kern. Boerderijen en woningen vormden linten langs de Kerkbuurt, Zuideruitweg en andere hogere lijnen. Tussen de erven lagen boomgaarden, weilanden en akkers.

Molens en sluizen hielden het waterpeil beheersbaar. Wanneer een molen niet werkte, een sluis defect was of een tocht dichtslibde, kon een groot gebied wateroverlast krijgen.

Het landschap was dus geen onbeweeglijke achtergrond. Het functioneerde alleen wanneer mensen voortdurend maalden, baggerden, repareerden en toezicht hielden.

Wijdenes als zelfstandige gemeente

Tijdens de Franse bestuurlijke hervormingen hield de oude stede Wijdenes en Oosterleek op te bestaan. In 1812 werden Wijdenes, Oosterleek en Schellinkhout tijdelijk samengevoegd.

Later werd Wijdenes opnieuw een zelfstandige gemeente, met Oosterleek binnen haar grondgebied. De gemeente had een burgemeester, wethouders en raad en hield zich bezig met wegen, onderwijs, armenzorg, openbare orde en plaatselijke voorzieningen.

In de jaren zestig deelden de kleine gemeenten steeds vaker bestuurders. Op 6 juni 1967 werd H.M. Honijk, al burgemeester van Venhuizen, geïnstalleerd als burgemeester van Wijdenes. Een dag later werd hij tevens burgemeester van Schellinkhout.

Daarmee liep de bestuurlijke praktijk vooruit op de herindeling.

Op 1 augustus 1970 gingen Wijdenes, Schellinkhout en Venhuizen samen in de nieuwe gemeente Venhuizen. Sinds 2006 behoort Wijdenes tot Drechterland.

De bestuurlijke namen veranderden, maar Wijdenes bleef als dorp en plaatselijke gemeenschap herkenbaar.

Onderwijs en Roelof van Wienesse

De dorpsschool werd een belangrijk centrum van de moderne gemeenschap. Kinderen leerden er lezen, schrijven en rekenen. De school stond in verbinding met kerk, gemeente en dorpsleven.

De huidige openbare basisschool draagt de naam Roelof van Wienesse.

De schoolwebsite presenteert Roelof als een Scandinaviër die omstreeks 820–890 in Wijdenes zou hebben geleefd en er een kasteel zou hebben gebouwd. Voor deze persoon ontbreekt echter een onafhankelijke historische bevestiging. De naam leeft vooral als plaatselijke overlevering en onderdeel van de dorpsidentiteit.

De school en de bredere dorpsvoorzieningen zetten een veel oudere functie voort: een plaats waar kinderen leren en bewoners elkaar ontmoeten.

De legende heeft daarmee wel culturele betekenis, ook al kan zij niet als bewezen geschiedenis worden behandeld.

De kantklosschool

In 1914 werd de vereniging en kantklosschool Ieder voor Allen opgericht. Het initiatief kwam van mevrouw L.P.J. de Jager Meezenbroek-van Beverwijk.

Vrouwen en meisjes leerden er kantklossen, naaien en tekenen. In 1916 ontving de school rijkssubsidie.

De school bood vakkennis, sociale contacten en mogelijk aanvullende inkomsten. De traditie bleef lange tijd bestaan en gaf Wijdenes landelijke bekendheid op het gebied van kantklossen.

Daarmee kreeg ook de geschiedenis van vrouwenarbeid, huisnijverheid en onderwijs een zichtbare plaats in het dorp.

Later kreeg de kantklosschool onderdak in de aanbouw van De Stofmolen. Daardoor kwamen twee vormen van plaatselijk vakmanschap in hetzelfde gebouw samen: het malen van graan en het maken van kant.

De spoor- en tramverbinding met Hoorn

In het begin van de twintigste eeuw werd de oude verbinding met Hoorn versterkt door een lokaalspoor- of tramverbinding. De lijn liep vanuit Hoorn via Schellinkhout en Wijdenes verder door oostelijk West-Friesland.

Voor inwoners betekende dit gemakkelijker vervoer naar winkels, scholen, markten en werk. Voor boeren en handelaren konden landbouwproducten en goederen sneller worden vervoerd.

De verbinding bleef niet permanent bestaan. Bus, vrachtwagen en auto namen het vervoer later over.

Hoorn bleef desondanks de belangrijkste dagelijkse stad voor veel inwoners van Wijdenes. De vervoermiddelen veranderden, maar de regionale oriëntatie bleef bestaan.

Boerderij Sally vóór de oorlog

Op de kadastrale kaart van 1824 stond aan Kerkbuurt 13 een West-Friese stolp met een bijgebouw. In 1832 behoorden het huis, erf, twee boomgaarden en twee weilanden aan landman Jakob Willemsz ter Hofstede.

Na zijn overlijden werd het bezit in 1881 of 1882 verkocht aan landman Luitje Schekkerman.

In 1912 werd de stolp verbouwd, het perceel samengevoegd met achterliggend land en een schuur gebouwd.

Eind 1912 of in 1913 werd Maarten Gerritszoon Bakker eigenaar. Omstreeks 1929–1930 werd de oude stolp afgebroken en vervangen door een boerderij met een woonhuis en een daarachter gelegen stolpschuur.

In 1933 kwamen Willem en Annie Marie Kollis op de boerderij wonen. Onder hun bewoning kreeg het erf een bijzondere rol in de geschiedenis van de bezetting.

Afwerpterrein Sally

Tijdens de laatste oorlogswinter lag bij Wijdenes een geheim geallieerd afwerpterrein met de codenaam Sally. Britse vliegtuigen dropten er wapens, munitie en voorraden voor de Nederlandse ondergrondse strijdkrachten.

Van oktober 1944 tot mei 1945 werd bij Wijdenes in totaal ongeveer 28 ton wapens en munitie afgeworpen.

Via de radio kon een dropping worden aangekondigd met de slagzin: “De schaatsen zijn opgeborgen.” Op het terrein werd vervolgens met lampen een afgesproken sein gegeven. Daarbij werd de morseletter C gebruikt.

De boerderij aan Kerkbuurt 13 werd gebruikt voor ontvangst, opslag en verdere verspreiding. Goederen werden onder de vloer en in het hooi verborgen.

De verzetsmensen moesten in het donker signalen geven, containers en parachutes verzamelen en vóór het ochtendlicht alle sporen verwijderen.

Ontdekking kon arrestatie, deportatie of executie betekenen. Ook Willem en Annie Marie Kollis liepen door het beschikbaar stellen van hun boerderij groot gevaar.

Na de bevrijding poseerde de verzetsgroep voor de boerderij met een parachute en een bord met de naam Sally. De codenaam werd daarna als erenaam voor het gebouw gebruikt.

Het Sally-monument

Nadat de boerderij later was verdwenen, kwam op het terrein een monument. In het monument zijn stenen van het gesloopte gebouw verwerkt.

Het bestaat uit een plateau, een bank die de vorm van een parachute oproept en een bakstenen muur met informatie.

Afbeeldingen van de boerderij, een seinlamp en een haan met dichtgebonden snavel verwijzen naar de geheime droppings, de lichtsignalen en de stilte die voor het slagen van de operaties noodzakelijk was.

Daarmee bleef de plaats herkenbaar, ook nadat de historische boerderij zelf was verdwenen.

Het monument herinnert niet alleen aan wapens en vliegtuigen, maar vooral aan de mensen die op de grond wachtten, de containers zochten, de lading verborgen en voortdurend het risico liepen te worden verraden of ontdekt.

Bloembollen en naoorlogse specialisatie

Willem en Annie Marie Kollis verkochten de boerderij in 1956 of 1957 aan Johannes Jozef Boon, tuinder en bloembollenkweker.

In 1963 of 1964 liet hij twee bijgebouwen oprichten. Tijdens de ruilverkaveling van 1970 en 1971 veranderden de perceelsgrenzen.

In 1976 of 1977 werden huis, erf, schuur en bouwland eigendom van de firma Gebroeders N.P. en M.J. Boon, eveneens bloembollenkwekers.

Deze ontwikkeling past in de modernisering van de West-Friese landbouw. Traditionele gemengde bedrijven maakten deels plaats voor gespecialiseerde tuinbouw, fruitteelt en bloembollenteelt.

Mechanisatie, drainage en ruilverkaveling maakten grotere en efficiëntere bedrijven mogelijk. Tegelijk verdwenen oude sloten, perceelsgrenzen en delen van het middeleeuwse verkavelingspatroon.

In 2008 maakten de bijgebouwen plaats voor een grote schuur. De boerderij en de schuur werden uiteindelijk in 2012 gesloopt.

De opgraving van 2019

Op 8, 9 en 10 juli 2019 onderzocht Archeologie West-Friesland ongeveer 250 vierkante meter aan Kerkbuurt 13. Het rapport verscheen in 2021.

De bodem was gedeeltelijk verstoord door de bouw en sloop van de twintigste-eeuwse boerderij en door eerdere saneringswerkzaamheden. Toch konden verschillende bewonings- en gebruiksfasen worden onderscheiden.

De eerste fase bestond uit het oude landschap en mogelijke gebruikssporen uit de Bronstijd. Daarna volgde de twaalfde-eeuwse ontginning met een diepe sloot en middeleeuws aardewerk.

Vervolgens werd het terrein rond 1200–1250 opgehoogd en mogelijk gedeeltelijk voor akkerbouw, weiland en vroege bewoning gebruikt.

In de dertiende eeuw ontstond een duidelijkere woonterp. De bewoning werd tussen ongeveer 1250 en 1400 uitgebreid en vernieuwd.

Tussen 1400 en 1600 volgden verdere ophoging, verbreding en nieuwe gebruikslagen. Uit deze periode kwamen onder meer aardewerk, geïmporteerd steengoed, munten en het bronzen bakje.

Daarna volgden de stolpboerderij en latere gebouwen uit de Nieuwe Tijd, met muurwerk, een waterput, dierbegravingen en twintigste-eeuwse vondsten.

De afzonderlijke fasen omvatten onder meer ontginningssloten, terpsloten, vloerlagen, kuilen, muurwerk, een waterput en dierbegravingen.

Op één erf kwam daarmee vrijwel de hele ontwikkeling van Wijdenes bijeen: prehistorisch landgebruik, Friese ontginning, middeleeuwse bewoning, vroegmoderne landbouw, twintigste-eeuws boerenbedrijf en oorlogsherinnering.

Afsluitdijk, IJsselmeer en Markermeer

De voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 veranderde de Zuiderzee in het IJsselmeer. Eb en vloed verdwenen en het water werd geleidelijk zoeter.

Voor Wijdenes betekende dit een ingrijpende verandering. De kust werd veiliger, maar de traditionele zoutwatervisserij verloor haar basis. Haring en ansjovis konden hun oude paaigebieden niet meer op dezelfde wijze bereiken.

Vissers moesten hun beroep aanpassen of ander werk zoeken. De haven werd minder een werkhaven en meer een plaats van recreatie, reddingswerk en herinnering.

Na de voltooiing van de Houtribdijk tussen Enkhuizen en Lelystad in 1976 kwam Wijdenes aan het Markermeer te liggen.

De oude route naar Hoorn bestaat geografisch nog steeds, maar het water en het gebruik ervan zijn veranderd.

Onder dat water liggen verdwenen land, oudere kustlijnen, mogelijke dijkresten en het muurwerk van de laatmiddeleeuwse burcht.

Mechanisatie en ruilverkaveling

In de twintigste eeuw veranderde ook de landbouw ingrijpend. Tractoren vervingen paarden. Melkmachines verminderden het zware handwerk. Kunstmest, drainage en moderne stallen verhoogden de productie.

Bij ruilverkavelingen werden verspreide kavels samengevoegd. Sloten werden verlegd of gedempt, wegen verbeterd en boerderijen beter bereikbaar gemaakt.

Voor boeren betekende dit een doelmatiger bedrijfsvoering. Tegelijk verdween een deel van het landschap dat rechtstreeks uit de middeleeuwse ontginning was voortgekomen.

Het aantal boerenbedrijven nam af, terwijl de overblijvende bedrijven groter werden. Veel stolpen verloren hun agrarische functie en werden woonhuis.

De oude strokenverkaveling bleef op verschillende plaatsen zichtbaar, maar werd minder fijnmazig dan zij eeuwenlang was geweest.

De modernisering bracht daardoor zowel vooruitgang als verlies. Het werk werd minder zwaar en de opbrengsten namen toe, maar historische landschapslijnen verdwenen.

Het verdwijnen van de middenstand

Door betere wegen, auto’s en openbaar vervoer raakten inwoners minder afhankelijk van winkels en ambachten in het eigen dorp.

Bakkers, kruideniers, melkboeren, smeden, timmerbedrijven en kleine werkplaatsen verdwenen geleidelijk. Voor grotere aankopen en diensten reisden mensen naar Hoorn, Enkhuizen of andere plaatsen.

Daarmee veranderde het sociale leven. Waar mensen vroeger dagelijks bij de winkel, smid, molen, haven of herberg samenkwamen, verschoof de ontmoeting naar verenigingen, school, sport en dorpsactiviteiten.

Hoorn bleef voor veel inwoners de belangrijkste stad voor winkels, onderwijs, medische voorzieningen, werk en andere diensten.

De economische band met Hoorn werd daardoor niet verbroken. Zij kreeg alleen een andere vorm.

De economische ontwikkeling in één lijn

De economie van Wijdenes veranderde voortdurend met het landschap.

In de vroegste ontginningsperiode waren veen, plaatselijk turfgebruik, akkerbouw en graan belangrijk. Door bodemdaling werd grasland steeds aantrekkelijker. Rundvee, melk, boter, kaas, kalveren, hooi en mest werden de kern van het boerenbedrijf.

Sommige runderen werden waarschijnlijk vetgeweid voor de vleesmarkt. Schapen leverden wol en vlees, varkens spek en vet, kippen eieren en pluimvee. Hazen en ander wild vormden een beperkte aanvullende opbrengst.

Visserij en scheepvaart gaven het dorp een tweede economische pijler. De haven verbond het dorp met Hoorn, Enkhuizen, andere Zuiderzeeplaatsen en voor sommige schippers zelfs met de Noordzee en de Oostzee.

Boomgaarden, tuinbouw en later bloembollen voegden nieuwe producten toe. Via dijk, binnenwater en Zuiderzee gingen deze goederen naar Hoorn, Enkhuizen en andere markten. Op de terugreis kwamen gereedschap, zout, hout, bouwmateriaal en handelswaren mee.

De Stofmolen verbond de graanproductie met het plaatselijke voedselgebruik. Later liet de mechanische maalderij zien hoe traditionele windkracht door moderne aandrijving werd aangevuld.

In de twintigste eeuw maakten mechanisatie, specialisatie en ruilverkaveling grotere bedrijven mogelijk. De visserij nam af en de haven verloor haar economische hoofdfunctie. Tegelijk kwamen bloembollenteelt, woonfuncties, recreatie en erfgoedbeheer sterker naar voren.

Wijdenes was daarom nooit alleen een zelfvoorzienend boerengehucht. Het was een schakel in een regionaal netwerk van land, water, stad en markt.

Wijdenes vandaag

Het huidige Wijdenes bewaart nog altijd de vorm van een langgerekt West-Fries dorp. De Kerkbuurt, Zuideruitweg, Zuiderdijk, stolpboerderijen, houten woningen, sloten en open landerijen volgen lijnen die vaak eeuwenoud zijn.

De kerktoren markeert de oude dorpskern. De haven herinnert aan vissers en schippers. Het Hof bewaart de naam van de vroegmoderne buitenplaats en ligt in een gebied dat met het verdwenen voorland en de middeleeuwse burcht verbonden is.

De Stofmolen vertelt over landbouw, Zaanse olie-industrie, korenmaalderij, mechanisatie, gemeentelijk bestuur, vrijwilligerswerk en kantklossen.

Het Sally-monument herinnert aan verzetsmensen die onder levensgevaar gedropte wapens verzamelden, verborgen en verspreidden.

Onder de nieuwere bebouwing liggen resten van eerdere huizen, erven, sloten en ophogingen. Voor de dijk strekt het Markermeer zich uit. Onder dat water liggen verdwenen land en het muurwerk uit de tijd van Floris V.

Het huidige dorp is daardoor niet los te zien van zijn verleden. Oude functies zijn verdwenen, maar de lijnen waarlangs het dorp groeide, zijn nog herkenbaar.

Het blijvende verhaal van Wijdenes

Wijdenes werd niet door één stichter ontworpen. Het groeide uit de wisselwerking tussen natuur, arbeid en gemeenschap.

Bronstijdboeren gebruikten de hogere delen van het landschap. Daarna werd het gebied natter en groeide het veen. In de twaalfde eeuw breidden West-Friese boeren uit oudere nederzettingen in Drechterland hun gebruik van het veengebied uit. Zij groeven sloten, legden kavels aan en stichtten erven.

Omdat de bodem zakte, werden zij ook terpenbouwers en dijkenbouwers. Zij moesten het land dat zij hadden ontgonnen voortdurend opnieuw beschermen.

Kerkelijk vielen zij onder Utrecht, maar wereldlijk bleven zij lange tijd grotendeels zelfstandig. Floris V landde in 1282 bij Wijdenes en liet er waarschijnlijk een burcht bouwen of een bestaande versterking aanpassen.

Deze burcht kan als landingsplaats, militaire uitvalsbasis, bevoorradingscentrum en zichtbaar teken van grafelijke macht hebben gediend.

In 1289 kwam West-Friesland formeel onder Hollands gezag. Na de dood van Floris werd de versterking verwoest. Door kustafslag en het terugleggen van de dijk verdween het terrein uiteindelijk onder het water. De bakstenen resten zijn in het Markermeer teruggevonden.

Wijdenes werd samen met Oosterleek een kleine plattelandsstede. Schouten en schepenen spraken recht. Zij legden verkopen, schulden, erfenissen, voogdijen, huwelijken en misdrijven vast.

Boeren hielden vee, vissers voeren de Zuiderzee op en schippers verbonden het dorp met Hoorn en verder gelegen markten. In de vijftiende eeuw moesten Wijdenes en de omliggende dorpen zelfs een oorlogsschip voor de Bourgondische landsheer bouwen.

De dijk hield het water buiten en vormde tegelijk een weg. De haven loosde polderwater en bood toegang tot de Zuiderzee. Stormen beschadigden de waterkering, waarna de inwoners gezamenlijk werkten om hun land te redden.

Op het Hofland ontstond een buitenplaats die niet met de middeleeuwse burcht moet worden verward. Het Huis te Wijdenes kwam in handen van rechtsgeleerden, Hoornse investeerders en uiteindelijk boerenfamilies.

De oude korenmolen werd in 1911 vervangen door de uit Zaandijk afkomstige oliemolen Het Vette Schaap, die in Wijdenes als De Stofmolen verderging.

De molen verbond Zaanse industrie met West-Friese landbouw. Hij werkte eerst op windkracht, kreeg later een mechanische maalderij en werd vervolgens een plaats van bestuur, onderwijs, kantklossen en vrijwillig molenaarswerk.

In de moderne tijd veranderden mechanisatie, ruilverkaveling, gemeentelijke herindeling en de afsluiting van de Zuiderzee het dorp. De traditionele visserij verloor haar betekenis, de haven werd gerestaureerd en De Stofmolen werd een historisch monument en gemeenschapsgebouw.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd boerderij Sally een geheime schakel in het verzet. Britse vliegtuigen wierpen wapens en munitie af, terwijl plaatselijke verzetsmensen en de bewoners van de boerderij hun leven riskeerden om de lading te verzamelen en te verbergen.

Na de oorlog veranderden landbouw, bloembollenteelt, middenstand en dorpsleven opnieuw. Veel kleine bedrijven verdwenen, boerderijen werden groter en inwoners raakten voor voorzieningen steeds sterker op Hoorn en andere plaatsen gericht.

Toch bleven de oude lijnen zichtbaar: de Kerkbuurt, de Zuiderdijk, het Hofland, de haven, de tochten en de verspreide boerderijerven. Zij vertellen samen het verhaal van een gemeenschap die haar bestaan opbouwde tussen Hoorn, Drechterland en de Zuiderzee.

Het is een gemeenschap van Bronstijdboeren, Friese ontginners, dijkenbouwers, boeren, vissers, schippers, molenaars, ambachtslieden, bestuurders, kantklosters en verzetsmensen.

De geschiedenis van Wijdenes werd niet alleen gemaakt door graven, schouten en burgemeesters. Zij werd vooral gemaakt door de mensen die sloten groeven, huizen ophoogden, vee verzorgden, visnetten herstelden, schepen uitrustten, de dijk verdedigden, graan maalden, kant klosten en in oorlogstijd hun leven waagden.

Hun werk veranderde het landschap. Tegelijk bepaalde dat landschap telkens opnieuw hoe zij konden wonen en leven.

Daarin ligt de blijvende kern van Wijdenes: een West-Friese gemeenschap die door land en water werd gevormd en die datzelfde land en water eeuwenlang zelf mede vormgaf.