Nagedacht gedurende 13s
Plaats dit verhaal helemaal bovenaan de pagina, vóór het huidige onderdeel Kerken, klokgelui en het ontstaan van een bestuurlijke gemeenschap. Het vormt het ontbrekende Deel 1. Het huidige openingsgedeelte kan daarna als laatste hoofdstuk van Deel 1 blijven staan, maar de onderdelen over het stadsrecht, het raadhuis en negentiende-eeuwse monumenten moeten chronologisch naar latere delen worden verplaatst. De website begint nu namelijk bij de kerken, springt daarna terug naar het stadsrecht van 1414 en vervolgens vooruit naar het raadhuis van omstreeks 1860.
Benningbroek en Sijbekarspel
Dorpen op de kreekrug, tussen water, kerk, bestuur en dagelijks werk
De geschiedenis van Benningbroek en Sijbekarspel begon lang voordat de huidige dorpen bestonden. Het landschap bestond eerst uit kreken, slikken, moerassen en uitgestrekte veengronden. Mensen zochten de hogere en stevigere plaatsen op om te wonen, voedsel te verbouwen en vee te houden. Later werden de natte gronden ontgonnen en ontstonden langgerekte dorpslinten, kerken, boerderijen en wegen. Beide dorpen kregen samen een bestuur, maar behielden ieder een eigen kerk en dorpsgemeenschap. Eeuwenlang werd het bestaan bepaald door waterbeheer, veeteelt, landbouw, geloof, armenzorg, onderwijs en plaatselijke bedrijvigheid. Dit verhaal volgt hun ontwikkeling vanaf de oudste bewoning tot 1939, vlak voordat de Tweede Wereldoorlog ook het dagelijkse leven in de dorpen ingrijpend zou veranderen.
Deel 1 — Van kreken en moerassen naar twee dorpen
Bewoning in een open getijdenlandschap
Duizenden jaren geleden lag op de plaats van het latere Sijbekarspel nog geen gesloten veengebied. Het landschap stond onder invloed van getijdenstromen die water, zand en klei aanvoerden. Langs kreken ontstonden iets hogere oevers waarop tijdelijk of langdurig kon worden gewoond. Omstreeks 2500 voor Christus bevonden zich hier al mensen. Zij leefden in een omgeving waarin water voortdurend aanwezig was, maar waarin ook mogelijkheden bestonden voor akkerbouw, veeteelt, visvangst en het verzamelen van voedsel. De bewoning lag niet op dezelfde hoogte als het huidige dorp. In de eeuwen daarna werden nieuwe lagen klei en zand afgezet. Daardoor raakten oude woonplaatsen bedekt en bleven sporen van huizen, akkers, gebruiksvoorwerpen en begravingen onder de latere bodem bewaard.
Onderzoek bij de Vekenweg
In 1985 en 1986 werden bij de Vekenweg proefboringen uitgevoerd. Deze maakten duidelijk dat zich onder het maaiveld resten van een prehistorische nederzetting bevonden. In 1989 volgde een uitgebreider archeologisch onderzoek. De onderzoekers moesten door ongeveer tachtig centimeter later afgezet materiaal heen voordat de oude bewoningslaag werd bereikt. In het sediment werden humuszuren van riet aangetroffen. Daaruit bleek dat het terrein na de bewoning lange tijd nat was geweest en met riet begroeid raakte. Onder de afzettingen kwamen sporen van menselijke activiteit tevoorschijn. Het onderzoek liet zien dat de latere dorpsgrond verschillende landschappen boven elkaar bewaarde. Onder weilanden en boerderijerven lag een veel oudere wereld verborgen waarin mensen al duizenden jaren eerder hadden gewoond en gewerkt.
Akkerbouw met een eergetouw
Bij de opgraving werden sporen gevonden van akkerbewerking met een eergetouw. Dit eenvoudige houten werktuig sneed de grond open, maar keerde de aarde niet volledig om zoals een latere ploeg. De lijnen in de bodem lieten zien dat het land in verschillende richtingen was bewerkt. Ook werden graanresten aangetroffen. Daarmee werd duidelijk dat de bewoners niet alleen van jacht, visvangst of veeteelt leefden, maar ter plaatse gewassen verbouwden. Akkerbouw in dit landschap vroeg om nauwkeurige keuze van de grond. De hogere oevers langs de kreken waren droger dan de omgeving en daardoor beter geschikt voor bewoning en teelt. De gevonden ploegsporen behoren tot de oudste zichtbare aanwijzingen voor georganiseerd boerenwerk in de omgeving van Sijbekarspel.
Een graf onder het latere land
Op 13 september 1989 werd tijdens het archeologische onderzoek een menselijk graf ontdekt. Het skelet bleek van een vrouw te zijn die bij haar overlijden ongeveer vijftig jaar oud was. Aan de schedel was een beschadiging zichtbaar. Niet met zekerheid kon worden vastgesteld of deze verwonding tijdens haar leven was ontstaan, met haar dood samenhing of later door druk in de bodem was veroorzaakt. De vrouw kreeg de bijnaam Woiffie van Soibekarspel. De naam maakte een anonieme bewoner uit de prehistorie voor een modern publiek herkenbaar, zonder dat haar werkelijke naam bekend kon zijn. Het graf toonde dat de nederzetting niet alleen een plaats was waar mensen werkten en woonden. Ook overledenen werden in of nabij het bewoonde landschap begraven.
Meer dan tweeduizend bezoekers
Op 4 oktober 1989 werd bij de opgraving een open dag gehouden. Meer dan tweeduizend bezoekers kwamen kijken naar de bewoningssporen, bodemlagen en vondsten. De grote belangstelling liet zien dat de ontdekking niet alleen voor archeologen belangrijk was. Inwoners konden op korte afstand van hun huizen zien hoe diep de geschiedenis van het dorp terugging. De huidige Westerstraat, boerderijen en weilanden bleken boven een veel ouder bewoond landschap te liggen. De bezoekers zagen geen volledig bewaard dorp met overeind staande woningen, maar verkleuringen, ploegsporen, kuilen, aardewerk en menselijke resten. Juist zulke kwetsbare aanwijzingen maakten het mogelijk het leven van de vroegste bewoners gedeeltelijk te reconstrueren. Na afloop werd het terrein weer onderdeel van het gewone agrarische landschap.
Een stenen werktuig uit Sijbekarspel
Al in 1946 was in Sijbekarspel een bijzonder stenen werktuig gevonden, bij het latere adres Westerstraat 102. Het voorwerp werd gedateerd tussen ongeveer 800 en 500 voor Christus. Het wordt aangeduid als een Muntendam-hamer, maar kan mogelijk als splijtbijl zijn gebruikt. Met zo’n stevig werktuig kon hout worden bewerkt of gespleten. Het voorwerp behoort tot een jongere periode dan de nederzetting bij de Vekenweg, maar bewijst dat de omgeving ook later werd bezocht of bewoond. Eén losse vondst vertelt niet precies waar een huis stond of hoe groot een gemeenschap was. Samen met andere archeologische sporen maakt zij echter duidelijk dat mensen gedurende verschillende prehistorische perioden gebruikmaakten van de hogere, beter bewoonbare delen van het landschap.
Een kogelpot uit Benningbroek
In Benningbroek werd een vrijwel intacte kogelpot gevonden. Dit aardewerken voorwerp had een ronde bodem en kon in of naast het vuur worden geplaatst. Dergelijke potten werden gebruikt om voedsel te koken of te bewaren. Omdat het exemplaar vrijwel onbeschadigd was, is gedacht aan een mogelijke plaatsing in een graf. Zeker is dat echter niet. De pot kan ook op een andere manier in de bodem terecht zijn gekomen. De vondst laat zien dat niet alleen Sijbekarspel, maar ook Benningbroek archeologische sporen uit een vroeg verleden bezit. Aardewerk is voor onderzoek belangrijk, omdat vorm, materiaal en bakwijze aanwijzingen geven voor de ouderdom. Een eenvoudig gebruiksvoorwerp kan daardoor informatie bevatten over bewoning, voedselbereiding, handel en plaatselijke gebruiken.
Van kreek naar kreekrug
Na de vroege bewoning veranderde het landschap ingrijpend. Kreken voerden zand en klei aan en vulden zich geleidelijk. Buiten de kreekbeddingen groeide veen. Dit veenpakket werd uiteindelijk hoger dan de oude, met zand en klei gevulde geulen. Toen mensen het veen later ontwaterden, begon het in te klinken en te verteren. De veengronden daalden, terwijl de stevigere vulling van de oude kreken minder sterk zakte. Daardoor ontstond een omkering van het landschap. Wat oorspronkelijk een laaggelegen waterloop was geweest, kwam als een hogere rug boven de omgeving te liggen. Deze zogenoemde kreekruggen waren soms ongeveer honderd meter breed en konden zich enkele kilometers door het landschap uitstrekken. Zij vormden stevige stroken in een verder nat en dalend gebied.
Wonen op de hoogste stroken
De hogere kreekrug bood betere mogelijkheden voor bewoning dan de lager gelegen veenkommen. Huizen en boerderijen stonden er steviger en hadden minder last van water. Ook wegen konden beter over deze ondergrond worden aangelegd. De latere dorpslinten van Sijbekarspel en Benningbroek volgden daarom grotendeels de oude ruggen in het landschap. Kerken, woonhuizen, stolpboerderijen, scholen en bestuursgebouwen verschenen langs dezelfde verhoogde lijn. Achter de bebouwing strekten lange, smalle percelen zich uit naar de lagere gronden. Sloten markeerden de grenzen en voerden het water af. De huidige vorm van beide dorpen werd dus niet door één bestuurder of bouwplan ontworpen. Zij groeide uit de natuurlijke ondergrond en uit eeuwenlange keuzes om op de droogste en stevigste plaatsen te bouwen.
Een uitgestrekt veengebied
Voordat de middeleeuwse ontginning begon, bestond een groot deel van West-Friesland uit veen, rietlanden, moerassen en moeilijk toegankelijke watergebieden. Op sommige plaatsen groeide het veen eeuwenlang omhoog doordat afgestorven plantenresten in het natte milieu nauwelijks verteerden. De hogere veenkoepels konden betrekkelijk droog lijken, maar het water bleef overal dichtbij. Vaste wegen waren schaars en vervoer ging waar mogelijk over kreken, meren en natuurlijke waterlopen. Bewoning was beperkt tot gunstige stroken en hogere plaatsen. Het landschap bood wel mogelijkheden voor visvangst, jacht, beweiding en het verzamelen van riet en brandstof. Om er grotere landbouwgebieden van te maken, moesten sloten worden gegraven. Daarmee begon een ontwikkeling die het landschap bewoonbaarder maakte, maar uiteindelijk ook tot sterke bodemdaling leidde.
De ontginning vanaf ongeveer 950
Vanaf ongeveer 950 werden de veengronden systematischer ontgonnen. Vanuit bestaande waterlopen of hogere bewoningsstroken groef men lange sloten het veen in. Het water stroomde weg, waardoor de bovengrond droger werd en kon worden gebruikt voor akkerbouw en bewoning. De grond werd verdeeld in lange, smalle stroken. Deze verkaveling bleef eeuwenlang zichtbaar in het landschap achter de dorpslinten. De eerste opbrengsten konden gunstig zijn. Op ontwaterd veen konden graan en andere gewassen worden verbouwd. Boerderijen kwamen langs de ontginningsassen te staan. De ontginning was echter geen eenmalige handeling. Sloten moesten steeds worden uitgediept en nieuwe gebieden werden verder opengelegd. Zo ontstond stap voor stap een bewoond landbouwlandschap waar eerder vooral nat veen en moeras had gelegen.
Het veen verdwijnt
De ontwatering had een onbedoeld gevolg. Zodra lucht in het veen doordrong, begon het plantenmateriaal te oxideren en te verdwijnen. Daarnaast drukte het uitdrogende veenpakket in. De bodem daalde daardoor voortdurend. In een periode van ongeveer vier tot vijf eeuwen ging een groot deel van het oorspronkelijke veen verloren. Land dat eerst voldoende hoog had gelegen voor akkerbouw, kwam steeds dichter bij het grondwater te liggen. Sloten moesten worden verdiept en afwatering werd moeilijker. Uiteindelijk kon het water niet meer vanzelf naar buiten stromen. Het landschap dat door ontginning bruikbaar was gemaakt, werd dus tegelijk steeds kwetsbaarder. De bevolking moest nieuwe middelen ontwikkelen om het land droog te houden. Molens, kaden, sluizen en gezamenlijke waterbesturen werden later onmisbaar.
Van akkerbouw naar veehouderij
Door de bodemdaling werd de grond steeds natter. Graanverbouw werd op veel plaatsen moeilijk of onmogelijk. Weidegrond bleef wel bruikbaar, waardoor de nadruk verschoof naar veehouderij. Koeien konden op de vochtige graslanden worden gehouden en leverden melk, boter, kaas, vlees, huiden en mest. Schapen en paarden kregen eveneens een belangrijke plaats binnen het boerenbedrijf. Omstreeks 1500 werden uit de omgeving weinig of geen graantienden meer ontvangen. Dat wijst erop dat de graanproductie sterk was afgenomen. De dorpen waren geleidelijk veranderd van gemeenschappen met akkerbouw op ontwaterd veen in vooral veehoudende nederzettingen. Deze verschuiving bepaalde eeuwenlang het karakter van Benningbroek en Sijbekarspel. Zuivel, veehandel, hooiland en waterbeheer werden belangrijker dan plaatselijke graanteelt.
De mogelijke oorsprong van de dorpsnamen
De namen Benningbroek en Sijbekarspel worden wel verbonden met Friese ontginners die Benno en Siebe zouden hebben geheten. Benningbroek zou dan verwijzen naar het broekland, het natte gebied, van Benno. Sijbekarspel zou het kerkelijke gebied of kerspel van Siebe zijn geweest. Deze uitleg is aantrekkelijk, maar niet volledig met zekerheid te bewijzen. Oude plaatsnamen veranderden bij het overschrijven en uitspreken vaak van vorm. Het woord broek duidt in ieder geval op laag, nat land. Kerspel verwees naar het gebied dat bij een kerk hoorde. De namen bewaren daardoor waarschijnlijk zowel herinneringen aan personen of groepen als aan het landschap en de kerkelijke organisatie. Zij ontstonden niet noodzakelijk op één precies bekend moment, maar groeiden mee met de nederzettingen.
De mogelijke rol van Hemelum
Bij de vroege ontwikkeling van de dorpen wordt een verband gelegd met het Friese klooster Hemelum. Vanuit kloosters en kerkelijke instellingen werden in de middeleeuwen ontginningen, parochiestichtingen en landbezit georganiseerd. Geestelijken beschikten over kennis, contacten en rechten die konden helpen bij het in gebruik nemen van nieuwe gebieden. Hoe direct Hemelum bij iedere stap in Sijbekarspel en Benningbroek betrokken was, blijft onzeker. Wel past de verbinding in een tijd waarin West-Friesland en Friesland via water, kerkelijke netwerken en handel nauw met elkaar waren verbonden. Het ontstaan van dorpen was geen geïsoleerde plaatselijke gebeurtenis. Ontginners, geestelijken, grondbezitters en bewoners maakten deel uit van grotere verbanden die zich over het kustgebied rond de Zuiderzee uitstrekten.
De eerste houten kerken
Omstreeks 1150 verschenen op de plaatsen van de latere kerken waarschijnlijk de eerste houten kerkgebouwen. De keuze voor deze plekken was niet toevallig. Zij lagen op hogere grond langs de bewoningslinten en waren vanuit de omgeving bereikbaar. Een kerk gaf een nederzetting een herkenbaar middelpunt. Rond het gebouw lag een begraafplaats en in de nabijheid konden een pastorie, school en andere gemeenschappelijke voorzieningen ontstaan. Het kerkgebouw was aanvankelijk eenvoudig en volledig afhankelijk van plaatselijke materialen en arbeid. Hout was gemakkelijker te verkrijgen en te verwerken dan natuursteen. Zo’n houten kerk was echter kwetsbaar voor brand, storm en verval. Wanneer een gemeenschap groeide en over voldoende middelen beschikte, kon zij het gebouw later vervangen door een duurzamere kerk van tufsteen of baksteen.
De tufstenen kerk van Sijbekarspel
In Sijbekarspel werd de houten kerk later vervangen door een gebouw waarin tufsteen werd gebruikt. Tufsteen moest van buiten West-Friesland worden aangevoerd en was daardoor kostbaar. Het gebruik ervan wijst op een georganiseerde gemeenschap die voldoende middelen en contacten bezat om een stenen kerk te laten bouwen. Een deel van de twaalfde-eeuwse tufstenen bouwlaag bleef in het latere kerkgebouw bewaard. Daarmee was de kerk niet alleen een plaats van eredienst, maar ook een tastbaar overblijfsel uit de vroege dorpsvorming. Rondom de kerk werden generaties inwoners begraven. De kerkplek bleef daardoor eeuwenlang dezelfde, zelfs wanneer muren, ramen, dak en toren werden vernieuwd. De hogere ligging op de oude kreekrug bleef bepalend voor het kerkelijke centrum.
Benningbroek krijgt een eigen kerkplek
Ook Benningbroek ontwikkelde een eigen kerkelijke kern. De kerk kwam op een hogere plaats langs het lint te staan. Rondom lagen het kerkhof, paden en later andere voorzieningen. Hoewel Benningbroek en Sijbekarspel uiteindelijk één bestuurlijke gemeenschap vormden, behielden beide dorpen een eigen kerk. Daardoor bleven zij ook afzonderlijke dorpsgemeenschappen. Kerkbezoek, begrafenissen en plaatselijke gebruiken waren verbonden met de eigen kern. De afstand tussen beide dorpen was niet groot, maar in een tijd waarin vrijwel alles te voet, per schuit of met paard en wagen ging, had een eigen kerk grote betekenis. De twee kerkplaatsen vormden vaste punten in het langgerekte landschap en droegen bij aan het blijvende onderscheid tussen Benningbroek en Sijbekarspel.
Twee dorpen, één Stede
Op 2 februari 1414 kregen Sijbekarspel en Benningbroek gezamenlijk stadsrecht. Zij vormden voortaan de Stede Sijbekarspel. Het stadsrecht veranderde de dorpen niet in een ommuurde stad. Er kwamen geen grote poorten, stenen stadsmuren of dichtbebouwde marktstraten. Het gebied bleef bestaan uit boerderijen, weilanden, sloten en langgerekte bewoningslinten. Het recht gaf de gemeenschap wel eigen bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden. Een schout trad op namens het gezag. Schepenen behandelden geschillen en wezen vonnissen, terwijl een secretaris besluiten en overeenkomsten opschreef. Benningbroek maakte volledig deel uit van de Stede, hoewel de naam Sijbekarspel werd gebruikt. Beide dorpen deelden bestuur en rechtspraak, maar behielden ieder hun eigen kerk, banne en plaatselijke samenhang.
Bestuur dicht bij de inwoners
De eigen rechtspraak betekende dat inwoners niet voor ieder geschil naar een verre stad hoefden te reizen. Zaken over schulden, pacht, erfenissen, erfgrenzen, schade door vee of afspraken over grond konden binnen de Stede worden behandeld. Getuigen werden gehoord en verklaringen werden door de secretaris vastgelegd. Ook overtredingen van plaatselijke regels konden voor schout en schepenen komen. Het bestuur stond dicht bij het dagelijkse leven. De bestuurders kenden de wegen, sloten, landerijen en betrokken families. Tegelijk kon deze nabijheid spanningen veroorzaken, omdat bestuurders en inwoners elkaar als buren, verwanten of zakenpartners ontmoetten. De Stede gaf beide dorpen een gezamenlijke politieke structuur die eeuwenlang bleef bestaan en pas met de bestuurlijke hervormingen rond 1800 ingrijpend veranderde.
Munten uit de Bourgondische tijd
In 1896 werden munten gevonden die uit 1478 dateerden. Zij behoorden tot de Bourgondische periode, toen Holland en West-Friesland onder een groter landsheerlijk bestuur vielen. Waarom de munten in de grond terechtkwamen, is niet bekend. Zij kunnen bewust zijn verborgen in een onrustige tijd, verloren zijn geraakt of deel hebben uitgemaakt van een opgeborgen bezit dat nooit werd teruggehaald. Een muntvondst laat zien dat geldverkeer ook in een agrarische dorpsgemeenschap belangrijk was. Belastingen, pacht, handel en aankopen werden niet uitsluitend in natura afgehandeld. De munten verbonden de plaatselijke geschiedenis met politieke en economische ontwikkelingen buiten de dorpen. Veranderingen van machthebber en muntstelsel waren ook in Sijbekarspel en Benningbroek merkbaar.
Handel over de Zuiderzee
Omstreeks 1500 namen schippers uit Sijbekarspel en Benningbroek deel aan de handel met het Oostzeegebied. Via de Zuiderzee, de Noordzee en de Sont voeren schepen naar havens waar graan, hout en andere goederen werden gekocht. De dorpen lagen niet direct aan een zeehaven, maar waren via waterwegen verbonden met Hoorn, Enkhuizen en andere handelsplaatsen. Inwoners konden daardoor betrokken zijn bij scheepvaart zonder in een grote havenstad te wonen. Vooral graan uit het Oostzeegebied werd belangrijk, omdat de eigen natte gronden steeds minder geschikt waren voor akkerbouw. De plaatselijke bevolking leefde hoofdzakelijk van veeteelt, maar was voor broodgraan mede afhankelijk van verre handelsroutes. Dorpsleven en internationale handel waren daardoor sterker met elkaar verbonden dan het stille agrarische landschap deed vermoeden.
Een stenen kerk in Benningbroek
Omstreeks 1505 werd in Benningbroek een stenen kerk gebouwd. De bouw vormde een grote gezamenlijke onderneming. Steen, hout, kalk, glas en dakbedekking moesten worden aangevoerd en vaklieden moesten worden betaald. Het gebouw was gewijd aan Petrus en kreeg een blijvende plaats in het dorpslint. De kerk bood ruimte voor erediensten, doop, huwelijk en begrafenis. Daarnaast vormde zij een herkenningspunt in het open landschap. De stenen kerk verving waarschijnlijk een ouder en eenvoudiger gebouw. Zij maakte zichtbaar dat de gemeenschap voldoende omvang en middelen had bereikt om een duurzame kerk te onderhouden. Hoewel het gebouw later werd aangepast en van kerkelijke gebruiker veranderde, bleef de plaats door de eeuwen heen het religieuze centrum van Benningbroek.
De klok van 1525
De kerk van Benningbroek kreeg in 1525 een klok. Het geluid droeg ver over de vlakke weilanden en was in een groot deel van het dorpslint hoorbaar. De klok riep inwoners naar de mis, begeleidde begrafenissen en kon bij gevaar of bijzondere gebeurtenissen worden geluid. In een samenleving zonder horloges en nauwkeurige openbare tijdsaanduiding hielp het klokgelui bovendien het dagelijkse ritme bepalen. De klok bleef ook na de Reformatie behouden. Daarmee overleefde zij de overgang van katholiek naar hervormd kerkgebruik. Het voorwerp werd een tastbare verbinding tussen verschillende geloofsperioden. Generaties inwoners hoorden hetzelfde brons, ook al veranderden de taal van de eredienst, de inrichting van de kerk en de bestuurders die verantwoordelijkheid voor het gebouw droegen.
Een grafsteen uit 1555
Uit 1555 bleef een grafsteen bewaard. De steen herinnert aan de periode vlak vóór de grote kerkelijke veranderingen van de zestiende eeuw. Grafstenen waren niet alleen bedoeld om een overledene te gedenken. Zij konden ook familierelaties, maatschappelijke positie, geloof en bezit zichtbaar maken. Wie in of dicht bij de kerk werd begraven, had vaak een bijzondere band met de plaatselijke gemeenschap of beschikte over voldoende middelen om een blijvende gedenksteen te laten maken. De steen uit 1555 behoort tot de weinige tastbare voorwerpen waarmee het kerkelijke leven van vóór de Reformatie rechtstreeks kan worden verbonden. Zij bleef aanwezig terwijl altaren verdwenen, diensten veranderden en nieuwe generaties de kerk volgens andere geloofsopvattingen gebruikten.
De Reformatie bereikt de dorpen
Vanaf 1572 veranderden de politieke en godsdienstige verhoudingen in Holland en West-Friesland ingrijpend. De Opstand tegen het Spaanse gezag ging samen met de snelle groei van het protestantisme. Omstreeks 1574 kwamen ook de kerken van Sijbekarspel en Benningbroek in hervormd gebruik. Beelden, altaren en katholieke rituelen verdwenen uit de openbare kerkgebouwen. De mis maakte plaats voor een eredienst waarin de preek en de Bijbel centraal stonden. De verandering werd van bovenaf en vanuit regionale machtsverschuivingen bevorderd, maar raakte ieder dorp en gezin. Niet alle inwoners werden protestants. Een deel van de bevolking bleef katholiek en moest voortaan zonder openbare kerk verder. Daardoor ontstonden binnen dezelfde dorpen blijvend verschillende geloofsgemeenschappen.
Katholieken zonder openbare kerk
Na de Reformatie konden katholieken de oude dorpskerken niet meer voor hun erediensten gebruiken. Hun geloof verdween echter niet. Diensten werden in woningen, boerderijen en schuren gehouden. De plaatsen mochten aan de buitenkant niet duidelijk als kerk herkenbaar zijn. Rond 1640 werd in eenvoudige schuren in Benningbroek, Nibbixwoud en Hauwert gepreekt. Ook omstreeks 1756 was in Benningbroek katholieke zielzorg aanwezig. Deze latere ontwikkeling hoort chronologisch bij Deel 2, maar ontstond rechtstreeks uit de veranderingen van de zestiende eeuw. De overgang naar hervormd kerkgebruik betekende dus geen volledige vervanging van de bevolking. In dezelfde dorpen bleven protestantse en katholieke gezinnen naast elkaar wonen, werken en hun armen ondersteunen, ieder binnen een eigen kerkelijk netwerk.
De kerken als middelpunt
Aan het einde van de zestiende eeuw stonden de kerken nog steeds op de oude hogere gronden waar de dorpen zich eeuwen eerder hadden gevormd. Het geloof was veranderd, maar de ligging van de gemeenschap bleef vrijwel dezelfde. Rond de kerken lagen begraafplaatsen, paden en woningen. De schoolmeester, predikant en plaatselijke bestuurders kregen er later vaste plaatsen. De dorpsweg volgde de kreekrug en verbond boerderijen, erven en kerkplekken met elkaar. Achter het lint lagen de lange percelen en lage weilanden die door sloten werden ontwaterd. Zo waren landschap, ontginning, geloof en bestuur met elkaar verweven. De prehistorische kreekrug bepaalde nog altijd waar mensen woonden, terwijl middeleeuwse kerken en de Stede bepaalden hoe de twee dorpen als gemeenschap waren georganiseerd.
Overgang naar de zeventiende eeuw
Rond 1600 waren Benningbroek en Sijbekarspel herkenbare agrarische dorpen geworden. De meeste inwoners leefden van vee, land, zuivelbereiding, ambacht en handel. De bodem was door eeuwenlange ontwatering gedaald, waardoor gezamenlijk waterbeheer steeds noodzakelijker werd. Beide dorpen maakten deel uit van de Stede Sijbekarspel, maar behielden ieder een eigen kerk en banne. De oude kerkgebouwen waren in hervormd gebruik gekomen, terwijl katholieke inwoners hun geloof buiten de openbare kerken voortzetten. Schippers en kooplieden verbonden de dorpen met markten en graangebieden buiten West-Friesland. De hogere kreekrug bleef de vaste lijn waarlangs huizen, boerderijen, kerken en wegen lagen. Daarmee waren de belangrijkste structuren ontstaan die het dorpsleven tot ver in de negentiende en twintigste eeuw zouden bepalen.
Hierna invoegen
Na dit aanvullende Deel 1 kan het bestaande gedeelte over kerkklokken en het begin van de zeventiende eeuw volgen. De huidige stukken over de Stede van 1414 horen hierboven bij Twee dorpen, één Stede. Het raadhuis van omstreeks 1860 en de panden Westerstraat 6 en 8 horen chronologisch in Deel 4. Op die manier begint de website bij de oudste bewoning en loopt zij zonder grote tijdsprongen door naar Deel 2.
Kerken, klokgelui en het ontstaan van een bestuurlijke gemeenschap
De kerk van Sijbekarspel stond op een terp op de oude kreekrug. In het gebouw bleef een laag van de twaalfde-eeuwse tufstenen kerk bewaard. Boven de westgevel stond later een dakruiter. Daarin hing de klok die L. Brinckhuyzen in 1682 goot. Het mechanische torenuurwerk, dat omstreeks 1750 werd geplaatst, gaf de tijd aan boven het langgerekte dorpslint. Het klokgelui was in de wijde omgeving hoorbaar. Het riep de inwoners bijeen voor kerkdiensten, maar markeerde ook begrafenissen, bijzondere gebeurtenissen en het ritme van de dag. In een tijd waarin weinig mensen een eigen uurwerk bezaten, vormden kerkklok en torenuurwerk een gemeenschappelijke tijdsaanduiding voor boeren, ambachtslieden, schoolkinderen en reizigers.
Vanaf 1604 stond Hendrik Jarichsen als predikant in Sijbekarspel. Tot 1634 ging hij er voor bij preken, dopen, huwelijken en begrafenissen. Zijn werk speelde zich af in een gemeenschap waarin kerk, onderwijs, armenzorg en plaatselijk bestuur nog sterk met elkaar waren verbonden. De predikant was niet alleen degene die op zondag de eredienst leidde. Hij kwam ook bij inwoners thuis, begeleidde gezinnen bij ziekte en overlijden en legde samen met kerkelijke functionarissen belangrijke gebeurtenissen vast. Via doop-, trouw- en begraafregisters bleef een deel van het leven van de dorpsbewoners schriftelijk bewaard.
Ook Benningbroek had zijn kerk op een oude hoogte in het landschap. De kerk bezat een klok uit 1525. Binnen kwam in 1661 een preekstoel te staan. In 1908 werd een orgel geplaatst. Deze voorwerpen hoorden bij verschillende perioden, maar bleven binnen hetzelfde gebouw met elkaar verbonden. De klok uit de zestiende eeuw herinnerde aan de tijd rond de Reformatie. De preekstoel uit de zeventiende eeuw stond centraal in de hervormde eredienst. Het orgel bracht aan het begin van de twintigste eeuw een nieuwe muzikale klank in het kerkje.
De beide kerken stonden niet als losse monumenten in het landschap. Zij bepaalden mede de ligging van de dorpskernen en vormden herkenningspunten voor bewoners en reizigers. Rond de kerk lagen het kerkhof, de pastorie en paden waarlangs inwoners uit de omgeving kwamen. In de nabijheid verschenen later scholen, herbergen, winkels en bestuursgebouwen. De kerkplek groeide daardoor uit tot een centrum waar geloof, onderwijs, ontmoeting en bestuur dicht bij elkaar lagen.
De Stede Sijbekarspel
Op 2 februari 1414 kregen Sijbekarspel en Benningbroek gezamenlijk stadsrecht als de Stede Sijbekarspel. Dat betekende niet dat de twee dorpen veranderden in een ommuurde stad met poorten, grachten en dichtbebouwde straten. De Stede bleef een plattelandsgebied van boerderijen, weilanden, sloten en langgerekte dorpslinten. Het stadsrecht gaf de gemeenschap echter eigen bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden.
De schout trad op in strafzaken en werd ook wel baljuw of officier genoemd. Hij vertegenwoordigde het gezag en liet personen oproepen wanneer een overtreding of misdrijf moest worden onderzocht. De schepenen hoorden verklaringen aan, beoordeelden geschillen en wezen vonnis. Een secretaris schreef besluiten, getuigenverklaringen, overeenkomsten en andere officiële stukken op. Daardoor kreeg het plaatselijke bestuur een administratie waarin bezit, schulden, rechten en verplichtingen konden worden vastgelegd.
Bewoners konden voor schout en schepenen verschijnen wanneer er ruzie ontstond over land, pacht, schulden, nalatenschappen of erfgrenzen. Ook schade door loslopend vee, een niet nagekomen overeenkomst of een geschil over waterafvoer kon aanleiding zijn voor een plaatselijke rechtszaak. Achter de rustige gevels van Sijbekarspel en Benningbroek bestond daardoor een wereld van verklaringen, beschuldigingen, getuigen en vonnissen.
De vorming van de Stede verbond beide dorpen eeuwenlang in één bestuurlijke gemeenschap. Sijbekarspel gaf zijn naam aan de Stede, maar Benningbroek maakte er volledig deel van uit. De inwoners deelden bestuurders, regels, belastingen en rechterlijke instellingen. Tegelijk bleven zij wonen in twee herkenbare dorpen met ieder een eigen kerk, banne en dorpsgemeenschap.
Van stedehuis naar raadhuis
Het plaatselijke bestuur kreeg in Sijbekarspel een vaste plaats langs de dorpsweg. Vanaf 1731 stond aan de Westerstraat een stedehuis. Daar kwamen bestuurders bijeen en werden officiële stukken bewaard. Het gebouw maakte zichtbaar dat bestuur en rechtspraak niet uitsluitend van buiten kwamen, maar ook binnen de eigen dorpsgemeenschap werden uitgeoefend.
Rond 1860 werd het oude stedehuis vervangen door een nieuw raadhuis aan Westerstraat 95. Binnen lagen rekeningen, besluiten, verzoekschriften, begrotingen en belastingstukken op tafel. De oude lijn van schout en schepenen ging geleidelijk over in die van burgemeester, wethouders, gemeenteraadsleden en gemeentesecretaris. De namen van de functies veranderden, maar het raadhuis bleef de plaats waar besluiten over het dagelijkse dorpsleven werden genomen.
De gemeenteraad sprak er over wegen, armenzorg, scholen, onderwijzerswoningen, bruggen, gebouwen en grondverkopen. Ook belastingheffing, salarissen en onderhoudskosten kwamen aan de orde. Een nieuwe school, een verbouwing of een waterstaatkundig werk begon vaak met een verzoekschrift, een tekening en een begroting die in het raadhuis werden besproken.
Daarmee werd het raadhuis een belangrijk verbindingspunt tussen de oude bestuurlijke geschiedenis en de moderne gemeente. Besluiten die binnen werden genomen, waren buiten direct merkbaar. Zij bepaalden waar een school werd gebouwd, hoeveel een onderwijzer verdiende, welke grond werd gekocht en hoeveel inwoners moesten bijdragen aan gemeentelijke voorzieningen.
Monumenten langs de Westerstraat
De Westerstraat droeg de geschiedenis van Sijbekarspel in een lange rij gebouwen. Langs de weg stonden boerderijen, woonhuizen, de kerk, het raadhuis, de school en verschillende bedrijfsgebouwen. Samen vormden zij geen ontworpen centrum, maar een historisch gegroeid lint waarin wonen, werken, geloven en besturen naast elkaar plaatsvonden.
Westerstraat 6 was een dwars woonhuis van omstreeks 1850. Het gebouw stond onder een hoog schilddak met Friese pannen en zou later bekend worden als een woning met een hoge cultuurhistorische waarde. Westerstraat 8 was een stolphoeve met een gevelsteen uit 1839. De voorgevel was symmetrisch opgebouwd en had een klokvormige houten geveltop. Achter die verzorgde voorzijde lagen de stal, de dars, de hooiberging en andere werkruimten van het boerenbedrijf.
Aan Westerstraat 11 lag het monumentale complex Zorg en Hoop. In de omgeving van deze boerderij werd eeuwen later archeologisch onderzoek uitgevoerd naar de prehistorische nederzetting bij de Vekenweg. Zo kwamen op korte afstand verschillende historische lagen samen: de resten van bewoners uit het Laat-Neolithicum, een oude boerderij en het latere agrarische dorpslandschap.
Sijbekarspel telde tien rijksmonumenten. Deze gebouwen vertegenwoordigden verschillende functies en perioden. Het ene pand herinnerde aan het boerenbedrijf, een ander aan bestuur, onderwijs of bewoning. Samen maakten zij van de Westerstraat geen gewone doorgaande weg, maar een opeenvolging van historische plaatsen.
Achter de huizen lagen erven, boomgaarden, schuren, sloten en weilanden. Op de weg kwamen boeren, schoolkinderen, ambachtslieden, bestuurders en reizigers elkaar tegen. Paarden en wagens gebruikten dezelfde route waar later fietsen, bussen en auto’s reden. De bebouwing veranderde, maar de oude kreekrug bleef de lijn bepalen waarlangs het dorp zich uitstrekte.
Van hogere grond naar een blijvende dorpsstructuur
De ontwikkeling van kerk, bestuur en bebouwing was rechtstreeks verbonden met het landschap. De kreekrug bood de stevige ondergrond waarop kerken, boerderijen, woonhuizen en openbare gebouwen konden worden neergezet. De sloten en lagere gronden achter het lint bepaalden hoe de percelen liepen en hoe het water werd afgevoerd.
De eerste bewoners hadden de hogere stroken gebruikt omdat zij daar veiliger konden wonen dan in de natte kommen. De middeleeuwse ontginners maakten dezelfde keuze. Later bleven ook bestuurders, kerkbesturen en bouwers deze natuurlijke lijn volgen. Daardoor ontstond een dorpsstructuur die eeuwenlang herkenbaar bleef.
De klok van Sijbekarspel, de klok van Benningbroek, het stedehuis, het raadhuis en de stolpboerderijen hoorden bij verschillende eeuwen, maar stonden allemaal op of langs dezelfde hoger gelegen grond. De oude kreekrug verbond daarmee de prehistorische bewoning, de middeleeuwse ontginning en de latere dorpsgeschiedenis.
Benningbroek en Sijbekarspel werden zo niet op één ogenblik gesticht. Zij groeiden langzaam uit een landschap waarin mensen telkens opnieuw de hoogste, stevigste en best bereikbare plaatsen kozen. De kerken gaven de nederzettingen een middelpunt, de Stede gaf beide dorpen een gezamenlijk bestuur en de lintbebouwing legde hun vorm voor vele eeuwen vast.
Deel 2 — Kerk, water, bestuur en dorpsleven tussen 1600 en 1795
Twee geloofsgemeenschappen naast elkaar
Aan het begin van de zeventiende eeuw waren de kerken van Sijbekarspel en Benningbroek officieel in hervormd gebruik. De katholieke bevolking bleef echter bestaan. Omdat openbare katholieke erediensten niet waren toegestaan, werden bijeenkomsten gehouden in woningen, schuren en andere besloten ruimten.
Rond 1640 werd in eenvoudige schuren in Benningbroek, Nibbixwoud en Hauwert gepreekt. De plaatsen van samenkomst waren niet als kerk herkenbaar. Aan de buitenzijde moesten zij eruitzien als gewone boerderijen of bedrijfsgebouwen.
Ook omstreeks 1756 was in Benningbroek nog katholieke zielzorg aanwezig. De katholieke gemeenschap beschikte niet over het oude kerkgebouw, maar hield haar geloof, gebruiken en onderlinge organisatie in stand.
Hierdoor ontstonden binnen dezelfde dorpen twee geloofsgemeenschappen. Zij gebruikten verschillende plaatsen voor hun eredienst en ontwikkelden eigen vormen van armenzorg, onderwijs en onderlinge ondersteuning.
De hervormde kerken
De hervormde kerk van Sijbekarspel bleef op de oude terp aan het dorpslint staan. Vanaf 1604 werden er preken gehouden en werden dopen, huwelijken en begrafenissen geregistreerd. De kerkelijke registers legden belangrijke gebeurtenissen uit het leven van de inwoners schriftelijk vast.
Boven de westgevel stond een dakruiter. Daarin kwam in 1682 een nieuwe klok te hangen. Het klokgelui was over een groot deel van het lint te horen. Het riep de bevolking bijeen, begeleidde begrafenissen en waarschuwde bij bijzondere gebeurtenissen.
Omstreeks 1750 werd een mechanisch torenuurwerk geplaatst. In een periode waarin weinig inwoners een eigen klok bezaten, kreeg het dorp daarmee een gezamenlijke tijdsaanduiding.
De kerk van Benningbroek behield de klok uit 1525. In 1661 werd in het gebouw een zwartgelakte eikenhouten preekstoel geplaatst. De preekstoel kreeg een centrale plaats in de hervormde eredienst.
Kerk, school en armenzorg
Kerk, onderwijs en armenzorg waren in deze periode nauw met elkaar verbonden. De school stond bij of dicht bij de kerk. De schoolmeester kon tegelijk als koster, voorzanger, klokkenluider en administratief helper optreden.
In het schoollokaal werd vooral lezen, schrijven en rekenen onderwezen. Bij het leesonderwijs werden vaak godsdienstige teksten gebruikt. De omstandigheden waren eenvoudig. Veel kinderen zaten dicht bij elkaar, de verlichting was beperkt en de verwarming bestond uit een kachel of vuurplaats.
Regelmatig schoolbezoek was niet vanzelfsprekend. Op boerderijen en in ambachtelijke bedrijven konden kinderen nodig zijn voor werkzaamheden. Het onderwijs moest daardoor concurreren met het werk op het land, de verzorging van vee en huishoudelijke taken.
De hervormde diaconie beheerde een deel van de armenzorg. De katholieke gemeenschap organiseerde daarnaast een eigen ondersteuning, omdat katholieke armen na de Reformatie niet altijd in gelijke mate van de hervormde hulp konden profiteren.
Plaatselijke armenzorg
De eerste verantwoordelijkheid voor hulp aan arme, zieke of oude inwoners lag bij de familie. Wanneer familieleden geen ondersteuning konden geven, konden de kerkelijke armenbesturen of de plaatselijke overheid ingrijpen.
Per dorp werden gewoonlijk twee armenvoogden aangewezen. Zij verrichtten hun werk zonder vast salaris. Zij hielden toezicht op inkomsten en uitgaven, bezochten hulpbehoevende gezinnen en bepaalden welke ondersteuning werd verstrekt.
De hulp bestond vaak uit goederen in plaats van geld. Er werden brood, kaas, vlees, turf, kleding en andere eerste levensbehoeften geleverd. In 1717 werd voor de armen kaas en een half varken aangeschaft. Hiervoor werd 27 gulden, 17 stuivers en 8 penningen betaald.
De armenzorg werd bekostigd uit kerkelijke inkomsten, boetes en plaatselijke heffingen. Bij de overdracht van onroerend goed kon armengeld worden geheven. Ook bepaalde overtredingen leverden inkomsten voor het armenbestuur op.
Nieuwkomers en ondersteuning
Niet iedere nieuwkomer kreeg automatisch toegang tot de plaatselijke armenzorg. Besturen wilden voorkomen dat mensen zich in een dorp vestigden en kort daarna volledig op ondersteuning waren aangewezen.
Daarom kon worden onderzocht of een nieuwe inwoner voldoende middelen, werk of familiebanden had. Soms moest een verklaring worden overgelegd waaruit bleek dat een vorige woonplaats verantwoordelijk bleef voor eventuele ondersteuning.
Ook een ongehuwde zwangere vrouw kon moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van burgerrechten of officiële vestiging. De vrees bestond dat moeder en kind ten laste van het plaatselijke armenbestuur zouden komen.
De armenzorg beschermde daardoor niet alleen hulpbehoevenden. Zij werd ook gebruikt om de financiële lasten van de dorpsgemeenschap te beperken. De toegang tot hulp hing samen met geloof, herkomst, familiebanden en de mogelijkheid om zelf in het levensonderhoud te voorzien.
Armoede en veepest
De welvaart van Sijbekarspel en Benningbroek was sterk afhankelijk van de veehouderij. Wanneer vee door ziekte stierf, werden niet alleen afzonderlijke boeren getroffen. Ook knechten, leveranciers, slagers, kaasmakers en andere inwoners verloren werk of inkomsten.
In de achttiende eeuw kwamen verschillende perioden van veepest voor. Grote aantallen runderen werden ziek en stierven. Voor boeren betekende dit het verlies van melk, boter, kaas, mest en toekomstige kalveren.
Een veestapel kon niet snel worden vervangen. De prijs van gezonde dieren steeg en veel bedrijven raakten in schulden. Gezinnen die eerder zelfstandig konden rondkomen, moesten soms een beroep doen op kerkelijke of plaatselijke ondersteuning.
De uitgaven voor armenzorg namen daardoor toe. Hulp in de vorm van voedsel, turf en kleding werd belangrijker. De veepest maakte zichtbaar hoe kwetsbaar een dorpsgemeenschap was die voor een groot deel van dezelfde agrarische bedrijfstak afhankelijk was.
Waterbeheer na de ontginning
De ontwatering van het veengebied had de bodem eeuwenlang doen dalen. Daardoor kon regenwater niet meer vanzelf naar buiten stromen. Sloten, sluizen, kaden en molens waren nodig om het land bewoonbaar en bruikbaar te houden.
Benningbroek en Sijbekarspel vormden ieder een eigen banne. Binnen zo’n gebied waren de grondeigenaren gezamenlijk verantwoordelijk voor kleinere watergangen, bruggen, kaden en andere werken.
De beide bannen behoorden tot de Middel Kogge, die ook de Kogge van Sijbekarspel werd genoemd. Deze kogge maakte deel uit van De Vier Noorder Koggen.
De vier onderdelen waren de Medemblikker Kogge, de Hoogwouder Kogge, de Wognumer Kogge en de Middel Kogge. Samen vormden zij een groot gebied waarin het waterbeheer over verschillende dorpen en bannen werd verdeeld.
De Westfriese Omringdijk
Plaatselijke dijken en kaden werden in de middeleeuwen geleidelijk met elkaar verbonden. Zo ontstond de Westfriese Omringdijk. Deze dijk beschermde het ontgonnen gebied tegen zee, meren en buitenwater.
De aanwezigheid van de dijk betekende niet dat het watergevaar voorbij was. Storm, golfslag, afkalving en achterstallig onderhoud konden zwakke plekken veroorzaken. Bij een dijkdoorbraak konden grote delen van West-Friesland overstromen.
Het onderhoud werd over de beschermde gebieden verdeeld. Dorpen kregen afzonderlijke dijkvakken toegewezen. Binnen de dorpen werden deze stukken opnieuw verdeeld onder de grondbezitters.
De verdeling werd aangeduid als verstoeling, verdijkslag of verhoefslaging. De namen en onderhoudsplichten werden vastgelegd in stoelboeken. Deze registers maakten duidelijk wie verantwoordelijk was wanneer een bepaald deel van de dijk moest worden hersteld.
Dijkplicht en spa-steking
Het uitgangspunt van het oude waterbeheer luidde: “Wien water deert, die water keert.” Wie door het water werd bedreigd en van de bescherming profiteerde, moest bijdragen aan aanleg en onderhoud.
Voor een grondeigenaar kon de dijkplicht bijzonder zwaar worden. Na een storm kon in korte tijd veel hout, steen, klei, arbeid en geld nodig zijn. Niet iedereen was in staat zulke lasten te dragen.
Wanneer de onderhoudsplicht niet meer kon worden opgebracht, kon afstand worden gedaan van het land. Dit gebeurde door een spa of schop in de dijk te steken. Deze handeling werd spa-steking genoemd.
Het bijbehorende land en alles wat daarop stond, ging daarna over naar iemand die bereid was de dijkplicht op zich te nemen. Grondbezit en waterstaatsverantwoordelijkheid waren daardoor onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Strenge straffen voor dijkbeschadiging
Het moedwillig beschadigen van een dijk gold als een van de zwaarste overtredingen. Een kleine vernieling kon bij hoog water grote gevolgen hebben voor dorpen, mensen, vee en landbouwgrond.
Daarom kon op dijkbeschadiging de doodstraf staan. Langs de Omringdijk stonden galgen die als waarschuwing dienden en waar vonnissen konden worden uitgevoerd.
Bij Lambertschaag stond de galg van het Gerecht der Vier Noorder Koggen. De aanwezigheid ervan maakte zichtbaar dat waterbeheer, rechtspraak en veiligheid nauw met elkaar verbonden waren.
Een dijk was niet alleen een technisch bouwwerk. Hij beschermde het gehele bestaan binnen de Omringdijk. Wie de waterkering in gevaar bracht, bedreigde daarom de hele gemeenschap.
Windmolens houden het land droog
De eerste bekende West-Friese watermolen stond in 1452 bij Enkhuizen. Vanaf de zestiende eeuw nam het aantal molens sterk toe.
In Benningbroek stond in 1534 al een watermolen die door de inwoners zelf was betaald. De molen bracht het water uit de lagere sloten naar een hoger peil, waarna het via andere watergangen en sluizen verder kon worden afgevoerd.
In 1536 werd de Molenakte der Noorder Koggen opgesteld. Aanvankelijk zouden zeven gezamenlijke molens worden gebouwd. De afwatering moest voortaan meer als één samenhangend stelsel worden geregeld.
In 1546 volgde de Kleine Molenakte. Daarbij werd besloten nog vier molens te bouwen. De uitbreiding liet zien dat afzonderlijke dorpen het waterprobleem niet alleen konden oplossen.
Vijfentwintig watermolens
Rond 1825 werd het gebied van De Vier Noorder Koggen door vijfentwintig molens bemalen. De opbouw van dit stelsel begon echter al in de zestiende en zeventiende eeuw.
De molens stonden langs hoofdwatergangen en bij plaatsen waar water naar een hoger niveau moest worden gebracht. Het water werd soms in meerdere stappen afgevoerd voordat het bij de Zuiderzee kon worden geloosd.
De werking bleef afhankelijk van de wind. Bij windstilte kon nauwelijks worden gemalen. Juist tijdens natte perioden kon het peil daardoor snel stijgen.
Bij harde storm moest het malen soms worden beperkt om schade aan wieken en molenconstructie te voorkomen. De molenaars moesten daarom voortdurend rekening houden met windrichting, waterstand en de toestand van de molen.
Het landschap van Benningbroek en Sijbekarspel werd eeuwenlang mede bepaald door draaiende wieken, molensloten en watergangen.
De afwatering van Benningbroek
De precieze plaats van de oudste watermolen van Benningbroek is niet met zekerheid vastgesteld. Op oude kaarten werd een molen bij het Kerkelaantje weergegeven.
Een plaats bij de Molensloot, in de omgeving van de latere groene brug in de Tuinstraat, lijkt echter eveneens mogelijk. De naam Molensloot herinnert aan de vroegere waterstaatkundige functie.
Vanuit het westelijke deel van Benningbroek stroomde water via de Molensloot en de Bennemeer naar grotere afwateringswegen. De plaatselijke molen vormde een schakel tussen de sloten in de landerijen en het regionale stelsel van De Vier Noorder Koggen.
Iedere sloot, duiker en molen moest blijven functioneren. Een verstopping of defect kon ervoor zorgen dat het water zich op de landerijen ophoopte. Daarom werden watergangen regelmatig geschouwd en moesten grondeigenaren begroeiing, bagger en andere belemmeringen verwijderen.
De afwatering van Sijbekarspel
Sijbekarspel was voor een groot deel afhankelijk van de Gouwsloot, die in de richting van Aartswoud liep. Via deze watergang werd het overtollige water naar lagere of beter afwaterende delen geleid.
Bij Aartswoud werden omstreeks 1585 twee molens geplaatst. Eén molen maalde het water naar de Kolk van Dussen. Een tweede molen stond bij de Braecksluis in de Westfriese zeedijk.
Via molens en sluizen bereikte het water uiteindelijk de Zuiderzee. De afstand tussen de landerijen rond Sijbekarspel en het uiteindelijke lozingspunt was groot.
Daardoor waren de inwoners afhankelijk van waterwerken die kilometers verderop lagen. Een defecte molen of gesloten sluis bij Aartswoud kon ook in Sijbekarspel merkbaar zijn.
Het waterbeheer verbond de dorpen van De Vier Noorder Koggen daardoor in één technisch en bestuurlijk systeem.
De Wijzend als waterloop en grens
Een belangrijke waterloop in het gebied was de Wijzend. Zij had haar oorsprong in de omgeving van de Berkmeer. Vanuit dit gebied liepen vroeger twee stromen.
De Wisent liep in noordelijke richting en werd later grotendeels opgenomen in de Langereis. De Wijzend liep meer naar het oosten, langs Spanbroek, Opmeer, Wadway, Wognum, Sijbekarspel en Benningbroek.
Via Nibbixwoud en Midwoud bereikte het water uiteindelijk de Gouw. De watergang vormde daarmee een lange verbinding door oostelijk West-Friesland.
De naam werd ook geschreven als Wisent, Wisende of Wijzent. Waarschijnlijk verwees zij naar een grens. Op verschillende plaatsen vormde de waterloop inderdaad de scheiding tussen dorpen, bannen en bestuurlijke gebieden.
Verschillende namen langs dezelfde waterloop
Tijdens haar lange loop veranderde de Wijzend verschillende keren van naam. Bij de Berkmeer heette de watergang de Ringsloot.
Tussen Spanbroek en Opmeer bleef de naam Wijzend behouden. Een aftakking langs de Opmeerderweg naar Sijbekarspel werd de Hooge Wijzend genoemd.
Na Wadway en de scherpe bocht bij Wognum veranderde de naam in Achter Wijzend. Verder naar het oosten kwamen namen voor als Red Wijzend en Ooster of Rijke Wijzend.
Deze verschillende benamingen ontstonden uit plaatselijk gebruik. Iedere omgeving gaf het water een eigen naam, ook al vormden de delen samen één langere historische waterloop.
De Wijzend diende als afwatering, vaarroute en grens. Onderhoud, waterrechten en grondbezit konden aan weerszijden verschillend zijn geregeld.
De Stede en de ambachtsheerlijkheid
De Stede Sijbekarspel bezat eigen bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden. Boven het plaatselijke bestuur stonden echter hogere machthebbers die bepaalde rechten konden verkopen, verpachten of in leen uitgeven.
Na 1581 gingen veel rechten van het landsheerlijk gezag over op de Staten van Holland en West-Friesland. Daaronder vielen de benoeming van de schout, secretaris en bode, maar ook rechten op visserij, jacht, wind en verschillende belastingen.
Deze ambachtsheerlijke rechten konden door een buitenstaander worden gekocht. Daarmee kreeg een eigenaar invloed op het bestuur en inkomsten uit plaatselijke functies en heffingen.
Voor de inwoners betekende dit dat belangrijke besluiten niet altijd volledig binnen de dorpen werden genomen. Het streven om de rechten zelf te bezitten kwam voort uit de wens plaatselijke invloed te behouden.
Belastingen op ambten en gebruiksrechten
Voor de benoeming en uitoefening van bepaalde functies moest jaarlijks recognitie worden betaald. Voor de schout bedroeg deze betaling 45 gulden, voor de secretaris 12 gulden en voor de bode 2 gulden en 10 stuivers.
Ook voor het gebruik van wind kon een heffing gelden. Een molenaar betaalde daarmee voor het recht om een molen door de wind te laten aandrijven.
Deze heffingen functioneerden als belastingen in een periode waarin geen volledige inkomstenregistratie bestond. De overheid beschikte niet over een modern bevolkingsregister of een betrouwbaar overzicht van alle verdiensten.
Daarom werden inkomsten vooral verkregen uit grond, landbouwproductie, ambten, handel en gebruiksrechten. De betalingen vormden een ingewikkeld stelsel dat gedeeltelijk uit middeleeuwse verhoudingen was voortgekomen.
De tienden van Benningbroek
Een belangrijke landbouwheffing was de tiende penning. Over bepaalde opbrengsten moest ongeveer een tiende deel worden afgestaan.
In Benningbroek bestonden de Oosterse koren- en vlastienden en de Westertienden. De opbrengsten konden worden geïnd in producten of in geld.
Op 23 maart 1722 werden in Den Haag verschillende landerijen en tiendrechten geveild. De tienden van Benningbroek werden verkocht voor 7.900 gulden.
Volgens een officiële opgave zouden de rechten jaarlijks 528 gulden opleveren. Een plaatselijke berekening kwam echter uit op ongeveer 410 gulden.
De koper betaalde daardoor een zeer hoog bedrag voor een betrekkelijk beperkte en onzekere jaarlijkse opbrengst. Slechte oogsten, dalende prijzen en problemen bij de inning konden de inkomsten verder verminderen.
Voor de boeren betekenden de tienden dat een deel van hun landbouwopbrengst naar de bezitter van het recht ging.
Plaatselijke zeggenschap wordt gekocht
De Stede wilde voorkomen dat een buitenstaander te veel invloed kreeg op de benoeming van plaatselijke functionarissen. Daarom werden in 1741 de ambachtsheerlijke rechten aangekocht.
De rechten hadden betrekking op de benoeming van de civiele schout, de secretaris en de bode. Voor de aankoop werd 4.200 gulden betaald. Daar kwam 42 gulden en 1 stuiver overdrachtsbelasting bij.
Het jaarlijkse financiële voordeel bedroeg slechts 39 gulden en 10 stuivers. De aankoop kon daarom moeilijk alleen als geldbelegging worden verklaard.
De belangrijkste reden was de wens om de plaatselijke benoemingen zelf te kunnen beïnvloeden. De dorpen wilden voorkomen dat een buitenstaander bepaalde wie belangrijke bestuurlijke functies vervulde.
De aankoop liet zien dat plaatselijke zelfstandigheid voor de Stede belangrijker kon zijn dan direct financieel voordeel.
Een persoonsgebonden recht
Ambachtsheerlijke rechten werden voor de duur van een mensenleven uitgegeven. Daarom moest bij de aankoop een zogenoemde sterfman worden aangewezen.
In 1741 werd hiervoor een vijftienjarige inwoner gekozen. De verwachting was dat de rechten door de jonge leeftijd vele tientallen jaren zouden blijven bestaan.
Deze berekening pakte ongunstig uit. De sterfman overleed op 12 mei 1752. De rechten vielen daardoor na slechts elf jaar terug aan de Staten.
De hoge koopsom moest in een veel kortere periode worden afgeschreven dan was verwacht. Het risico van een persoonsgebonden recht werd daarmee duidelijk.
Op 9 mei 1753 werden de rechten opnieuw gekocht. Deze keer werd een dertienjarige sterfman aangewezen. Alleen aan overdrachtsbelasting werd 55 gulden en 4 stuivers betaald. De nieuwe koopsom is niet bewaard gebleven.
Pas in 1798 werd het leenstelsel afgeschaft.
Herberg De Vergulde Vos
Herbergen speelden een belangrijke rol in het dorpsleven. Zij boden drank, voedsel en onderdak, maar dienden ook als vergaderplaats, veilingruimte en ontmoetingspunt.
Op de hoek van de dorpsweg en de Abbekerkerweg in Benningbroek stond herberg De Vos, later De Vergulde Vos genoemd. De herberg lag tegenover het raadhuis en dicht bij korenmolen De Haan.
De oudste bekende vermelding dateert uit 1686. In 1718 werd in de herberg een notariële akte opgesteld. In 1731 werd de ligging omschreven als tegenover de molen.
Het complex bestond uit verschillende vertrekken, een erf, een doorrijstal, een open kolfbaan en later ook een biljart. Paarden en rijtuigen konden door de stal naar het achtererf worden geleid.
De herberg werd gebruikt bij openbare verkopingen van huizen, landerijen, boerderijen en bedrijfsinventarissen.
Een plaats voor handel en ontmoeting
In 1749 kwam de herberg in andere handen. In 1759 werd het gebouw met inventaris voor 415 gulden verkocht.
Bij de verkoop werden onder meer een tafel en met leer beklede stoelen genoemd. Naast drank werden koffie en thee geschonken. Ook konden kleine hoeveelheden levensmiddelen en huishoudelijke producten worden verkocht.
Vanaf 1765 werd vanuit het bedrijf een tapperij en kleine winkel gedreven. Tot de verkochte goederen behoorden zeep, meel, koffie en thee.
Daarnaast was vervoer over water belangrijk. Goederen en personen konden vanuit Benningbroek naar Medemblik en Hoorn worden gebracht.
De herberg was daardoor niet uitsluitend een plaats waar werd gedronken. Zij verbond horeca, winkelverkoop, vervoer, handel en plaatselijke bijeenkomsten.
Kolf en dorpsvermaak
Bij De Vergulde Vos lag een kolfbaan. Kolf was een oude Hollandse sport waarbij met een kolfstok een bal over een lange, vlakke baan werd geslagen.
Een herberg met kolfbaan bood ruimte voor wedstrijden, ontspanning en onderlinge ontmoeting. Tijdens het spel werden nieuws, handelszaken en dorpsgebeurtenissen besproken.
Bij de herberg stonden banken en tafels. Een vaste gesprekstafel kon uitgroeien tot een plaats waar dagelijks dezelfde bezoekers samenkwamen.
De kolfbaan vormde ook een bruikbare grote ruimte voor bijeenkomsten en verkopingen. Daardoor had de herberg een functie die later gedeeltelijk door dorpshuizen en verenigingsgebouwen werd overgenomen.
De vroege geschiedenis van De Roode Leeuw
Aan de latere Oosterstraat 38 in Benningbroek ontstond eveneens een herberg. Mogelijk stond daar al in de zeventiende eeuw een tapperij, maar daarvoor is geen sluitend bewijs.
De eerste zekere verkoop vond plaats op 6 mei 1804. Het pand werd toen voor 1.000 gulden verkocht. Deze gebeurtenis valt kort na het einde van de achttiende eeuw en vormt de overgang naar de volgende periode.
Het bedrijf omvatte later een café, winkel, kolfbaan en doorrijstal. De naam De Roode Leeuw werd pas in een latere fase vastgelegd.
De ligging aan de dorpsweg maakte de herberg geschikt als rustplaats voor reizigers en als ontmoetingspunt voor inwoners. De verdere ontwikkeling van het café hoort bij de negentiende en twintigste eeuw.
Brood als eerste levensbehoefte
Brood vormde een belangrijk deel van de dagelijkse voeding. De overheid liet de prijs en het gewicht daarom niet volledig aan de bakkers over.
In een broodzetting werd bepaald hoeveel iedere broodsoort bij een vaste verkoopprijs moest wegen. Zo moest worden voorkomen dat bij stijgende graanprijzen kleinere of te lichte broden werden verkocht.
Omdat prijs en gewicht waren vastgelegd, konden bakkers vooral concurreren met smaak, versheid, kwaliteit en betrouwbare bezorging.
Voor eenvoudige gezinnen waren roggebrood en ongebuild tarwebrood belangrijker dan luxe witbrood. Brood nam een aanzienlijk deel van het inkomen in beslag. Een mislukte graanoogst of onderbroken aanvoer kon daardoor direct tot armoede en honger leiden.
Graan uit het Oostzeegebied
Een belangrijk deel van rogge en tarwe kwam per schip uit het Oostzeegebied. Vanuit havens als Danzig, Koningsbergen, Riga en Liebau werd graan naar de Nederlandse gewesten vervoerd.
De dorpen waren daardoor voor een eerste levensbehoefte afhankelijk van internationale handel. Wanneer oorlog, storm of ijs de scheepvaart stillegde, konden de voorraden snel teruglopen.
Tijdens de strenge winter van 1708-1709 vielen in verschillende gebieden de graan- en meeltransporten stil. Waterwegen en havens vroren dicht en ook vervoer over land werd moeilijk.
Wanneer geen nieuwe schepen aankwamen, konden molenaars geen graan malen en hadden bakkers onvoldoende meel. De graanhandel, het molenbedrijf en de plaatselijke voedselvoorziening vormden één kwetsbare keten.
De dorpsbakkerij van 1734
Op 26 maart 1734 werd in De Vergulde Vos een naastgelegen bakkerij geveild. Het pand stond bij de molen, op de plaats waar later de oneven huisnummers van de Dokter De Vriesstraat begonnen.
De inventaris bestond uit acht blikken platen, acht borden, vier broodborden, een koperen ovendeksel en een grote trog met bank.
Verder waren er twee rolstokken, zeven voor rogge en tarwe, twee meelkisten en een koperen mengketel. Ook werden meelbalies, een zoutschep, een halfschepel, vier grote beschuittonnen, koperen schalen, buildoek en beschuitborden genoemd.
Een volledige verzameling gewichten maakte eveneens deel uit van de inventaris. Deze was noodzakelijk om te controleren of ieder brood aan het voorgeschreven gewicht voldeed.
De bakkerij had geen groot aantal machines nodig, maar het werk vergde veel tijd, brandstof en lichamelijke kracht.
Zuurdesem en roggedeeg
Brood werd met zuurdesem gebakken. Een deel van het gegiste deeg werd bewaard om het volgende deeg op gang te brengen.
Tarwedeeg kon met de handen worden gekneed. Het zware West-Friese roggedeeg bestond voor een groot deel uit hele of grof gebroken roggekorrels. Het mengsel was zo zwaar dat het soms met de voeten in een grote trog werd gekneed.
Een stuk oud roggebrood kon aan het nieuwe deeg worden toegevoegd om de gisting te bevorderen. Na een lange rusttijd werd het brood gedurende ongeveer vierentwintig uur langzaam in de oven gegaard.
Hierdoor ontstond de enigszins zoete smaak van Fries roggebrood. Het productieproces vereiste een goede inschatting van temperatuur, vocht, gisting en tijd.
Een mislukte bereiding betekende verlies van meel, brandstof en arbeid. In een klein dorp kon dat direct gevolgen hebben voor de dagelijkse broodvoorziening.
De bakoven
De bakoven was van steen en werd gestookt met zachte lange turf en takkenbossen. Eerst werd in de lege oven een vuur aangelegd.
Wanneer de stenen voldoende waren verhit, werden vuur, as en brandstofresten verwijderd. Daarna werd het brood met houten werktuigen in de hete oven geschoven.
De nog gloeiende resten konden in een vuurpot worden bewaard en later opnieuw worden gebruikt. Brandstof was kostbaar en mocht niet onnodig verloren gaan.
Brood bakken was daardoor afhankelijk van meel, water, zout, zuurdesem, turf en hout. Een tekort aan brandstof kon dezelfde gevolgen hebben als een tekort aan graan.
Het werk begon vroeg of midden in de nacht. De oven moest op tijd warm zijn, zodat het brood in de ochtend klaar was voor verkoop en bezorging.
De broodzetting van 1771
Op 2 maart 1771 werd voor Sijbekarspel en Benningbroek een nieuwe broodzetting vastgesteld. Voor iedere broodsoort werden prijs en gewicht nauwkeurig bepaald.
Een wittebrood van twee stuivers moest 24 lood wegen. Een fijne wittebroodbol van één stuiver woog 12 lood. Een zogenoemde agterling moest 20 lood wegen.
Een Frans fijn brood van vier stuivers woog 48 lood. Gebuild tarwebrood van twee stuivers moest 26¾ lood wegen. Daarnaast werden ongebuild tarwebrood en zwaar roggebrood genoemd.
Een pond bestond uit 32 lood en woog ongeveer 494 gram. Het gewone wittebrood van twee stuivers woog daardoor ongeveer 370 gram. Het gebuilde tarwebrood woog ongeveer 413 gram.
Een roggebrood woog twaalf pond, ongeveer zes kilogram, en kostte 13 stuivers en 8 penningen.
Brood voor arbeidersgezinnen
Een arbeider kon in deze periode ongeveer 120 gulden per jaar verdienen. Brood vormde daardoor een aanzienlijke uitgave.
Luxe witbrood was voor veel gezinnen te kostbaar om dagelijks te eten. Roggebrood en ongebuild tarwebrood waren steviger en betaalbaarder.
Het zware roggebrood kon langere tijd worden bewaard dan licht witbrood. Daardoor was het geschikt voor huishoudens die niet iedere dag bij de bakker kwamen.
In de langgerekte dorpen lagen de woningen ver uit elkaar. Brood werd daarom waarschijnlijk aan huis bezorgd. Slechte wegen maakten het gebruik van een handkar niet altijd mogelijk.
De bezorging kon te voet plaatsvinden met een grote broodmand op de rug. Zo werd het brood langs de verspreide huizen en boerderijen gebracht.
Meerdere bakkers en geloofsgrenzen
Hoeveel bakkerijen in de achttiende eeuw precies actief waren, is niet bekend. Mogelijk hadden Sijbekarspel en Benningbroek samen minstens vier bakkers.
De bevolking was niet alleen geografisch, maar ook naar geloof verdeeld. Katholieke gezinnen kochten vaak bij een katholieke bakker en hervormde gezinnen bij een hervormde bakker.
Wanneer vier bakkers gezamenlijk een bevolking van ongeveer 575 inwoners bedienden, kwam dat neer op gemiddeld 144 inwoners of ongeveer 28 huishoudens per bakker.
Doordat de broodzetting prijs en gewicht bepaalde, kon moeilijk op een lagere prijs worden geconcurreerd. De kwaliteit van meel, brood en bezorging werd daarom belangrijk.
De bakkerij was tegelijk een ambacht, een voedselvoorziening en een bedrijf dat onder streng plaatselijk toezicht stond.
De dorpsgemeenschap aan het einde van de achttiende eeuw
Aan het einde van de achttiende eeuw waren Benningbroek en Sijbekarspel nog overwegend agrarische lintdorpen. Veeteelt, hooiland, zuivelbereiding en kleine ambachten bepaalden het dagelijkse bestaan.
De kerken vormden vaste punten langs de hogere kreekrug. Hervormde en katholieke inwoners hielden ieder hun eigen geloofsgemeenschap en armenzorg in stand.
Herbergen boden ruimte voor handel, ontspanning, vervoer, openbare verkopingen en plaatselijke bijeenkomsten. Bakkerijen voorzagen de inwoners van brood, maar waren afhankelijk van graanhandel, molens, brandstof en overheidsregels.
Het waterbeheer werd geregeld door bannen, koggen en De Vier Noorder Koggen. Dijken, sloten, molens en sluizen beschermden het laaggelegen land.
Tegelijk hield de Stede vast aan plaatselijke zeggenschap. Er werden grote bedragen betaald om de benoeming van functionarissen zoveel mogelijk in eigen hand te houden.
Deze wereld van oude rechten, kerkelijke verhoudingen en plaatselijke verplichtingen zou vanaf 1795 ingrijpend veranderen.
Deel 3 — Revolutie, oorlog, tellingen en nieuwe regels, 1795–1822
De omwenteling van 1795
Aan het einde van de achttiende eeuw veranderde het bestuur van Sijbekarspel en Benningbroek ingrijpend. In 1795 trok het Franse leger Nederland binnen. De oude regenten verloren een groot deel van hun macht. Er kwamen verkiezingen en de leuzen vrijheid, gelijkheid en broederschap werden ook op het West-Friese platteland bekend.
Aanvankelijk bestond enthousiasme. Inwoners konden zich verkiesbaar stellen en kregen het gevoel dat zij meer invloed op het bestuur zouden krijgen. De nieuwe politieke verhoudingen leken ruimte te bieden aan mensen die eerder nauwelijks bij de besluitvorming betrokken waren.
De geestdrift hield echter niet lang stand. Reeds in 1797 was de belangstelling voor verkiezingen sterk afgenomen. De nieuwe bestuursvormen bleken minder eenvoudig en minder direct merkbaar dan aanvankelijk was gehoopt. Het dagelijkse leven bleef vooral draaien om grond, vee, werk, geloof, waterbeheer en plaatselijke verplichtingen.
Een wereld binnen de Omringdijk
Voor de bewoners van Sijbekarspel en Benningbroek lag Den Haag ver weg. Men leefde vooral binnen de oude plaatselijke en regionale verbanden van de Stede Sijbekarspel, de bannen Sijbekarspel en Benningbroek en het waterschap De Vier Noorder Koggen.
West-Friesland binnen de Omringdijk vormde de wereld waarmee de bewoners zich het sterkst verbonden voelden. Een krachtig nationaal bewustzijn bestond nauwelijks. De eigen kerk, het dorp, de banne, de kogge en het plaatselijke bestuur waren veel directer aanwezig dan een centrale regering.
Juist daarom werd de groeiende bemoeienis van de centrale overheid vaak als een beperking ervaren. Regels, belastingen en voorschriften kwamen steeds vaker van buiten het dorp. Plaatselijke gebruiken en oude rechten moesten geleidelijk wijken voor algemene wetten en landelijke administratieve regels.
De Bataafse Republiek
Tussen 1795 en 1806 maakte Nederland als Bataafse Republiek deel uit van de Franse invloedssfeer. Oude bestuursvormen werden hervormd en verschillende heerlijke rechten verloren hun betekenis.
In 1798 werd het leenstelsel afgeschaft. Daarmee kwam een einde aan de oude constructie waarbij ambachtsheerlijke rechten voor de levensduur van een sterfman konden worden gekocht.
De benoeming van bestuurders, de rechtspraak en de belastingheffing werden steeds meer volgens algemene regels ingericht. De oude plaatselijke zelfstandigheid werd daardoor verder beperkt.
De veranderingen vonden niet allemaal tegelijk plaats. Oude functies en benamingen bleven soms nog enige tijd bestaan naast nieuwe voorschriften. De overgang van de Stede naar een moderne gemeente verliep stap voor stap.
Oorlog komt dichtbij
Op 27 augustus 1799 landden Britse troepen bij Callantsoog. Samen met een Russisch leger wilden zij de Bataafse oorlogsvloot uitschakelen, Amsterdam innemen en het oude Oranjegezag herstellen.
Aanvankelijk verliep de inval voorspoedig. De Bataafse vloot viel in Britse handen. Alkmaar werd bezet en ook Hoorn kwam onder geallieerd gezag.
De strijd kwam daardoor gevaarlijk dicht bij Sijbekarspel en Benningbroek. De dorpen lagen niet in het directe slagveld, maar bevonden zich wel tussen gebieden waar troepen trokken, steden van bezetter wisselden en onzekerheid heerste over de uitkomst van de oorlog.
Toch wordt in de plaatselijke raadsnotulen met geen woord over de invasie gesproken. Er lijkt geen rechtstreeks financieel beroep op de gemeente te zijn gedaan en het bestuur koos kennelijk bewust geen partij.
Stilte in de plaatselijke bronnen
Hoe de bevolking over de Britse en Russische aanwezigheid dacht, is niet vastgelegd. Mogelijk bestond weinig weerstand tegen de invasie, omdat het aanvankelijke enthousiasme voor de Bataafse hervormingen inmiddels grotendeels was verdwenen.
Het is ook mogelijk dat de inwoners vooral probeerden buiten het conflict te blijven. Voor boeren en ambachtslieden waren het binnenhalen van de oogst, het verzorgen van vee, het onderhoud van dijken en het verkrijgen van voedsel waarschijnlijk directer van belang dan de politieke strijd tussen Bataafse, Franse, Britse en Russische legers.
De stilte in de raadsnotulen betekent niet dat niemand iets van de oorlog merkte. Berichten over troepenbewegingen, bezettingen en gevechten moeten via reizigers, schippers, markten en omliggende steden snel zijn doorgedrongen.
Toch bleef de plaatselijke administratie opvallend zwijgzaam. De dorpen lijken de wereldgeschiedenis vooral afgewacht te hebben.
De nederlaag bij Castricum
De geallieerde troepen verloren uiteindelijk de veldslag bij Castricum. Daarmee verdween de kans op een blijvende Britse en Russische overwinning in Noord-Holland.
Na de nederlaag kregen de troepen toestemming zich terug te trekken. Op 19 november 1799 waren de Britse en Russische legers uit Noord-Holland vertrokken.
De Oranjevlaggen die in Hoorn waren uitgehangen moesten worden weggehaald. De oude machtsverhoudingen werden niet hersteld.
De invasie had veel mensenlevens gekost, maar niets blijvends bereikt. In Sijbekarspel en Benningbroek was de strijd vrijwel geruisloos voorbijgetrokken. De dorpen waren dicht bij het oorlogsgebied geweest, maar ontsnapten aan rechtstreekse gevechten en grootschalige verwoesting.
Een nieuwe staat wil weten wie er woont
De oorlogen van Frankrijk moesten worden betaald. De Bataafse Republiek kreeg al direct te maken met zogenoemde bevrijdingskosten. Daarna volgden steeds nieuwe bijdragen voor de legers en oorlogen van Frankrijk.
Om belasting te kunnen innen en soldaten te kunnen oproepen, moest de overheid weten hoeveel mensen ergens woonden, hoeveel grond zij bezaten en welke dieren op de boerderijen stonden.
De bevolking werd daarom steeds nauwkeuriger geregistreerd. Kerkelijke doop-, trouw- en begraafboeken waren voor een moderne staat niet voldoende. Er waren lijsten nodig waarin inwoners, huishoudens, bezit, personeel en vee systematisch werden vastgelegd.
De staat werd daardoor steeds zichtbaarder in het dagelijkse leven. Niet alleen bestuurders, maar ook gezinnen, knechten, dienstmeiden, kinderen, armen en dieren kwamen in officiële registers terecht.
Het Koninkrijk Holland
In 1806 werd de Bataafse Republiek vervangen door het Koninkrijk Holland. Nederland kreeg een koning die onder sterke invloed van het Franse keizerrijk stond.
De centrale overheid wilde beter weten hoeveel inwoners, grond, huizen, dieren en economische middelen in het land aanwezig waren. Deze gegevens waren nodig voor bestuur, belastingheffing en militaire verplichtingen.
Plaatselijke overheden moesten steeds nauwkeuriger opgaven doen. De bevolking werd niet langer uitsluitend door kerkelijke registers en losse dorpslijsten gevolgd.
Deze ontwikkeling leidde tot tellingen waarin niet alleen het aantal inwoners, maar ook huishoudens, armen, kinderen, knechten, dienstmeiden en veestapels werden geregistreerd.
De telling van 1807 in Sijbekarspel
In 1807 werd op bevel van de koning een volkstelling gehouden. In Sijbekarspel werden 303 inwoners geregistreerd.
Vijf armen vielen onder de Heilige Geest, het katholieke armenbestuur. De gereformeerde diaconie ondersteunde daarnaast twintig armen en drie onvermogende huishoudens.
De vijf katholieke armen kostten samen ongeveer 500 gulden per jaar. Dat was een aanzienlijk bedrag voor een kleine gemeenschap.
De cijfers laten zien dat armenzorg een vaste en kostbare taak vormde. Ondersteuning werd niet alleen incidenteel verleend, maar maakte deel uit van de jaarlijkse uitgaven van kerkelijke en plaatselijke instellingen.
De telling van Benningbroek
Benningbroek telde volgens de eerste samenvatting 270 inwoners. Acht armen ontvingen steun van de Heilige Geest.
De gereformeerde diaconie ondersteunde bovendien twee onvermogende gezinnen in de kerkelijke combinatie met Nibbixwoud.
Naar verhouding was het aantal armen in Sijbekarspel en Benningbroek ongeveer gelijk. Rond acht procent van de bevolking had enige vorm van ondersteuning nodig.
De cijfers tonen dat armoede niet alleen voorkwam bij alleenstaande ouderen of zieken. Ook volledige huishoudens konden onvoldoende inkomsten hebben om zelfstandig rond te komen.
Geloof bepaalde mede bij welk armenbestuur een huishouden terechtkwam. Katholieke en gereformeerde inwoners bleven daardoor ook in de armenzorg gedeeltelijk van elkaar gescheiden.
Huishoudens en inwonend personeel
Uit een uitvoeriger telling van Benningbroek blijkt dat er 58 gezinshoofden of zelfstandig wonende personen waren.
Verder werden 45 gehuwden, dertien ongehuwden, 128 kinderen en 36 knechten en dienstmeiden geregistreerd.
De aanwezigheid van zoveel inwonend personeel laat zien hoe belangrijk arbeid op de boerderijen was. Knechten en meiden woonden vaak bij het boerengezin en maakten deel uit van het dagelijkse huishouden.
Daarnaast werd veel werk vermoedelijk door de eigen kinderen verricht. Zij hielpen bij melken, voeren, hooien, schoonmaken, het verzorgen van jongvee en andere werkzaamheden.
De grenzen tussen gezin, personeel en bedrijf waren daardoor klein. Wonen en werken vonden onder hetzelfde dak en op hetzelfde erf plaats.
De veestapel van Benningbroek
De bevolking van Benningbroek bezat volgens de telling 478 runderen, 56 paarden en 915 schapen.
Daarnaast werd nauwkeurig vastgelegd hoeveel weiland en bouwland in eigendom of huur was. De overheid wilde niet alleen weten hoeveel mensen ergens woonden, maar ook hoeveel economische draagkracht in het dorp aanwezig was.
In Benningbroek stonden 54 huizen. Dat aantal was sinds 1733 nauwelijks veranderd. Gemiddeld woonden ongeveer vijf personen in één woning.
Het dorp telde 32 boerderijen. Een gemiddeld bedrijf hield ongeveer vijftien runderen en twee schapen per rund. Vrijwel iedere boer bezat ten minste één paard.
Varkens werden niet in de telling opgenomen, hoewel waarschijnlijk vrijwel ieder boerenbedrijf enkele dieren mestte.
Een agrarische samenleving
De cijfers uit 1807 tonen een overwegend agrarische gemeenschap. Runderen leverden melk, boter, kaas, vlees en mest. Schapen leverden wol, vlees en eveneens mest.
Paarden waren noodzakelijk voor vervoer en zwaar werk. Zij trokken wagens, karren en landbouwwerktuigen.
Een boerderij was niet alleen een bedrijf, maar ook woning, stal, opslagplaats en werkruimte. Knechten en dienstmeiden leefden dicht bij het boerengezin en het vee.
De economische positie van een huishouden hing sterk af van de grootte van de veestapel, het bezit of gebruik van land en de opbrengst van melk en landbouwproducten.
Ziekte onder het vee, een slechte hooioogst, hoge belastingen of dalende prijzen konden een bedrijf snel in moeilijkheden brengen.
Toezicht op graan en meel
Brood bleef een eerste levensbehoefte. Daarom werd toezicht gehouden op bakkers, molenaars, grutters en tappers.
Op 13 december 1805 moesten deze middenstanders een strenge eed afleggen. Zij beloofden niet te frauderen met de belasting op het gemaal.
Ook moesten zij uitsluitend zuivere en onbedorven tarwe en rogge gebruiken. Voor brood, beschuit en los meel mochten geen vervalste producten worden verwerkt of verkocht.
De eed maakte duidelijk dat bakkers hun graan bij de molenaar lieten malen. Zij verkochten daarnaast niet alleen brood en beschuit, maar ook meel aan hun klanten.
Fraude met graan of meel was daardoor tegelijk een overtreding tegen de voedselvoorziening en tegen de belastingwetgeving.
Vaste namen, huisnummers en nieuwe maten
De Franse tijd bracht veranderingen die later vanzelfsprekend zouden worden. Inwoners moesten vaste achternamen gebruiken. Wegen en straten kregen officiële namen en huizen werden genummerd.
De nummering maakte het eenvoudiger belastingplichtigen, dienstplichtigen en inwoners terug te vinden. Ook voor post, rechtspraak en gemeentelijke administratie bood zij voordelen.
Het verkeer werd volgens algemene voorschriften geregeld. Er werd rechts gereden. Oude plaatselijke maten en gewichten moesten geleidelijk plaatsmaken voor meter en kilogram.
Deze veranderingen drongen door tot het dagelijkse leven. Land werd op een nieuwe manier gemeten, goederen werden anders gewogen en inwoners werden onder vaste namen en adressen geregistreerd.
De moderne staat werd hierdoor zichtbaar in ieder huishouden.
De inlijving bij Frankrijk
In 1810 werd het Koninkrijk Holland opgeheven. Het Franse keizerlijke bestuur vond dat er onvoldoende geld uit Holland naar de oorlogskas stroomde.
Nederland werd daarom rechtstreeks bij Frankrijk ingelijfd. Sijbekarspel en Benningbroek waren tot 1813 feitelijk Franse gemeenten.
De bestuurstaal, rechtspraak en administratie werden verder naar Frans voorbeeld ingericht. De centrale overheid verlangde geld en manschappen voor oorlogvoering.
Voor inwoners betekende dit dat oorlogen die ver buiten West-Friesland werden gevoerd toch plaatselijke gevolgen hadden. Geld, paarden, uitrusting en jonge mannen konden worden opgeëist.
De afstand tot de slagvelden was groot, maar de financiële en bestuurlijke lasten waren in de dorpen merkbaar.
Een veldwachter voor de gemeente
In 1812 werd bepaald dat iedere plattelandsgemeente een veldwachter moest aanstellen. Voor die tijd hielden de schout en de gerechtsbode toezicht op orde en veiligheid.
Een veldwachter moest minimaal 25 jaar oud zijn, zich goed gedragen en enigszins kunnen lezen en schrijven.
Op 28 februari 1812 werd de bestaande gerechtsbode tot veldwachter benoemd. Hij was toen 55 jaar oud en gold naar de maatstaven van die tijd al als een oudere man.
Het salaris bedroeg 147 franc per jaar. Daarmee veranderde een gedeeltelijke taak in een volledige betrekking.
De veldwachter moest toezien op rust, orde, wegen, overtredingen en plaatselijke voorschriften. De functie maakte de aanwezigheid van de centrale overheid in het dagelijkse dorpsleven zichtbaarder.
Een nieuwe belasting voor de veldwachter
De kosten van de nieuwe veldwachtersfunctie werden betaald door een verhoging van de belasting op landerijen.
Sinds 1733 waren deze heffingen nauwelijks gewijzigd. De verhoging met één procent vormde daarom een belangrijke breuk met het verleden.
Toch werd geen protest van de landeigenaren vermeld. Mogelijk werd de veldwachter als noodzakelijk beschouwd of waren de inwoners gewend geraakt aan steeds nieuwe lasten.
De belasting werd gekoppeld aan grondbezit, omdat land een van de meest zichtbare vormen van vermogen was.
De maatregel liet zien hoe landelijke voorschriften plaatselijk werden gefinancierd. De gemeente kreeg een verplichting opgelegd en verdeelde de kosten over de grondeigenaren.
Zes jagers te paard
De oorlog bleef geld kosten. In februari 1813 moest de gemeente 275 franc opbrengen voor de volledige uitrusting van zes jagers te paard.
Het bedrag werd naar draagkracht verdeeld over 75 inwoners. De rijkste bewoners betaalden zeven franc. Anderen betaalden zes, vijf, vier, drie, twee of één franc.
Zelfs de veldwachter droeg één franc bij.
De betaling maakte duidelijk dat militaire lasten niet alleen via landelijke belastingen werden gedragen. Ook kleine plattelandsgemeenten moesten rechtstreeks bijdragen aan de uitrusting van soldaten.
Voor huishoudens met beperkte inkomsten kon zelfs een bijdrage van enkele francs zwaar wegen. De lasten kwamen boven op bestaande belastingen, voedselprijzen en onderhoudskosten.
Het einde van de Franse heerschappij
In 1813 verloor het Franse bestuur zijn greep op Nederland. De oude politieke verhoudingen keerden echter niet volledig terug.
Op 26 januari 1814 moesten de inwoners opnieuw naar het gemeentehuis komen. Er moest 464 franc en 10 centimes worden opgebracht.
Dit geld ging niet langer naar het Franse leger, maar naar het herstelde Nederlandse leger.
De Franse tijd was voorbij, maar de militaire en financiële verplichtingen bleven bestaan. Alleen het gezag waaraan werd betaald was veranderd.
De jaren tussen 1795 en 1814 hadden de inwoners gewend aan tellingen, vaste achternamen, huisnummers, algemene wetten en centrale belastingheffing.
De eed van 1814
Op 18 oktober 1814 verschenen opnieuw plaatselijke bakkers, molenaars, grutters en tappers voor het gemeentebestuur.
Zij legden de vereiste eed af dat geen fraude zou worden gepleegd met meel, brood, graan en de belasting op het gemaal.
De controle op voedselkwaliteit en belastinginning bleef dus ook na het vertrek van het Franse bestuur bestaan.
De nieuwe Nederlandse staat nam verschillende administratieve en juridische hervormingen over. Niet alles wat tijdens de Franse tijd was ingevoerd, werd afgeschaft.
De overheid bleef behoefte houden aan betrouwbare registers, vastgestelde maten, controleerbare belastingen en toezicht op eerste levensbehoeften.
Namen in de administratie van 1814
Bij de eed van 1814 werden verschillende plaatselijke middenstanders geregistreerd. Het ging om molenaars, bakkers, grutters, herbergiers en tappers.
Een molenaar woonde in Benningbroek op nummer 52, naast de molen op nummer 53. De herberg De Vergulde Vos stond op nummer 51.
Een bakkerij bevond zich op nummer 49, direct naast de herberg. Een andere bakkerij stond op nummer 44, het latere adres Dokter De Vriesstraat 18.
Niet iedere bekende bakker verscheen in de lijst van 1814. Waarom een van de plaatselijke bakkers niet werd genoemd, is niet duidelijk.
De huisnummers en beroepen laten zien hoe dicht molen, herberg en bakkerij bij elkaar lagen. Graan kon bij de molen worden gemalen, in de bakkerij worden verwerkt en in de herberg of winkelomgeving worden verhandeld.
Broodvoorziening na de Franse tijd
Brood werd nog altijd met zuurdesem bereid. Roggedeeg werd langzaam verwerkt en kon ongeveer vierentwintig uur in de oven garen.
De ovens werden met turf en takkenbossen gestookt. Eerst werd vuur in de oven opgebouwd. Daarna werden as en brandstofresten verwijderd en kon het deeg in de verhitte ruimte worden geschoven.
De langgerekte vorm van Sijbekarspel en Benningbroek maakte bezorging noodzakelijk. Brood werd langs verspreid liggende huizen en boerderijen gebracht.
Slechte wegen beperkten het gebruik van handkarren. Daarom kon bezorging ook te voet plaatsvinden met een broodmand op de rug.
De dagelijkse voedselvoorziening hing af van graanhandel, molen, bakkerij, brandstof en de toestand van wegen en waterwegen.
Het Koninkrijk der Nederlanden
Na 1813 ontstond het Koninkrijk der Nederlanden. De nieuwe staat behield veel administratieve hervormingen uit de Bataafse en Franse tijd.
De bevolking bleef geregistreerd. Vaste achternamen, huisnummers en algemene maten verdwenen niet meer.
Ook de rechtspraak, gemeentelijke administratie en belastingheffing bleven sterker gecentraliseerd dan vóór 1795.
Voor Sijbekarspel en Benningbroek betekende dit dat de oude Stede en plaatselijke rechten niet volledig terugkeerden. De dorpen werden onderdeel van een moderne gemeente binnen een groter nationaal bestuur.
De plaatselijke samenleving bleef agrarisch, maar het bestuurlijke kader was blijvend veranderd.
Armenzorg na 1813
Na de Franse tijd bleef de armenzorg grotendeels bij kerkelijke en plaatselijke instellingen liggen.
De hervormde diaconie en de katholieke Heilige Geest bleven ondersteuning geven aan arme inwoners. Hulp bestond vaak uit brood, kaas, vlees, turf, kleding of onderdak.
De gemeente hield steeds meer toezicht op de uitgaven en op de vraag welke instelling voor een bepaalde arme verantwoordelijk was.
Nieuwe inwoners konden niet zonder meer aanspraak maken op ondersteuning. Er werd gekeken naar herkomst, familiebanden, werk en eerdere woonplaats.
De armenzorg bleef daardoor tegelijk hulpverlening en financiële controle. De gemeenschap wilde nood lenigen, maar ook voorkomen dat de plaatselijke lasten onbeheersbaar werden.
Het armenreglement van 1822
In 1822 werd een nieuw reglement voor de armenzorg vastgesteld.
De overheid probeerde hiermee meer toezicht en een duidelijker verdeling van verantwoordelijkheden te bereiken. Verschillende geloofsgemeenschappen moesten formeel gelijker worden behandeld.
De gemeente bleef echter controleren wie ondersteuning ontving, welke kerkelijke instelling verantwoordelijk was en hoeveel daarvoor werd uitgegeven.
Hulp werd nog vaak in natura verstrekt. Brood, kaas, turf, kleding en huisvesting waren belangrijker dan contante betalingen.
Met het reglement werd een oude plaatselijke praktijk opgenomen in een moderner bestuurlijk kader. Armenzorg bleef dicht bij kerk en dorp georganiseerd, maar kwam onder sterker gemeentelijk en landelijk toezicht.
Een blijvende overgang
Tussen 1795 en 1822 veranderden Sijbekarspel en Benningbroek van dorpen met oude heerlijke, kerkelijke en plaatselijke structuren in een gemeente die steeds sterker onder centraal bestuur kwam te staan.De Bataafse Revolutie bracht verkiezingen en nieuwe idealen. De invasie van 1799 bracht oorlog dicht bij de dorpen, zonder dat er plaatselijk werd gevochten.Het Koninkrijk Holland en de Franse inlijving brachten tellingen, vaste achternamen, huisnummers, nieuwe maten, belastingen en militaire verplichtingen.
De benoeming van een veldwachter maakte toezicht tot een vaste gemeentelijke taak. De bijdragen van 1813 en 1814 lieten zien dat ook na een machtswisseling de financiële lasten bleven bestaan.Na 1813 werden veel hervormingen behouden. Het armenreglement van 1822 maakte duidelijk dat ook zorg en ondersteuning steeds sterker in algemene regels werden vastgelegd.De dorpen bleven agrarisch en plaatselijk gericht, maar de staat was blijvend dichterbij gekomen.
Deel 4 — Zorg, school, pastorie en dorpsbestuur, 1822–1878
Armenzorg onder gemeentelijk toezicht
Na het armenreglement van 1822 bleef de zorg voor behoeftige inwoners grotendeels in handen van kerkelijke armenbesturen en plaatselijke bestuurders. De eerste verantwoordelijkheid lag bij familieleden. Pas wanneer ouders, kinderen, broers, zusters of andere verwanten niet konden helpen, werd een beroep gedaan op de diaconie, het katholieke armenbestuur of de gemeente. Ondersteuning werd meestal in goederen verstrekt. Brood, kaas, vlees, turf, kleding en onderdak waren belangrijker dan contant geld. Armenvoogden bezochten gezinnen, beoordeelden hun omstandigheden en hielden de uitgaven bij. De hulp voorkwam honger en dakloosheid, maar bracht ook afhankelijkheid mee. Wie ondersteuning ontving, moest zich onderwerpen aan controle door kerkbestuur, armenvoogden en gemeentelijke overheid.
Nieuwkomers werden eerst onderzocht
De dorpsbesturen wilden voorkomen dat mensen zich zonder inkomen in Sijbekarspel of Benningbroek vestigden en kort daarna volledig van de armenzorg afhankelijk werden. Daarom kon van nieuwe inwoners worden verlangd dat zij aantoonden over werk, bezit, familiehulp of voldoende inkomsten te beschikken. Soms moest de vorige woonplaats verklaren dat zij verantwoordelijk bleef wanneer later ondersteuning nodig was. Ook een ongehuwde zwangere vrouw kon problemen ondervinden bij toelating tot de dorpsgemeenschap. De vrees bestond dat moeder en kind blijvend ten laste van de plaatselijke armenkas zouden komen. Armenzorg was daardoor niet alleen hulpverlening. Zij vormde ook een middel om de financiële lasten van de gemeente te beperken en de komst van mogelijk behoeftige inwoners te controleren.
De vroedvrouw als openbare voorziening
Bevallingen vonden in het begin van de negentiende eeuw vrijwel altijd thuis plaats. Een vroedvrouw, in West-Friesland ook vroemoer genoemd, begeleidde de geboorte. Soms hielp een schootster, terwijl de barende vrouw zittend of in een speciale stoel werd ondersteund. Wanneer ernstige complicaties ontstonden, werd geprobeerd een chirurgijn of geneesheer te bereiken. Door slechte wegen, donkerte, winterweer en grote afstanden kon medische hulp echter laat arriveren. Daarom was een plaatselijke vroedvrouw onmisbaar. Zij moest ervaring hebben, gevaarlijke situaties herkennen en voortdurend beschikbaar blijven. De gemeente beschouwde haar werk steeds meer als een openbare taak. Niet alleen het gezin, maar de hele dorpsgemeenschap had belang bij een deskundige vrouw die bij een bevalling snel aanwezig kon zijn.
Aagje Cata wordt benoemd
Op 2 februari 1829 werd Aagje Cata als vroedvrouw aangesteld. Zij was 31 jaar oud, geboren in Wognum en getrouwd met schilder en glazenmaker Cornelis Speets. Zij volgde Grietje Bakker op, die sinds 1789 in functie was geweest. Daarmee eindigde een ambtsperiode van ongeveer veertig jaar. Het gemeentelijke salaris bedroeg 100 gulden per jaar. Daar stonden strenge voorschriften tegenover. De vroedvrouw moest binnen het aangewezen gebied wonen, voortdurend beschikbaar zijn en mocht niet zonder toestemming langdurig wegblijven. Bij een oproep moest zij zich zo snel mogelijk naar het betreffende huishouden begeven. De regeling moest voorkomen dat een bevalling zonder deskundige begeleiding begon doordat de vroedvrouw elders verbleef of niet tijdig bereikbaar was.
Geboortezorg met weinig middelen
De bevalling vond plaats in een woonvertrek, slaapkamer of bedstede. Water moest worden verwarmd en schoon linnengoed klaargelegd. Moderne pijnstilling, antibiotica, bloedtransfusies en ziekenhuiszorg bestonden niet. Infecties, ernstig bloedverlies of een ongunstige ligging van het kind konden levensgevaarlijk zijn. De vroedvrouw werkte met eenvoudige hulpmiddelen en met kennis die zij door opleiding en ervaring had verkregen. Wanneer een bevalling niet normaal verliep, moest worden besloten of een chirurgijn nodig was. De toestand van de wegen en het weer konden daarbij beslissend zijn. In een natte herfst, strenge winter of donkere nacht kostte het extra tijd om hulp te bereiken. Plaatselijke deskundigheid kon daardoor het verschil betekenen tussen tijdige hulp en een fatale vertraging.
De oude school bij de kerk
De school van Sijbekarspel stond bij of vlak voor de kerk. Deze ligging kwam voort uit de oude verbinding tussen kerk, onderwijs en bestuur. De schoolmeester gaf les in lezen, schrijven en rekenen, maar kon daarnaast optreden als koster, voorzanger, klokkenluider en administratief helper. De omstandigheden in het lokaal waren eenvoudig. Licht kwam door de ramen en van olielampen. De verwarming was beperkt en ventilatie voldeed niet aan latere maatstaven. Kinderen kwamen uit boeren-, arbeiders- en middenstandsgezinnen. Regelmatig schoolbezoek was niet vanzelfsprekend. Tijdens het hooien, melken, oogsten of ander druk werk konden hun handen thuis nodig zijn. Onderwijs moest daardoor voortdurend concurreren met de dagelijkse arbeid binnen gezin en boerenbedrijf.
Nieuwe landelijke eisen
De onderwijswet van 1806 had landelijke eisen gesteld aan het lager onderwijs. Onderwijzers moesten beter worden opgeleid en scholen kwamen onder sterker toezicht te staan. In de dorpen veranderde de praktijk slechts langzaam. Oude schoolgebouwen bleven in gebruik en de financiële mogelijkheden van kleine gemeenten waren beperkt. In 1817 werden regels voor de salarissen van onderwijzers vastgesteld. Het inkomen kon bestaan uit een gemeentelijk salaris, schoolgeld, kerkelijke vergoedingen en het gebruik van een woning, tuin of boomgaard. De schoolmeester bleef daardoor gedeeltelijk afhankelijk van plaatselijke omstandigheden. Een kleine school met weinig betalende leerlingen leverde minder op dan een grotere school. Ook de kwaliteit van woning en tuin bepaalde mede hoe aantrekkelijk de functie was.
Plannen voor herstel en nieuwbouw
In 1827 werd de toestand van de school opnieuw besproken. Het gebouw moest worden hersteld of vervangen. Een mogelijke bouwplaats lag bij het kerkhof, maar daar moest rekening worden gehouden met graven, beschikbare ruimte en bereikbaarheid vanaf de dorpsweg. Voor de financiering werd gedacht aan gemeentelijke leningen of obligaties. Een school kon niet eenvoudig uit de gewone jaarlijkse inkomsten worden betaald. De gemeente moest geld lenen en rente en aflossing over meerdere jaren verdelen. Daarmee werd onderwijs een steeds belangrijkere post op de begroting. Toch volgde nog geen volledige nieuwbouw. De kosten waren hoog en het bestaande gebouw bleef voorlopig in gebruik. De discussie maakte wel duidelijk dat de oude school niet meer aan de nieuwe eisen voldeed.
Armenwoningen bij kerk en weg
In de omgeving van de kerk, de kerkpaden en de Abbekerkerweg stonden eenvoudige armenwoningen. Deze huisjes boden onderdak aan inwoners die zelf geen woning konden betalen. Het comfort was gering. De vertrekken waren klein, verwarming en ventilatie waren beperkt en onderhoud werd vaak uitgesteld. De ligging dicht bij kerkelijke en gemeentelijke voorzieningen maakte toezicht en ondersteuning gemakkelijker. Tegelijk bleef armoede daardoor zichtbaar aanwezig in het dorpscentrum. Rond 1860 werden verschillende oude armenhuisjes hersteld, vervangen of opnieuw opgebouwd. Daarmee verbeterde de huisvesting enigszins, maar de omstandigheden bleven sober. Ondersteuning bood bescherming tegen dakloosheid, maar betekende ook dat bewoners afhankelijk bleven van armenvoogden, kerkbestuur en gemeentelijke besluiten over onderhoud en bewoning.
Een nieuwe pastorie
In de jaren dertig van de negentiende eeuw voldeed de pastorie van Sijbekarspel niet meer. Tussen 1835 en 1850 woonde daar predikant Johannes Aletta Marinus Mensinga met zijn vrouw Petronella Jacoba Barbas. Voor het gezin en het kerkelijke werk was een betere woning nodig. De nieuwe pastorie werd in 1840 of 1841 gebouwd door timmerman Hendrik Dansdorp. De kosten liepen op tot meer dan 3.600 gulden. Dat was een aanzienlijk bedrag voor een dorp van deze omvang. De woning diende niet alleen als gezinsverblijf. Er werden kerkelijke gesprekken gevoerd, bezoekers ontvangen en administratieve werkzaamheden verricht. De pastorie hoorde bij de maatschappelijke positie van de predikant en vormde samen met kerk en school een herkenbaar centrum langs het dorpslint.
Bezoekers uit kunst en literatuur
Omstreeks 1845 werd de pastorie met een bovenverdieping uitgebreid. Daardoor ontstond meer ruimte voor gezin, werk en gasten. In deze jaren kwamen kunstenaars en schrijvers naar Sijbekarspel, onder wie Johannes Bosboom, Geertruida Toussaint en Adriaan Beeloo. De kerk en het landelijke dorpsbeeld werden getekend en geschilderd. Mogelijk kreeg een afbeelding van kerk en pastorie ook een romantische of persoonlijke betekenis, doordat bezoek, vriendschap en huwelijksplannen met elkaar samenhingen. Een voorstelling werd door J.P. Lange als gravure uitgevoerd en opgenomen in de Almanak voor het Schoone en Goede van 1850. Sijbekarspel verscheen daardoor niet alleen in bestuurlijke en kerkelijke stukken, maar ook in een kunstzinnige publicatie voor een groter publiek.
De pastorie krijgt een vervolg
De predikant vertrok later naar Friedrichstadt. Daar werd in 1854 een Remonstrantse kerk herbouwd. De loopbaan liep daarmee verder buiten West-Friesland, maar de jaren in Sijbekarspel bleven verbonden met de pastorie, de bezoekers en de afbeelding van de dorpskerk. Het overlijden volgde in 1898 in Flensburg. Voor het plaatselijke verhaal is vooral van belang dat de pastorie in de jaren veertig van de negentiende eeuw meer was dan een kerkelijke dienstwoning. Zij werd een plaats waar geloof, bestuur, literatuur en beeldende kunst elkaar ontmoetten. De uitbreiding van het gebouw maakte langere verblijven en grotere ontvangsten mogelijk. Zo kreeg een dorpspastorie tijdelijk betekenis binnen een breder cultureel netwerk.
Armoede in de jaren veertig
In de jaren veertig van de negentiende eeuw nam de armoede in Benningbroek toe. Slechte economische omstandigheden en hoge voedselprijzen troffen vooral landarbeiders, dagloners en kleine boeren. De gemeente betaalde rechtstreeks aan bakkers voor brood dat aan behoeftige gezinnen werd geleverd. Daarmee werd verzekerd dat de ondersteuning daadwerkelijk in voedsel werd omgezet. In 1840 werd ook schoolgeld voor arme kinderen betaald. Voor jongens gold de regeling tot het tiende levensjaar en voor meisjes tot het negende. Later werd deze ondersteuning beëindigd. Daardoor konden kinderen uit arme gezinnen eerder buiten het onderwijs vallen. Armoede beperkte niet alleen voeding, kleding en wooncomfort, maar ook de mogelijkheid om te leren lezen, schrijven en rekenen.
De verbouwing van 1852
In 1852 werd de oude school van Sijbekarspel verbouwd. Daarmee probeerde de gemeente het bestaande gebouw langer bruikbaar te houden. De ingreep loste niet alle problemen op. Het lokaal bleef klein en de eisen aan licht, ventilatie, gezondheid en indeling namen toe. Het aantal kinderen kon wisselen, maar een moderne verdeling in afzonderlijke groepen was nauwelijks mogelijk. Ook de onderwijzerswoning en de bijbehorende voorzieningen waren niet ideaal. Volledige nieuwbouw werd nog uitgesteld vanwege de kosten. Daarvoor waren grond, tekeningen, een aanbesteding en langdurige financiering nodig. De verbouwing van 1852 was daardoor vooral een tijdelijke oplossing. Zij verlengde de levensduur van een gebouw dat in wezen al niet meer bij het vernieuwde onderwijs paste.
Een vaste geneesheer in Benningbroek
In 1852 vestigde Gerard Cornelis van Balen Blanken zich als geneesheer, chirurg en verloskundige in Benningbroek. De praktijk kwam in een wit huis aan het latere adres Dr. de Vriesstraat 16. Vanuit deze woning werd medische zorg geboden aan inwoners van Benningbroek, Sijbekarspel en omliggende dorpen. De aanwezigheid van een vaste arts verkleinde de afhankelijkheid van verder weg wonende geneesheren. Toch bleven bereikbaarheid en vervoer moeilijk. Zieken werden meestal thuis bezocht en geneesmiddelen werden vanuit de praktijk verstrekt of bereid. Tussen 1852 en 1871 werden in het gezin elf kinderen geboren. De praktijk bleef tot het overlijden in 1903 bestaan en werd daarna door opvolgers voortgezet.
Medische kennis blijft in de streek
Een zoon uit het artsengezin werd later zelf geneesheer in Spanbroek. Daarnaast speelde hij een rol bij de oprichting en leiding van Oud West-Friesland. Daarmee kreeg de familie niet alleen betekenis voor de medische zorg, maar ook voor de belangstelling voor de regionale geschiedenis. In Benningbroek werd de praktijk later voortgezet door een nieuwe arts, waarna opnieuw opvolging plaatsvond. De vaste dokterswoning werd een herkenbaar punt in het dorp. Voor inwoners betekende de aanwezigheid van een arts dat medische hulp dichterbij kwam, al bleven de mogelijkheden beperkt. Veel behandelingen vonden thuis plaats en ernstige ziekten konden nog moeilijk worden bestreden. Toch vormde de vestiging van 1852 een belangrijke stap van incidentele hulp naar een blijvende plaatselijke medische voorziening.
Maximale ondersteuning in 1855
In 1855 werden maximale bedragen voor armenondersteuning vastgesteld. Een gezin van tien personen kon hoogstens zes gulden per week ontvangen. Een alleenstaande kreeg maximaal twee gulden per week. De werkelijke ondersteuning werd vaak niet volledig in geld uitgekeerd. Brood, turf, kleding, onderdak en andere noodzakelijke goederen konden rechtstreeks worden verstrekt. Voor een groot gezin bleef zes gulden een beperkt bedrag. Voedsel, verwarming en kleding moesten voor veel personen worden betaald, terwijl onverwachte ziekte of werkloosheid nauwelijks kon worden opgevangen. De regeling voorkwam de ernstigste nood, maar bood weinig mogelijkheid om reserves op te bouwen of uit de armoede te komen. Ondersteuning bleef daarom vooral gericht op overleven en niet op maatschappelijke vooruitgang.
Een nieuw raadhuis
Het oude stedehuis stond sinds 1731 aan de Westerstraat. Rond 1860 werd het vervangen door een nieuw raadhuis aan Westerstraat 95. Daar vergaderden burgemeester, wethouders en gemeenteraad. De secretaris hield de administratie bij en bewaarde rekeningen, verzoekschriften, begrotingen en besluiten. In het gebouw werd gesproken over wegen, scholen, armenzorg, gebouwen, belastingen, salarissen en grondverkopen. Het nieuwe raadhuis maakte zichtbaar dat de oude Stede was veranderd in een negentiende-eeuwse gemeente. De bestuursvorm was gemoderniseerd, maar het centrum bleef langs dezelfde dorpsweg liggen. Besluiten die binnen werden genomen, waren buiten direct merkbaar. Zij bepaalden waar scholen kwamen, welke woningen werden onderhouden en hoeveel geld voor openbare voorzieningen beschikbaar was.
Benningbroek krijgt een nieuwe school
Benningbroek kreeg in 1862 een nieuwe school. Daardoor werd in Sijbekarspel nog duidelijker zichtbaar dat het oude gebouw bij de kerk niet meer voldeed. Ouders en bestuurders konden de voorzieningen van beide dorpen rechtstreeks vergelijken. In Benningbroek waren lokalen en onderwijzerswoning volgens nieuwere eisen ingericht. In Sijbekarspel bleef men werken in een verbouwd maar verouderd gebouw. Tegelijk werd gesproken over samenwerking tussen beide dorpen. De afstand was niet bijzonder groot, maar voor jonge kinderen betekende iedere extra kilometer een langere wandeling, vooral in winter, regen en donkerte. De plaats van een school bleef daarom een gevoelig dorpsbelang. Onderwijs was een gemeentelijke voorziening, maar werd door iedere dorpsgemeenschap ook als een eigen recht beschouwd.
Notariaat, bestuur en waterstaat
In 1853 vestigde notaris Cornelis Donker zich in Benningbroek. Hij werkte daar tot 1891. Daarnaast vervulde hij verschillende bestuurlijke functies. Tussen 1863 en 1869 was hij gemeenteraadslid en wethouder. Van 1863 tot 1887 maakte hij deel uit van de Provinciale Staten en van 1887 tot 1891 van de Eerste Kamer. Ook was hij dijkgraaf. Daardoor kwamen notariaat, gemeentebestuur, provinciale politiek, landelijke vertegenwoordiging en waterbeheer in één loopbaan samen. In het notariskantoor werden koopakten, testamenten, boedelscheidingen, hypotheken en andere officiële stukken opgesteld. Voor Benningbroek betekende dit dat veel juridische en bestuurlijke handelingen binnen het dorp konden plaatsvinden. De functie kreeg later ook betekenis bij de aanleg van spoorwegen en de schenking van openbare barometers.
De zoektocht naar bouwgrond
Vanaf 1870 werd in Sijbekarspel serieus gezocht naar een plaats voor een nieuwe school. Grond van veehouder Teunis Sneeboer, tegenover het huis van raadslid Jan Visser, kwam in beeld. Voor ongeveer 1.425 vierkante meter werd 1.860 gulden gevraagd. De gemeente moest bepalen hoeveel ruimte nodig was voor lokalen, een woning, een plein, een tuin en mogelijke uitbreiding. Het bedrag was aanzienlijk en leidde niet direct tot overeenstemming. Uiteindelijk bracht oud-hoofdonderwijzer Gerrit Joffer uit Hoorn een oplossing. Hij stelde een grondruil voor. De gemeente zou de oude schoolgrond ruilen voor een ander perceel. Daarnaast moest grond van de Nederlands Hervormde Kerk worden aangekocht. Op 27 september 1873 werd de ruil bij notaris Donker vastgelegd.
Ontwerpen en aanbesteding
Voor de nieuwe school werden verschillende plannen gemaakt. Metselaar Jan Kistemaker diende tekeningen in, maar uiteindelijk werd gekozen voor een ontwerp van A.F. van Wijngaarden, stadsarchitect van Medemblik. Het gebouw werd opgezet als een tweeklassige gangschool met onderwijzerswoning. De lokalen waren vanuit een gang bereikbaar, waardoor groepen gescheiden konden binnenkomen en jassen buiten de lesruimte bleven. Op 24 maart 1873 vond de aanbesteding plaats. Aannemer Jan Pijl schreef met 9.850 gulden het laagst in. De totale begroting bedroeg 12.100 gulden. Naast de bouwsom waren er uitgaven voor grond, inrichting, toezicht en bijkomende werkzaamheden. Voor de kleine gemeente was dit een van de grootste investeringen van deze periode.
De bouw van de school
De bouw verliep snel. Half november 1873 stonden school en onderwijzerswoning aan de Westerstraat gereed. Het latere adres werd Westerstraat 41. Het hoofd van de school woonde direct naast de lokalen. Wonen en werken lagen daardoor dicht bij elkaar. De schoolbel, het onderhoud van het gebouw, de kinderen en de vragen van ouders bleven ook buiten de lesuren aanwezig. De twee lokalen waren via een gang bereikbaar. De nieuwe school bood meer ruimte, licht en orde dan het oude gebouw bij de kerk. Het schoolplein en de tuin maakten deel uit van het complex. De gemeente had jarenlang over grond, geld en ontwerp gesproken, maar beschikte nu eindelijk over een gebouw dat beter bij het negentiende-eeuwse onderwijs paste.
De feestelijke opening
Op 5 januari 1874 werd de nieuwe school officieel geopend. Voor de gelegenheid werden achttien flessen rode wijn, 190 krentenbroodjes en 190 jodenkoeken aangeschaft. Kinderen, ouders, onderwijzers en bestuurders kwamen in het nieuwe gebouw bijeen. De hoeveelheden laten zien dat het om een groot dorpsfeest ging. Buiten lag de winter over de Westerstraat. Binnen rook het nog naar vers hout, kalk en verf. De opening was meer dan het begin van lessen in nieuwe lokalen. Zij vormde het sluitstuk van jaren van overleg, grondruil, tekenwerk, aanbesteding en bouw. De school maakte zichtbaar dat de gemeente bereid was een groot bedrag te investeren in het onderwijs en in de toekomst van de kinderen.
Meester Stuurman en de boomgaard
Voor hoofdonderwijzer C. Stuurman bracht de verhuizing zowel verbetering als verlies. Hij kreeg een nieuwe school en woning, maar verloor de boomgaard bij het oude schoolhuis. Die tuin was niet alleen bedoeld voor ontspanning. Fruit en andere opbrengsten konden bijdragen aan het huishouden en vormden een aanvulling op het salaris. De gemeenteraad vond dat bij de nieuwe woning voldoende grond beschikbaar was voor tuinbouw. Daarom werd geen afzonderlijke vergoeding toegekend. De discussie laat zien dat een onderwijzerswoning meer omvatte dan woonruimte. Tuin, erf, schuur en opslag waren onderdeel van de economische positie van het schoolhoofd. De meester leefde dicht bij zijn werk en bleef ook na schooltijd zichtbaar en aanspreekbaar voor ouders, kinderen en gemeentebestuur.
Regelmatig schoolbezoek
In 1877 werd een vereniging opgericht die regelmatig schoolbezoek wilde bevorderen. Kinderen verzuimden nog geregeld omdat zij thuis moesten helpen, op het land werkten of omdat ouders onderwijs minder belangrijk vonden. De vereniging probeerde gezinnen te overtuigen van het nut van lezen, schrijven en rekenen. Kinderen die weinig lessen misten, konden worden beloond. Onderwijs werd daarmee niet langer alleen als verantwoordelijkheid van meester en gemeente gezien. Ook inwoners organiseerden zich om het schoolbezoek te verbeteren. De vereniging liep vooruit op latere maatregelen tegen verzuim en op de leerplicht. Tegelijk bleef duidelijk dat onderwijs zich moest aanpassen aan het ritme van het boerenbedrijf. Tijdens drukke perioden bleef de verleiding groot om kinderen thuis te houden.
De grote openbare barometer
Op 13 maart 1878 schonk Cornelis Donker grote barometers aan gemeenten binnen het ambacht. De schenking hield verband met vijfentwintig jaar werkzaamheden binnen het ambacht en het dijkgraafschap. In Sijbekarspel werd het instrument aan de onderwijzerswoning bevestigd. De wijzerplaat had een doorsnede van ongeveer één meter en was vanaf de dorpsweg goed zichtbaar. Boeren, kinderen en voorbijgangers konden de luchtdruk aflezen. Een dalende luchtdruk kon wijzen op regen of storm, terwijl een stijgende stand meer kans gaf op rustig weer. In een agrarisch gebied bepaalde het weer wanneer gras werd gemaaid, hooi werd binnengehaald en werkzaamheden aan sloten en kaden konden plaatsvinden. De barometer werd later ook op een ansichtkaart uit 1904 afgebeeld.
Kennis langs de dorpsweg
De barometer hing op een passende plaats. Binnen de school leerden kinderen lezen, schrijven en rekenen. Buiten konden zij zien hoe een meetinstrument reageerde op veranderingen in de atmosfeer. Het apparaat was niet alleen voor de school bedoeld. Het functioneerde als openbare informatiebron voor het hele dorp. Boeren konden de stand bekijken voordat zij besloten te maaien of hooi binnen te halen. Ook bij dreigend stormweer kon de wijzer extra aandacht krijgen. De grote barometer bracht wetenschappelijke kennis letterlijk aan de dorpsweg. Zij verbond onderwijs, landbouw en waterbeheer met elkaar. Daarmee sloot het instrument aan bij een omgeving waar het weer dagelijks invloed had op werk, inkomen, veiligheid en de toestand van het land.
Een dorp met steeds meer voorzieningen
Tussen 1822 en 1878 kregen Sijbekarspel en Benningbroek steeds meer vaste voorzieningen. Armenzorg kwam onder sterker toezicht. Een gemeentelijk benoemde vroedvrouw begeleidde bevallingen en in Benningbroek kwam een vaste geneesheer. De oude school bij de kerk werd eerst verbouwd en uiteindelijk vervangen. Benningbroek kreeg in 1862 een nieuw schoolgebouw en Sijbekarspel in 1874. Het raadhuis, de school, de onderwijzerswoning, de pastorie en de dokterspraktijk vormden zichtbare onderdelen van een modernere dorpsorganisatie. Toch bleef het bestaan sterk afhankelijk van veehouderij, familiehulp, kerkelijke zorg en plaatselijke samenwerking. De nieuwe voorzieningen vervingen de oude verbanden niet, maar werden eraan toegevoegd.
Deel 5 — Spoorweg, bestuur, school en zuivelvernieuwing, 1878–1913
Een dorp aan de vooravond van verandering
Rond 1878 waren Sijbekarspel en Benningbroek nog overwegend agrarische lintdorpen. De meeste inwoners leefden rechtstreeks of zijdelings van veeteelt, landbouw, zuivelbereiding, winkels en plaatselijke ambachten. Toch kwamen steeds meer vernieuwingen het dorpsleven binnen. Het onderwijs werd uitgebreider geregeld, de gemeentelijke administratie stelde hogere eisen en nieuwe vervoersverbindingen kwamen ter sprake. De grote openbare barometer aan de schoolwoning maakte wetenschappelijke kennis zichtbaar langs de dorpsweg. Tegelijk groeide de behoefte aan betere wegen, sneller vervoer en nauwkeuriger bestuur. De dorpen bleven bestaan uit verspreide boerderijen en woningen, maar raakten steeds sterker verbonden met Hoorn, Medemblik en de omliggende regio. Nieuwe plannen vroegen om samenwerking, geld en langdurige besluitvorming.
Een spoorlijn tussen Hoorn en Medemblik
In 1883 werd serieus gesproken over een spoorverbinding tussen Hoorn en Medemblik. De bestaande wegen waren niet altijd goed begaanbaar en vervoer met paard en wagen kostte veel tijd. Een spoorlijn kon vee, melk, boter, kaas, tuinbouwproducten, bouwmaterialen en reizigers sneller vervoeren. Voor de aanleg was een groot kapitaal nodig. Tijdens een bijeenkomst werd geprobeerd ongeveer 500.000 gulden bijeen te brengen. Gemeenten, particulieren en andere belanghebbenden moesten aandelen nemen of financiële steun toezeggen. De notaris en dijkgraaf van Benningbroek speelde een belangrijke rol bij de voorbereiding. Het project was groter dan één dorp. Grond moest worden aangekocht, het traject vastgesteld en over de ligging van haltes, stations en overwegen moest worden beslist.
De oprichting van Hollandsch Noorderkwartier
In 1884 werd de naamloze vennootschap Hollandsch Noorderkwartier opgericht om de spoorlijn te realiseren. Cornelis Donker werd voorzitter en bleef dat tot zijn overlijden in 1891. Zijn betrokkenheid paste bij een loopbaan waarin notariaat, provinciaal bestuur, waterbeheer en regionale ontwikkeling samenkwamen. De onderneming moest kapitaal verzamelen, vergunningen verkrijgen, gronden aankopen en aannemers inschakelen. Voor kleine gemeenten vormde de aanleg een ongekende investering. Het spoor zou niet alleen reizigers vervoeren, maar vooral de regionale economie ondersteunen. Boeren en handelaren konden hun producten sneller naar markten en havens brengen. Toch bestond onzekerheid over de opbrengsten. Niet iedere boerderij lag dicht bij een halte en alle goederen moesten eerst met een wagen naar het spoor worden vervoerd.
De eerste trein
Op 2 november 1887 werd de ongeveer twintig kilometer lange spoorlijn tussen Hoorn en Medemblik geopend. De stationsgebouwen langs het traject werden ontworpen door Krieger. De lijn functioneerde als lokaalspoor of tramverbinding. Voor het materieel golden wettelijke beperkingen. Spoorvoertuigen mochten niet zwaarder zijn dan tien ton en de snelheid was aanvankelijk begrensd tot ongeveer vijftien kilometer per uur. Zelfs met deze bescheiden snelheid ging het vervoer sneller en regelmatiger dan met paard en wagen. De trein bracht rook, stoom, geluid en beweging in het open agrarische landschap. Reizigers konden eenvoudiger naar Hoorn en Medemblik. Goederen, vee en landbouwproducten kregen een snellere verbinding met markten, winkels, havens en andere spoorlijnen.
Nieuwe mogelijkheden voor boeren en middenstand
Voor de agrarische economie bood de spoorlijn belangrijke mogelijkheden. Melk, boter, kaas en andere bederfelijke producten konden sneller naar afnemers worden vervoerd. Veehandelaren konden dieren gemakkelijker naar markten brengen. Winkeliers en ambachtslieden ontvingen meel, kolen, hout, ijzer, bouwmaterialen en huishoudelijke artikelen sneller dan voorheen. De spoorlijn maakte de dorpen minder afhankelijk van trage wegen en vaarverbindingen die tijdens strenge winters konden dichtvriezen. Toch verdwenen paard, wagen en schuit niet. Producten moesten vanuit de verspreid liggende boerderijen eerst naar het station of de halte worden gebracht. De spoorweg werd daarom toegevoegd aan het bestaande vervoersnet. Oude en nieuwe vervoerswijzen bleven nog tientallen jaren naast elkaar functioneren.
Burgemeester Klaas Winkel
Klaas Winkel werd geboren op 15 oktober 1821. Hij was vanaf 1872 burgemeester van de gemeente Sijbekarspel. Tijdens zijn bestuur kwamen onder meer de nieuwe school, de spoorverbinding en verschillende gemeentelijke voorzieningen tot stand. Zijn ambtsperiode duurde tot zijn overlijden op 11 november 1891. De functie van burgemeester omvatte meer dan het voorzitten van vergaderingen. Er moest toezicht worden gehouden op gemeentelijke financiën, armenzorg, wegen, onderwijs, openbare orde en de uitvoering van landelijke voorschriften. In een kleine gemeente kende het bestuur veel inwoners persoonlijk. Dat maakte overleg gemakkelijker, maar kon controle ook bemoeilijken. Na zijn overlijden moest een opvolger worden gevonden die het bestuur, het notariaat en verschillende regionale belangen kon overnemen.
Cornelis Donker overlijdt
Op 17 december 1891 overleed Cornelis Donker, die sinds 1853 als notaris in Benningbroek had gewerkt. Daarnaast was hij gemeenteraadslid, wethouder, lid van Provinciale Staten, lid van de Eerste Kamer, dijkgraaf en voorzitter van de spoorwegmaatschappij geweest. Hij werd begraven achter de Witte Kerk in Benningbroek. Zijn werkzaamheden hadden het dorp verbonden met provinciaal bestuur, landelijke politiek, waterbeheer en regionale infrastructuur. Na zijn overlijden gingen bezit, kantoor en verschillende verantwoordelijkheden over naar de volgende generatie. De combinatie van functies was kenmerkend voor de negentiende eeuw. In kleine gemeenten waren weinig hoogopgeleide bestuurders beschikbaar, waardoor dezelfde personen vaak invloed hadden op grondverkopen, dijken, belastingen, spoorwegen en gemeentelijke besluiten.
Een jurist wordt burgemeester
Cornelis Petrus Donker werd geboren op 21 april 1862 in Benningbroek. Hij studeerde rechten en promoveerde in 1886 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Iets over dijk- en polderlasten. Eind 1891 werd hij burgemeester van Sijbekarspel. Vanaf 1892 tot 1904 was hij tevens dijkgraaf. Ook werkte hij als notaris. Zijn juridische kennis sloot nauw aan bij de plaatselijke omstandigheden, waarin grondbezit, waterschapslasten en gemeentelijke belastingen voortdurend met elkaar verbonden waren. Het proefschrift behandelde oude en moderne vormen van waterstaatsverantwoordelijkheid. Daarmee bracht het een eeuwenoude praktijk van dijkplicht, verstoeling en grondbezit in verband met de negentiende-eeuwse ontwikkeling naar centraler provinciaal bestuur.
Dijk- en polderlasten
In het onderzoek naar dijk- en polderlasten werd het oude beginsel besproken dat degenen die door het water werden bedreigd ook voor de waterkering moesten zorgen. Daarbij kwamen de verstoeling, stoelboeken en spa-steking uitvoerig aan bod. In stoelboeken stond welk dijkvak door welke grondbezitter moest worden onderhouden. Wie de lasten niet meer kon dragen, kon door spa-steking afstand doen van land en dijkplicht. In de negentiende eeuw werd het waterbeheer steeds meer gecentraliseerd, maar oude rechten en lasten bleven doorwerken. Provinciale regels moesten worden afgestemd op plaatselijke gebruiken die soms eeuwen oud waren. Voor Sijbekarspel en Benningbroek was dit geen theoretische kwestie. Boeren en landeigenaren werden rechtstreeks getroffen door polderlasten, waterstanden en onderhoudsplichten.
Controle van de gemeentekas
Kort na het aantreden van de nieuwe burgemeester werd de gemeentekas gecontroleerd. Op 15 maart 1892 vond een inspectie plaats door de burgemeester en een wethouder. De administratie van gemeentelijk ontvanger Dirk Jongert bleek ernstig tekort te schieten. Er ontbrak geld en de kasboeken gaven geen betrouwbaar overzicht van ontvangsten en uitgaven. De zaak werd onderzocht door de gemeente en kwam onder de aandacht van het provinciebestuur en de rechtbank in Alkmaar. In een kleine gemeente kon één ontvanger jarenlang veel zelfstandigheid hebben. Belastingen en betalingen werden met de hand geregistreerd. Wanneer controles onregelmatig waren, konden fouten of fraude lange tijd verborgen blijven. De ontdekking beschadigde het vertrouwen in de gemeentelijke administratie.
De borgstelling van 1885
Dirk Jongert had op 9 augustus 1885 een borgstelling moeten geven. Zo’n waarborg moest de gemeente beschermen wanneer de ontvanger geld verloor, verduisterde of zijn verplichtingen niet kon nakomen. De borgstelling voorkwam echter niet dat de administratie ontspoorde. Na de ontdekking moest worden vastgesteld hoeveel geld ontbrak, wie aansprakelijk was en welk deel van het verlies kon worden verhaald. De kwestie werd niet alleen binnen het raadhuis besproken. In een kleine dorpsgemeenschap waren bestuurders, ambtenaren, borgen en belastingbetalers vaak buren, familieleden of bekenden. Daardoor kreeg het financiële onderzoek ook een sociale betekenis. De affaire benadrukte de noodzaak van regelmatige kascontroles, een betere boekhouding en een betrouwbare gemeentesecretaris.
Een nieuwe gemeentesecretaris
Op 2 maart 1895 werd Gerrit Bossen benoemd tot gemeentesecretaris. Hij hield raadsbesluiten, registers, begrotingen, correspondentie en gemeentelijke rekeningen bij. Daarnaast werkte hij als belastingontvanger. Vanaf 1899 of 1900 verrichtte hij ook werkzaamheden voor de gemeente Midwoud. Kleine gemeenten konden niet voor iedere taak een afzonderlijke ambtenaar betalen. De secretaris kreeg daardoor een centrale plaats binnen de administratie. Hij kende de inwoners, eigendommen, belastingen en gemeentelijke verplichtingen. Na de problemen met de gemeentekas was een nauwkeurige administratie extra belangrijk. Bossen bleef tot 1 april 1935 in functie. Daardoor maakte hij de verdere ontwikkeling van onderwijs, woningbouw, wegen, zuivelfabrieken en gemeentelijke samenwerking mee.
De school blijft onderhoud vragen
De school aan de Westerstraat was rond 1894 ongeveer twintig jaar in gebruik. De nieuwbouw had het onderwijs verbeterd, maar het complex moest voortdurend worden onderhouden. De school, het woonhuis, het hek, het plein, de privaten en de bijgebouwen vroegen regelmatig aandacht. Landelijke regels stelden bovendien steeds hogere eisen aan ruimte, gezondheid en lesprogramma. De grote barometer bleef aan de schoolwoning hangen en werd een herkenbaar onderdeel van het dorpsbeeld. Toch was het schoolgebouw niet voor alle nieuwe voorschriften ontworpen. Iedere aanpassing kostte geld. De gemeente moest bepalen welke verbeteringen onmiddellijk nodig waren en wat kon worden uitgesteld. Onderwijs werd zo een blijvende en steeds zwaardere post op de gemeentelijke begroting.
Gymnastiek zonder gymnastieklokaal
Aan het einde van de negentiende eeuw werd gymnastiek verplicht binnen het lager onderwijs. De school van Sijbekarspel beschikte echter niet over een geschikt gymnastieklokaal en het plein bood onvoldoende ruimte voor alle oefeningen. De gemeente vroeg daarom uitstel. De landelijke overheid kon een nieuw vak voorschrijven, maar voor een klein dorp betekende dit ook de aanschaf van toestellen, aanpassing van lokalen en extra toezicht. De bestaande school was ontworpen voor lezen, schrijven, rekenen en klassikaal onderwijs. Lichamelijke oefening stelde heel andere eisen aan ruimte en inrichting. De situatie maakte duidelijk hoe landelijke onderwijsvernieuwing in kleine gemeenten op praktische en financiële grenzen stuitte. Het onderwijs moest moderniseren, terwijl het gebouw achterbleef bij de nieuwe verwachtingen.
Beloning tegen schoolverzuim
Rond 1897 werd regelmatig schoolbezoek sterker bevorderd. Kinderen die weinig verzuimden, konden jaarlijks met een uitstapje worden beloond. Het reisje moest de leerlingen motiveren en ouders overtuigen hun kinderen naar school te sturen. Verzuim bleef voorkomen wanneer op de boerderij, in de tuin of in het huishouden extra hulp nodig was. Tijdens de hooitijd, het melken en andere drukke werkzaamheden konden kinderen worden thuisgehouden. De beloning liet zien dat regelmatig onderwijs nog geen vanzelfsprekendheid was. De landelijke leerplicht was nog niet volledig ingevoerd. Tot die tijd probeerden school, gemeente en plaatselijke verenigingen met overtuiging, sociale druk en beloningen de schoolbanken gevuld te houden. Onderwijs bleef concurreren met de arbeid die binnen het gezin nodig was.
Afscheid van meester Stuurman
In 1898 nam C. Stuurman na 39 jaar afscheid als hoofd van de school. Hij had zowel in het oude gebouw bij de kerk als in de nieuwe school aan de Westerstraat lesgegeven. Tijdens zijn loopbaan was onderwijs veranderd van een sterk kerkelijk verbonden voorziening in een steeds meer gereguleerde gemeentelijke taak. Sikke Hoekstra werd zijn opvolger en ontving een salaris van 930 gulden per jaar. Daarbij hoorden de onderwijzerswoning en de bijbehorende grond. Het vertrek van een schoolhoofd na bijna vier decennia was een belangrijke gebeurtenis. Meerdere generaties kinderen hadden bij dezelfde meester leren lezen, schrijven en rekenen. Met Hoekstra begon een nieuwe periode waarin gebouwonderhoud, hygiëne, schoolbezoek en landelijke voorschriften steeds meer aandacht kregen.
Verfwerk, deuren en het schoolplein
Na 1898 werden school en onderwijzerswoning op verschillende punten verbeterd. Het huis, het schoolgebouw en het hek kregen nieuw schilderwerk. Oude deuren werden dichtgemetseld en andere delen werden aangepast. Het schoolplein was aanvankelijk met grind bedekt, maar bleef vuil en modderig. Later werd een gedeelte bestraat met oude stenen uit de dorpsweg. De leerlingen speelden daardoor op stenen waar eerder paarden, wagens en dorpsbewoners overheen waren gegaan. Hergebruik van materiaal was vanzelfsprekend, omdat goede stenen kostbaar waren. Een verhard plein zorgde ervoor dat minder modder en vuil de lokalen in werden gelopen. Kleine bouwkundige aanpassingen konden de dagelijkse omstandigheden merkbaar verbeteren, maar nieuwe gebreken en wensen bleven zich aandienen.
De gezondheidscommissie van 1907
In 1907 onderzocht de gezondheidscommissie uit Hoorn de school. De lokalen, vloeren, kapstokken, privaten en algemene hygiëne werden beoordeeld. De kapstokken kregen nummers, zodat iedere leerling een vaste plaats voor jas en andere kleding had. De vloeren werden behandeld met stofwerende olie. Daarmee moest worden voorkomen dat bij lopen en vegen voortdurend stof door het lokaal trok. De privaten werden eveneens gecontroleerd. Een afzonderlijke wasgelegenheid kwam er niet. De maatregelen lijken klein, maar waren dagelijks zichtbaar. De moderne gezondheidszorg drong de school binnen via genummerde haken, behandelde vloeren en inspectierapporten. De school werd niet langer alleen beoordeeld op onderwijs, maar ook als omgeving waarin kinderen veilig en zo gezond mogelijk moesten verblijven.
De privaten en de beerput
De schoolprivaten bleven onderwerp van discussie. Zij waren aangesloten op een beerput of op een afvoer naar de sloot. Geur, vervuiling, onderhoud en lediging veroorzaakten problemen. Er ontstond verschil van mening over de vraag wie verantwoordelijk was voor schoonmaak, herstel en afvoer. Moderne riolering bestond nog niet. Menselijk afval werd opgeslagen in putten of kwam uiteindelijk in sloten terecht. Dezelfde watergangen werden gebruikt voor afwatering en lagen dicht bij woningen, erven en speelplaatsen. De gezondheidscommissie wilde de ernstigste gebreken laten verhelpen, maar een volledig nieuw systeem kostte veel geld. De discussie maakte duidelijk hoe langzaam moderne hygiëne in de dorpen werd ingevoerd en hoe nauw wonen, afvalwater en sloten nog met elkaar verbonden waren.
Plannen voor een veranda
Bij de school werd ook gesproken over de aanleg van een veranda. Zo’n overdekte ruimte kon leerlingen beschutting bieden bij regen en slecht weer. Ook kon zij worden gebruikt om kinderen buiten te laten verblijven zonder dat zij direct in modder of wind stonden. De plannen pasten bij de groeiende aandacht voor frisse lucht, gezondheid en ordelijk schoolgebruik. Niet ieder voorstel werd onmiddellijk uitgevoerd. De gemeente moest telkens afwegen of een verbetering noodzakelijk was en of daarvoor geld beschikbaar kwam. De school vroeg voortdurend om kleine en grote investeringen: schilderwerk, deuren, vloeren, toiletten, verwarming, bestrating, een schuur en mogelijk een veranda. De opeenstapeling van wensen maakte duidelijk dat een schoolgebouw nooit werkelijk voltooid was.
Een stenen schuur
In 1911 werd het oude houten schuurtje bij school en onderwijzerswoning vervangen door een groter stenen gebouw. Timmerman K. Leeuw maakte de tekening en een Kistemaker werkte mee aan het metselwerk. De schuur bood ruimte voor brandstof, gereedschap, tuinmateriaal en andere benodigdheden van school en huishouden. De vervanging van hout door steen maakte het gebouw duurzamer en verminderde het brandgevaar. De onderwijzerswoning was niet alleen het huis van een ambtenaar. Er werd gekookt, gewassen, gestookt en tuinwerk verricht. Turf, hout en andere materialen moesten worden opgeslagen. Een goed bijgebouw was daarom een praktische noodzaak. De school en het huishouden functioneerden op hetzelfde terrein en deelden verschillende voorzieningen.
Water in de keuken
In 1912 kreeg de onderwijzerswoning een pompje in de keuken. Daarmee kon water uit een bak of reservoir worden opgepompt. Stromend leidingwater was nog niet overal aanwezig. Regenwater of ander opgeslagen water moest met handkracht naar boven worden gehaald. Voor koken, wassen, schoonmaken en persoonlijk gebruik waren dagelijks grote hoeveelheden nodig. De plaatsing van een keukenpomp betekende een verbetering, maar bleef ver verwijderd van een moderne waterkraan. De kleine technische ingreep laat zien hoe geleidelijk het wooncomfort veranderde. Elektriciteit, waterleiding en later gas kwamen niet tegelijk. Iedere voorziening vroeg om afzonderlijke leidingen, pompen, apparaten en aanpassingen aan bestaande gebouwen.
Het herenhuis wordt verkocht
In 1894 had Cornelis Petrus Donker het ouderlijk herenhuis en verschillende andere onroerende goederen geërfd. Toen hij besloot naar Bloemendaal te verhuizen, verkocht hij zijn bezit op 11 december 1903 aan de Hoornse bankier Eduard Geldolph Heijning. Donker behield levenslang het gebruik van een kantoor aan de noordzijde van het huis. De twee kenden elkaar waarschijnlijk uit bestuurlijke en financiële kringen. Eind 1903 waren zij betrokken bij de oprichting van de Hoornsche Crediet Bank. In mei 1904 trad Donker op als getuige bij het huwelijk van Heijning. Op 30 juli 1904 verhuisde het gezin Donker naar Bloemendaal, waar een villa werd gebouwd. Rond 1904 werd G. Stapel Gzn. burgemeester.
Een nieuwe bewoner van Rosita
In januari 1905 vestigde Heijning zich met zijn gezin in Benningbroek. Het herenhuis en het terrein kregen een nieuwe bestemming. In oktober 1906 werd bekend dat Heijning samen met veehouder Klaas Weeder uit Oostwoud een kaasfabriek wilde oprichten. In de krant verscheen onmiddellijk een oproep voor een kaasmaker. Eind 1906 werkten al drie werknemers aan de onderneming. Het was opvallend dat de fabriek particulier werd opgezet. Veel andere zuivelfabrieken ontstonden juist als coöperatie, waarbij plaatselijke boeren gezamenlijk kapitaal inbrachten en melk leverden. In Sijbekarspel kozen negen boeren begin 1907 bewust voor zo’n gezamenlijke vorm. Rosita volgde daarentegen het model van één particuliere onderneming.
Hinderwet en stoommachine
Voor de fabriek was een Hinderwetvergunning nodig, omdat een stoomketel werd geplaatst. De stoom diende om melk te verwarmen en om centrifuges, karnen en andere machines aan te drijven. Daarnaast werd vergunning gevraagd voor een stenen machinegebouwtje en een houten schuur. Op 1 december 1906 werd toestemming verleend, onder de voorwaarde dat het bedrijf vanaf 1 januari 1907 in werking zou zijn. De vergunning moest brandgevaar, overlast en risico’s van de stoominstallatie beperken. Een ketel werkte onder druk en moest veilig worden opgesteld. De komst van stoomkracht betekende een grote stap van handwerk naar mechanische verwerking. De fabriek kon grotere hoeveelheden melk sneller en gelijkmatiger behandelen dan op een afzonderlijke boerderij mogelijk was.
Machines van Joh. A. Beek
De fabriek beschikte over moderne apparatuur. De Hoornse firma Joh. A. Beek leverde een machine die het karnen en kneden van boter automatisch kon uitvoeren. Vroeger werd dit werk met de hand of met eenvoudige, door mensen of paarden aangedreven werktuigen gedaan. De machine verkortte het proces en leverde een gelijkmatiger product. Daarnaast beschikte de fabriek over een centrifuge, waarmee room van melk kon worden gescheiden. Stoomkracht dreef verschillende onderdelen aan. De installatie maakte Rosita tot een echte stoomzuivelfabriek en niet slechts tot een grotere boerenkaasmakerij. De investering was aanzienlijk. Gebouwen, ketel, machine, wagens en personeel moesten allemaal worden betaald voordat de verkoop van boter en kaas voldoende opbrengst kon opleveren.
Roomboter en Edammer kaas
Begin 1907 werkte het bedrijf onder de naam Stoomzuivelfabriek Rosita. Het belangrijkste product was roomboter. Daarnaast werd Edammer kaas verkocht. Advertenties verschenen niet alleen in plaatselijke kranten, maar ook in De Tijd en De Gooi- en Eemlander. De onderneming zocht dus afnemers buiten Benningbroek en Hoorn. De naam Rosita werd gebruikt voor zowel het herenhuis als de fabriek en moest herkenbaarheid en vertrouwen wekken. De omvang van de installatie wijst erop dat melk van meerdere boeren werd verwerkt. Voor de productie van slechts één boerderij zouden de stoommachine, centrifuge en andere apparaten te groot en kostbaar zijn geweest. De fabriek vertegenwoordigde een nieuwe manier van zuivelbereiding, waarbij melk centraal werd ontvangen, gewogen en verwerkt.
Klaas Weeder neemt het bedrijf over
Op 8 maart 1907 kocht Klaas Weeder de fabriek, het herenhuis en de overige goederen van Heijning. Hij zette het bedrijf alleen voort en verhuisde met zijn gezin van Oostwoud naar Rosita. Heijning vertrok naar Den Haag. Van welke boeren de melk werd betrokken, is niet meer te achterhalen. Naast de zuivelbereiding hield Weeder zich bezig met tuinbouw. In advertenties werden dahlia’s, kuipplanten en vruchtbomen aangeboden. Tot het assortiment behoorden appelbomen, perenbomen en perzikbomen. Het terrein werd daardoor op verschillende manieren benut. De fabriek verwerkte melk, terwijl rond het huis bomen en planten werden gekweekt. Deze combinatie bood meerdere inkomstenbronnen, maar maakte de onderneming ook omvangrijk en kostbaar.
De openbare verkoop van 1908
De onderneming hield nauwelijks langer dan een jaar stand. Op 4 juni 1908 werden de panden en de fabrieksinventaris openbaar verkocht in de herberg van Jasper Boon in de Molenbuurt. Het ruim twee hectare grote terrein werd eerst in afzonderlijke percelen aangeboden. Daardoor konden verschillende kopers op delen van het bezit bieden. Uiteindelijk werd het geheel gekocht door aannemer Hendrik Koorn uit Bloemendaal. De verkoop liet zien dat de particuliere zuivelfabriek niet voldoende levensvatbaar was gebleken. De oorzaken zijn niet volledig bekend. Mogelijk waren de investeringen te hoog, was de melktoevoer onvoldoende of bleek de afzetmarkt te klein. Het bedrijf was modern ingericht, maar technische vernieuwing garandeerde nog geen financieel succes.
Paarden, wagens en huisraad
Acht dagen na de verkoop van de gebouwen kwamen de overige bezittingen onder de hamer. Er werden meubelen, glaswerk en porselein verkocht. Ook vijf werkpaarden, vier melkwagens en een grote kaaswagen maakten deel uit van de boedel. Daarnaast werden kuipplanten, bloemen, palmen en verschillende raskippen aangeboden. De inventaris liet zien hoe veelzijdig het bedrijf was geweest. Paarden en wagens waren nodig om melk op te halen en producten te vervoeren. De grote kaaswagen kon aanzienlijke hoeveelheden naar markt of station brengen. De planten en bomen hoorden bij de tuinbouwtak. Woning, fabriek, transport, dieren en kwekerij waren nauw met elkaar verbonden. Het verdwijnen van de onderneming betekende daarom niet alleen het stoppen van zuivelproductie, maar het uiteenvallen van een compleet bedrijfscomplex.
De volledige fabrieksinventaris
Daarna werd de technische inventaris verkocht. Deze bestond uit een stoomketel met een machine van zeven paardenkrachten, een centrifuge en een botermolen. Verder waren er melkbassen, kaasvaten, kaastobben, kaaspersen, pekelkisten en weegbakken. De opsomming toont dat de melk volledig kon worden ontvangen, gewogen, verwarmd, gecentrifugeerd en verwerkt. Boter kon mechanisch worden gekarnd en gekneed. Voor de kaasbereiding waren vaten, tobbes, persen en pekelvoorzieningen aanwezig. Rosita was dus geen klein proefbedrijf, maar een volledig uitgeruste fabriek. Juist de omvang van de investering kan het moeilijk hebben gemaakt om bij een beperkte melktoevoer of afzet voldoende winst te behalen. De moderne machines werden na de verkoop uit Benningbroek weggevoerd.
De afbraak van Rosita
Na ongeveer twee jaar kwam een einde aan de zuivelfabriek. De gebouwen werden voor afbraak aangeboden. Op 1 december 1908 werden de laatste restanten verkocht. Ook het oude herenhuis van de familie Donker verdween. De sloop maakte in Benningbroek veel indruk. In februari 1909 verscheen in de Enkhuizer Courant een terugblik op het huis dat jarenlang met het notariaat, het gemeentebestuur en een vooraanstaande familie verbonden was geweest. Met de afbraak verdwenen zowel een oud herenhuis als een moderne fabriek. De onderneming was kortstondig, maar liet zien hoe snel de zuivelbereiding veranderde. De verwerking van melk verplaatste zich steeds meer van afzonderlijke boerderijen naar gespecialiseerde bedrijven met machines en personeel.
Van fabriek naar kwekerij
Hendrik Koorn liet na de afbraak een nieuwe villa bouwen en maakte van Rosita een tuinbouwbedrijf. De plaats waar stoommachine, centrifuge en kaaspersen hadden gestaan, kreeg opnieuw een andere functie. Na ongeveer tien jaar werd de kwekerij verkocht aan de familie Buishand-Molen. De opeenvolging van herenhuis, zuivelfabriek, villa en kwekerij laat zien hoe flexibel grond en gebouwen aan het begin van de twintigste eeuw werden gebruikt. Een erf bleef niet langer noodzakelijk generaties lang uitsluitend woning of boerderij. Nieuwe ondernemers brachten andere plannen, technieken en producten. De naam Rosita bleef echter aan de plaats verbonden. Later kwam op deze locatie het notariskantoor van Mantel en Overtoom te staan.
Coöperatieve zuivelbereiding
In 1913 kreeg Benningbroek opnieuw een zuivelfabriek, ditmaal op coöperatieve grondslag. De particuliere onderneming Rosita was verdwenen, maar de ontwikkeling die zij vertegenwoordigde zette door. Bij een coöperatie leverden boeren gezamenlijk melk, brachten zij kapitaal bijeen en deelden zij in de resultaten. Daardoor werden investeringen en risico’s over meerdere bedrijven verdeeld. De fabriek kon grotere hoeveelheden melk verwerken en een gelijkmatiger product leveren dan afzonderlijke boerderijen. Voor de boeren veranderde het dagelijkse werk. Minder melk hoefde thuis tot boter of kaas te worden verwerkt, maar de melk moest op vaste tijden worden aangeleverd. Melkbussen, wagens, machines, administratie en kwaliteitscontrole werden onderdeel van de nieuwe zuivelketen.
Een generatie van Kistemakers en Leeuwen
Bij schoolgebouwen, schuren en andere gemeentelijke werken kwamen de namen Kistemaker en Leeuw herhaaldelijk voor. Jan Kistemaker had eerder tekeningen voor de nieuwe school ingediend. Later werkten Kistemakers mee aan uitbreidingen en metselwerk. K. Leeuw maakte de tekening voor de stenen schoolschuur en zou ook bij latere schooluitbreidingen betrokken raken. Dezelfde familie Kistemaker was actief bij de bouw van keersluizen voor De Vier Noorder Koggen. Daardoor kwamen onderwijs en waterbeheer via het plaatselijke bouwvak samen. Metselaars en timmerlieden werkten aan lokalen waarin kinderen leerden en aan waterwerken die het land droog hielden. De herhaling van familienamen weerspiegelde het karakter van het dorpsambacht, waarin vakkennis vaak binnen families werd doorgegeven.
Het einde van een bestuurlijke loopbaan
Cornelis Petrus Donker verhuisde in 1904 naar Bloemendaal en legde zijn plaatselijke functies neer. Het burgemeesterschap werd rond dat jaar overgenomen door G. Stapel Gzn. Donker bleef door zijn kantoorrecht en vroegere bezittingen met Benningbroek verbonden. Hij stond bekend om maatschappelijke betrokkenheid en steunde onder meer het Witte Kruis en een badinrichting bij Lambertschaag. Op 2 mei 1918 overleed hij in Hoorn, 56 jaar oud. De begrafenis vond plaats op Westerveld. Zijn overlijden ligt buiten de periode tot 1913, maar zijn vertrek markeerde al eerder het einde van een tijd waarin notariaat, burgemeesterschap en dijkgraafschap langdurig in dezelfde familie waren verenigd. Daarna werden functies geleidelijk over meer personen verdeeld.
Een periode van snelle overgang
Tussen 1878 en 1913 veranderden Sijbekarspel en Benningbroek op verschillende terreinen. De spoorlijn maakte sneller vervoer mogelijk. De gemeentekasfraude leidde tot meer aandacht voor controle en administratie. De school werd aangepast aan nieuwe eisen voor gezondheid, gymnastiek en regelmatig bezoek. De onderwijzerswoning kreeg een stenen schuur en een waterpomp. Aan de dorpsweg verschenen stoommachines, fabrieksgebouwen en nieuwe ondernemingen. Rosita bestond slechts kort, maar werd gevolgd door een coöperatieve zuivelfabriek. Tegelijk bleven paarden, handpompen, beerputten en oude schoolgebouwen bestaan. De modernisering kwam niet in één keer. Nieuwe technieken en instellingen werden toegevoegd aan een samenleving waarin oudere werkwijzen nog lang noodzakelijk bleven.
Deel 6 — Smederijen, oorlogsschaarste en schoolstrijd, 1853–1939
De oude smederij van Sijbekarspel
Omstreeks 1853 was aan de Westerstraat in Sijbekarspel een grof- en hoefsmederij gevestigd. Het bedrijf stond aanvankelijk bij Westerstraat 94 en later aan Westerstraat 76. Er werden paarden beslagen en landbouwwerktuigen, kachels, sloten, ijzeren onderdelen en gereedschappen gemaakt of hersteld. Het werk was zwaar en vereiste ervaring met vuur, metaal en de bewegingen van paarden. In 1872 overleed de toenmalige smid op 42-jarige leeftijd. De weduwe vertrok daarna naar Midwoud. Een smid uit Hoogwoud zette de zaak korte tijd voort, maar vertrok in 1876 naar Katwijk-Binnen. Daarna kwam een smid uit de Beemster. Ook hij overleed jong, in 1881, op dertigjarige leeftijd.
De smederij wordt voortgezet
Na het overlijden in 1881 bleef een weduwe met een vierjarige zoon achter. In 1882 werd hertrouwd met Frans Korver, vermoedelijk een smidsknecht die al in het bedrijf werkte. Onder zijn leiding bleef de smederij veel langer bestaan dan onder de voorgaande eigenaren. Naast het smidswerk werd op openbare verkopingen strijkgeld opgehaald. Bij zulke veilingen kon op huizen, boerderijen en land worden geboden om de prijs op te drijven. Soms bleef een bod echter aan de bieder vastzitten. Een gekocht perceel werd dan verhuurd totdat het later met winst kon worden verkocht. De smederij bleef ondertussen een onmisbare plaats voor boeren, paardenhouders en andere dorpsbewoners die metalen onderdelen of reparaties nodig hadden.
Verkooppogingen vanaf 1906
In 1906 werd de grofsmederij te koop aangeboden. Ook in 1907 en 1908 verschenen advertenties. Bij de laatste aanbieding werd tegelijk een smidsknecht gevraagd. De herhaalde advertenties laten zien dat een onderhandse koper moeilijk te vinden was. Op 9 maart 1908 volgde wegens de slechte gezondheid van de eigenaar een openbare veiling. Het hoogste bod bedroeg 6.050 gulden. Voor dat bedrag werd het bedrijf echter niet verkocht. De waarde van het pand, de smederij, het gereedschap en de klantenkring werd kennelijk hoger ingeschat. De zaak bleef daarom voorlopig bestaan. Het ontbreken van een koper maakte duidelijk dat een traditioneel smidsbedrijf aan het begin van de twintigste eeuw wel belangrijk was, maar niet zonder risico kon worden overgenomen.
Overname per 1 januari 1909
Eind 1908 werd bekendgemaakt dat Cor Bakker de smederij per 1 januari 1909 zou overnemen. Hij was in 1884 in Zaandijk geboren en kwam met zijn vrouw en vier kinderen naar Sijbekarspel. De oude smid bleef nog enige tijd in het dorp wonen. In 1931 werd een boelhuis gehouden en volgde een verhuizing naar Alkmaar. Het overlijden vond daar in 1932 plaats; de weduwe overleed in 1935. De overdracht aan een jongere vakman verzekerde het voortbestaan van de smederij. Paarden bleven belangrijk voor landbouw en vervoer, terwijl kachels, landbouwwerktuigen, wagens en metalen onderdelen voortdurend onderhoud vroegen. Tegelijk kondigden nieuwe technieken zich al aan.
Een nieuwe smederij op perceel A555
In oktober 1910 werd toestemming gevraagd om op perceel A555 een nieuwe grof-, kachel- en hoefsmederij met houten schuurtje te bouwen. De vergunning werd verleend. Het nieuwe bedrijf kwam tegenover de plaats te staan waar later zuivelfabriek Prins Hendrik zou functioneren. De ligging was gunstig. Een zuivelfabriek gebruikte wagens, metalen onderdelen, leidingen en machines die onderhoud nodig hadden. De smederij kon daardoor mogelijk extra werk verwachten. Het gebouw bood ruimte voor smidsvuur, aambeeld, gereedschappen, opslag en hoefbeslag. De combinatie van grof-, kachel- en hoefsmederij maakte duidelijk dat het bedrijf meerdere soorten werk uitvoerde. De dorpssmid moest breed inzetbaar zijn om voldoende inkomsten te behouden.
Boerderij Het Kerspel wordt verkocht
In 1912 werd boerderij Het Kerspel in Sijbekarspel openbaar verkocht. Het bedrijf bestond uit een stolpboerderij met erf, land en agrarische voorzieningen. Een boerderij was tegelijk woning, stal, hooiberging, opslagplaats en werkruimte. Daardoor vertegenwoordigde een verkoop niet alleen grond, maar een volledig bestaan. Na de verkoop kwam het bedrijf in handen van de familie Spruit. De bedrijfsvoering verliep echter moeizaam. Financiële problemen maakten het moeilijk om vee, land, gebouwen en schulden in evenwicht te houden. Voor een boerengezin konden lage opbrengsten, hoge kosten of een slechte oogst grote gevolgen hebben. Het Kerspel werd daardoor niet alleen een verhaal van bezit, maar ook van de kwetsbaarheid van een agrarisch bedrijf.
De brand van 13 oktober 1913
Op 13 oktober 1913 brak brand uit in boerderij Het Kerspel. In een stolp lagen woonruimte, stal en hooiberging onder hetzelfde grote dak. Wanneer vuur het droge hooi bereikte, kon de brand zich zeer snel uitbreiden. Vee, wagens, gereedschappen, voedselvoorraden en huisraad liepen tegelijk gevaar. Blussen gebeurde met beperkte middelen en water uit sloten. Een brand betekende daarom vaak verlies van zowel woning als bedrijf. Voor een onderneming die al met financiële moeilijkheden kampte, waren de gevolgen extra zwaar. De gebeurtenis maakte duidelijk hoe kwetsbaar het boerenbestaan bleef. Een enkele brand kon in korte tijd kapitaal, werkgelegenheid en jarenlang opgebouwde voorraden vernietigen. Het bedrijf zou niet meer als vanzelfsprekend in dezelfde vorm worden voortgezet.
Prins Hendrik opent in 1913
In 1913 kreeg Benningbroek een coöperatieve zuivelfabriek onder de naam Prins Hendrik. De fabriek ontstond nadat de particuliere onderneming Rosita was verdwenen. Bij de nieuwe fabriek brachten boeren gezamenlijk kapitaal bijeen en leverden zij hun melk aan dezelfde onderneming. Kosten, risico’s en opbrengsten werden daardoor over meerdere leden verdeeld. De fabriek stond tegenover de smederij in Sijbekarspel. Deze ligging kon onderhouds- en reparatiewerk opleveren aan machines, melkwagens en leidingen. De coöperatieve vorm bood meer zekerheid dan een fabriek die volledig afhankelijk was van één eigenaar. Melk, die eerder op afzonderlijke boerderijen tot boter en kaas werd verwerkt, werd nu op vaste tijden centraal aangevoerd, gewogen en gemechaniseerd verwerkt.
Melkbussen en vaste aanvoer
De komst van Prins Hendrik veranderde het dagelijkse werk op de boerderijen. Na het melken werd de melk in grote bussen gedaan. Deze moesten schoon zijn en op vaste tijden klaarstaan voor vervoer. Melkwagens haalden de bussen op en brachten ze naar de fabriek. Daar werd de melk gecontroleerd, gewogen en verder verwerkt. Voor boeren betekende dit dat minder tijd nodig was voor het thuis karnen en kaasmaken. Daartegenover stonden vaste regels voor kwaliteit, levering en administratie. De fabriek kreeg een centrale plaats in de plaatselijke zuivelketen. Melk werd niet meer uitsluitend een product van één boerderij, maar een grondstof die gezamenlijk werd verwerkt en onder een herkenbare naam werd verkocht.
Nederland blijft neutraal
In augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. Nederland bleef neutraal, maar de oorlog beïnvloedde het dagelijkse leven in Sijbekarspel en Benningbroek sterk. De internationale handel raakte verstoord. Graan, steenkool, kunstmest, brandstof en andere grondstoffen werden moeilijker verkrijgbaar. De prijzen stegen en de overheid ging productie, invoer en distributie strenger regelen. Boeren konden voor sommige producten hogere prijzen krijgen, maar hadden tegelijk moeite om voer, meststoffen en brandstof te kopen. Huishoudens merkten de schaarste in winkels en bakkerijen. Het front lag ver weg, maar blokkades, scheepvaartproblemen en oorlogseconomie bereikten ook het West-Friese platteland. De afhankelijkheid van buitenlandse graanhandel werd opnieuw duidelijk zichtbaar.
Distributie en rantsoenering
Naarmate de oorlog voortduurde, nam de overheidsbemoeienis met de voedselvoorziening toe. Producten werden verdeeld en gerantsoeneerd. Niet iedereen kon vrij kopen wat in de winkels aanwezig was. Voor broodgraan, brandstof en andere eerste levensbehoeften golden voorschriften. De gemeente moest lijsten bijhouden en toezien op een eerlijke verdeling. Voor winkeliers en bakkers betekende dit extra administratie en controle. Voor gezinnen betekende het wachten, aanpassen en vervangen. Producten die normaal werden gekocht, moesten soms door andere ingrediënten worden vervangen. De oorlog maakte duidelijk dat de voedselvoorziening niet alleen door plaatselijke productie werd bepaald. Besluiten van de landelijke overheid, internationale scheepvaart en beschikbare voorraden kregen rechtstreeks invloed op de dagelijkse maaltijd.
Regeringsbrood
Tijdens de oorlog werd het zogenoemde regeringsbrood ingevoerd. De overheid bepaalde welke grondstoffen bakkers moesten gebruiken. Het brood bestond uit een mengsel van inlandse tarwe, aardappelmeel, roggemeel en gemalen erwten. De samenstelling was geen keuze van de plaatselijke bakker. Zij vloeide voort uit schaarste en rantsoenering. Het brood werd als klef en zurig beschreven en week sterk af van vertrouwd witbrood of roggebrood. Toch moest het worden gegeten omdat voldoende graan van goede kwaliteit niet beschikbaar was. De bakkerij bleef daardoor onder streng toezicht staan. De oude broodzetting, waarin prijs en gewicht werden vastgesteld, kreeg een moderne aanvulling: nu bepaalde de overheid zelfs de samenstelling van het brood.
De school telt 84 leerlingen
In 1916 telde de openbare school van Sijbekarspel ongeveer 84 leerlingen. Er waren slechts twee leerkrachten. Eén klas bestond uit ongeveer vijftig kinderen. De twee lokalen waren daardoor overvol. De meester moest leerlingen van verschillende leeftijden en niveaus tegelijk onderwijzen. Rust, aandacht en voldoende persoonlijke uitleg waren moeilijk te organiseren. De gemeente moest een oplossing zoeken. Een derde lokaal zou veel geld kosten, maar niets doen was evenmin mogelijk. De grote leerlingenaantallen lieten zien dat het gebouw uit 1873 niet langer voldeed. Onderwijswetten, bevolkingsgroei en klassengrootte maakten uitbreiding noodzakelijk. De school werd opnieuw een van de belangrijkste onderwerpen binnen de gemeenteraad.
Eén centrale school als mogelijkheid
Tijdens de discussie over ruimtegebrek werd voorgesteld één centrale school voor Sijbekarspel en Benningbroek te bouwen. Een gezamenlijk gebouw kon efficiënter zijn en op langere termijn kosten besparen. De leerkrachten en leerlingen zouden in grotere groepen kunnen worden verdeeld. Benningbroek wilde echter niet aan het plan meewerken. De eigen school werd als een belangrijke dorpsvoorziening beschouwd. Voor jonge kinderen zou een centrale ligging bovendien een langere wandeling kunnen betekenen. Afstand, winterweer en veiligheid speelden mee. De discussie ging daarom niet alleen over geld en onderwijsorganisatie. Zij raakte ook aan de zelfstandigheid van beide dorpen. Een gezamenlijke gemeente betekende nog niet dat iedere voorziening zonder weerstand kon worden samengevoegd.
Zes stemmen tegen één
Omdat Benningbroek niet wilde meewerken aan één centrale school, kwam uitbreiding van het bestaande gebouw in Sijbekarspel opnieuw op tafel. De gemeenteraad koos met zes stemmen tegen één voor deze oplossing. Daarmee bleef ieder dorp voorlopig over een eigen school beschikken. De keuze bevestigde de sterke plaatselijke gehechtheid aan onderwijs in het eigen dorp. Voor Sijbekarspel betekende het besluit dat een derde lokaal aan de tweeklassige gangschool moest worden toegevoegd. De uitbreiding vroeg om tekeningen, begrotingen, financiering en tijdelijke huisvesting voor de kinderen. De gemeente koos niet voor de goedkoopste oplossing op korte termijn, maar voor behoud van de dorpsschool. De sterke meerderheid liet zien dat dit belang zwaar woog.
Aanbesteding van de uitbreiding
S. Kistemaker en K. Leeuw namen de uitbreiding aan voor 18.220 gulden. Na herberekening werden de kosten vastgesteld op 17.985 gulden en 18 cent. Het Rijk droeg 5.400 gulden bij. Het resterende bedrag kwam voor rekening van de gemeente. De verschillende bedragen moesten zorgvuldig uit elkaar worden gehouden: de oorspronkelijke aanneemsom, de herberekende kosten en de rijksbijdrage waren niet hetzelfde. Het werk omvatte de bouw van een derde lokaal en aanpassingen aan het bestaande gebouw. Materialen waren tijdens de oorlog duur en niet altijd gemakkelijk verkrijgbaar. Toch werd besloten door te zetten. De overvolle klassen maakten uitstel nauwelijks mogelijk. De uitbreiding was een grote investering voor een kleine gemeente.
Tijdelijk les in café Schagen
Tijdens de verbouwing konden de gewone lokalen niet volledig worden gebruikt. De gemeente huurde daarom de kolfbaan van café C. Schagen voor precies tien gulden per week. De caféhouder moest de kachel brandend houden. De gemeente leverde de brandstof. De kolfbaan was normaal een plaats voor sport, ontmoeting en dorpsvermaak. Tijdens de bouw stonden er schoolbanken en werd er gelezen, geschreven en gerekend. Het tijdelijke lokaal rook waarschijnlijk anders dan een schoolgebouw, maar bood voldoende ruimte om de lessen voort te zetten. De oplossing liet zien hoe flexibel dorpsgebouwen werden gebruikt. Een café kon vergaderzaal, veilingplaats, sportgelegenheid en tijdelijk schoollokaal zijn, afhankelijk van wat de gemeenschap nodig had.
Voltooiing in december 1917
In december 1917 kwam het derde lokaal gereed. De leerlingen konden de kolfbaan verlaten en terugkeren naar het uitgebreide schoolgebouw. De ongeveer 84 kinderen konden voortaan beter over de lokalen en leerkrachten worden verdeeld. De uitbreiding was voltooid in een periode van oorlogsschaarste en hoge prijzen. Dat maakte de prestatie extra opvallend. Het schoolgebouw was in 1873 als tweeklassige gangschool ontworpen en groeide nu uit tot een school met drie lokalen. De verbouwing bevestigde dat de openbare school een blijvende plaats in Sijbekarspel leek te hebben. Niemand kon toen voorzien dat de leerlingenaantallen ruim tien jaar later door de opening van een katholieke school opnieuw sterk zouden dalen.
Elektriciteit rond 1917
Rond 1917 werd elektriciteit in de dorpen aangelegd. De komst van elektrisch licht werd als een wonder ervaren. Met een schakelaar kon een lamp gaan branden zonder olie, kaars of petroleum. Toch bleef men zuinig. Elektriciteit kostte geld en lampen hadden vaak een laag vermogen. Wanneer in de koegang een lamp van 25 watt brandde, werd het soms onnodig gevonden elders nog licht aan te doen. Oude petroleumlampen en kaarsen bleven in gebruik. In de werkplaatsen bood elektriciteit nieuwe mogelijkheden. Machines en gereedschappen konden elektrisch worden aangedreven. De verandering voltrok zich langzaam. Niet ieder huis of bedrijf werd direct volledig aangesloten en veel oude gewoonten bleven nog jarenlang bestaan.
De smederij verandert mee
De komst van elektriciteit veranderde het werk in de smederij. Traditioneel werden hoefijzers, kachelpijpen, sloten, landbouwwerktuigen en metalen onderdelen met vuur, hamer en aambeeld gemaakt of hersteld. Steeds meer producten kwamen echter fabrieksmatig beschikbaar. Daarvoor kwamen nieuwe werkzaamheden in de plaats. Elektrische bedrading, lampen en schakelaars moesten worden aangelegd. Apparaten en motoren vroegen onderhoud. De smid werd geleidelijk ook installateur. Paarden bleven nog belangrijk en het traditionele smidswerk verdween niet onmiddellijk. Oud en nieuw bestonden naast elkaar. In dezelfde werkplaats konden een hoefijzer worden gevormd, een fiets worden gerepareerd en een elektrische aansluiting worden voorbereid. Praktische technische kennis bleef de basis van het bedrijf.
Overdracht aan Jan Schimmel
In 1923 werd de smederij van Sijbekarspel overgedragen aan Jan Schimmel. Hij begon als jonge vakman in het bedrijf en stond bekend om nauwkeurig werk. Van personeel werd dezelfde precisie verlangd. Ook werd tijdens avondcursussen in Hoorn vakkennis overgedragen. De ligging tegenover zuivelfabriek Prins Hendrik bleef gunstig. Machines, melkwagens en leidingen konden onderhoud nodig hebben. Het bedrijf hield zich nog bezig met traditioneel smidswerk, maar ontwikkelde zich steeds meer tot installatiebedrijf. De technische veranderingen kwamen rechtstreeks in de werkplaats terecht. Elektriciteit, waterleiding en later benzine en auto’s vroegen om nieuwe kennis en gereedschappen. De smederij werd daardoor een plaats waar verschillende fasen van modernisering samenkwamen.
Een elektrische smederij in Benningbroek
Op 1 januari 1925 opende Wolfert Verhage een nieuw gebouwde elektrische smederij aan Oosterstraat 48 in Benningbroek. De aanduiding elektrisch liet zien dat het bedrijf niet uitsluitend op het traditionele smidsvuur vertrouwde. Elektrische gereedschappen konden worden gebruikt en installaties konden worden aangelegd. Het bedrijf verrichtte werk voor boeren, huishoudens en plaatselijke ondernemingen. Hoefbeslag, kachelwerk, reparaties en metalen onderdelen bleven belangrijk, maar elektrotechniek kreeg een steeds grotere plaats. Later werd de smederij overgenomen door Cees G.Th. Vlaar. Het bedrijf werd vervolgens als installatiebedrijf aan de Tuinstraat voortgezet. De overgang van smederij naar installatiebedrijf maakte duidelijk dat het ambacht niet verdween, maar zich aan nieuwe technieken aanpaste.
Waterleiding ongeveer negen jaar later
Ongeveer negen jaar na de aanleg van elektriciteit volgde de waterleiding. Voor huishoudens betekende dit dat water niet langer uitsluitend uit regenbak, put of sloot hoefde te worden gehaald. Een kraan in huis bespaarde dagelijks zwaar werk. Op boerderijen kwamen drinkbakjes voor koeien. Deze werden met leidingen aangesloten, zodat het vee zelf water kon opnemen. Voor de aanleg waren buizen, kranen, verbindingen en vakkennis nodig. De smid kreeg daardoor veel installatiewerk. Oude woningen en stolpboerderijen moesten worden aangepast zonder dat zij daarvoor waren ontworpen. Waterleiding verbeterde comfort en hygiëne, maar vroeg ook om onderhoud en reparatie. Het werkgebied van de dorpssmid breidde zich opnieuw uit.
Winkel met elektrische artikelen
Bij de smederij van Sijbekarspel kwam een winkel met elektrische en huishoudelijke artikelen. Maartje Schimmel beheerde deze winkel. Lampen, schakelaars, keukengerei en andere producten konden er worden gekocht. Ook werden fietsen verkocht en gerepareerd. De combinatie van werkplaats en winkel paste bij een klein dorp, waar één bedrijf verschillende diensten moest aanbieden om voldoende inkomsten te behouden. De technische vernieuwing was voor inwoners zichtbaar in de etalage. Producten die vroeger niet bestonden, werden onderdeel van het huishouden. De smederij bleef achter de winkel als werkplaats functioneren. Het bedrijf verbond daardoor verkoop, reparatie, installatie en traditioneel vakwerk. De dorpssmid werd steeds meer een algemene technische middenstander.
Benzinepomp en personenauto
Later kwamen bij de smederij een benzinepomp en een auto voor personenvervoer. De auto werd gebruikt bij bruiloften, begrafenissen en andere gelegenheden. Slechts weinig inwoners bezaten zelf een wagen. Een plaatselijke vervoersdienst was daarom belangrijk. De benzinepomp maakte het bedrijf ook tot tankpunt voor het groeiende gemotoriseerde verkeer. De smederij was inmiddels werkplaats, winkel, fietsenzaak, installatiebedrijf, vervoersbedrijf en benzineverkooppunt. Deze veelzijdigheid was noodzakelijk om mee te groeien met de veranderende dorpssamenleving. Paarden bleven nog enige tijd aanwezig, maar de auto begon hun vervoersfunctie over te nemen. Dezelfde onderneming bediende daardoor zowel het oude paardenvervoer als de nieuwe motorvoertuigen.
Opening van de katholieke school
Op 24 april 1928 werd in De Weere een rooms-katholieke school geopend. R. Bruin was bij deze school betrokken. Katholieke ouders konden hun kinderen voortaan onderwijs laten volgen dat aansloot bij hun geloof. De openbare school van Sijbekarspel verloor hierdoor ongeveer de helft van haar leerlingen. De landelijke schoolstrijd werd plaatselijk zichtbaar in lege schoolbanken. Kinderen die eerst samen naar de Westerstraat liepen, namen nu verschillende routes. Het schoolgebouw was in 1917 nog uitgebreid wegens ruimtegebrek. Elf jaar later stonden delen ervan minder vol. De verandering werd niet veroorzaakt door een plotselinge bevolkingsdaling, maar door een nieuwe verdeling van kinderen over openbaar en bijzonder onderwijs.
De openbare school wordt kwetsbaar
Na 1928 werd de bestaanszekerheid van de openbare school steeds kleiner. Minder leerlingen betekenden minder leerkrachten en minder rijksvergoeding. De kosten van gebouw, verwarming en onderhoud bleven echter bestaan. De economische crisis van de jaren dertig maakte gemeentelijke uitgaven extra gevoelig. Landbouwprijzen daalden en gezinnen hadden minder te besteden. De gemeente moest beoordelen of een kleine school nog verantwoord kon worden voortgezet. De drie lokalen die wegens overbevolking waren gebouwd, werden niet langer volledig gebruikt. De school bleef voor het dorp belangrijk, maar landelijke leerlingennormen en financiële regels konden niet eenvoudig worden genegeerd. Sluiting kwam daardoor steeds dichterbij.
Sluiting op 1 augustus 1934
Op 1 augustus 1934 werd de openbare school van Sijbekarspel gesloten. De 48 leerlingen moesten voortaan naar Benningbroek. De onderwijzers werden ontslagen en kregen wachtgeld. De onderwijzerswoning werd verhuurd aan P. van Leijen voor vier gulden per week. Het schoolplein werd stil en de kapstokken bleven leeg. Voor de kinderen betekende de sluiting een langere dagelijkse route. Voor het dorp verdween een voorziening die eeuwenlang bij kerk en dorpsgemeenschap had gehoord. De sluiting was juridisch en financieel te verklaren, maar werd plaatselijk niet als definitief aanvaard. De gemeenteraad bleef zoeken naar een mogelijkheid om opnieuw een openbare school in Sijbekarspel te openen.
Artikel 19 biedt een mogelijkheid
Voor de heropening werd gebruikgemaakt van artikel 19 van de onderwijswetgeving. De gemeente moest aantonen dat voldoende behoefte bestond en dat het gebouw opnieuw geschikt kon worden gemaakt. Het schoolgebouw stond er nog, maar na drie jaar stilstand waren herstel en modernisering noodzakelijk. Aanvankelijk werd 4.000 gulden voor de werkzaamheden beschikbaar gesteld. Later kwam daar nog 1.000 gulden bij. Voor nieuwe leermiddelen werd 880 gulden uitgetrokken. De bedragen moesten worden besteed aan gebouw, verwarming en onderwijsinventaris. De heropening vergde dus een aanzienlijke nieuwe investering. De gemeente koos ervoor die kosten te maken omdat een eigen school als belangrijk voor het dorp werd beschouwd.
Centrale verwarming en tekenborden
Bij de verbouwing kreeg de school centrale verwarming. Daarmee verdwenen de oude afzonderlijke kachels als belangrijkste warmtebron. De lokalen konden gelijkmatiger worden verwarmd en kinderen hoefden niet meer dicht rond één vuur te zitten. Ook werden nieuwe leermiddelen aangeschaft. Daaronder bevonden zich tekenborden. Het gebouw werd niet slechts opgeknapt, maar aangepast aan modernere onderwijsverwachtingen. Na de eerdere uitbreiding van 1917 volgde nu een verbetering van comfort en inrichting. De school moest aantonen dat zij opnieuw volwaardig kon functioneren. Centrale verwarming was voor een dorpsschool in deze periode een belangrijke voorziening. Zij maakte het gebouw aantrekkelijker en gezonder, vooral tijdens koude winters.
Heropening op 4 oktober 1937
Op 4 oktober 1937 werd de school officieel heropend. J. van Essen werd het eerste hoofd van de nieuwe periode. Na drie jaar stilte kwamen kinderen opnieuw over de Westerstraat naar het schoolplein. Jassen hingen weer aan de kapstokken en de lokalen vulden zich met stemmen, boeken en schriften. De heropening was een overwinning voor het gemeentebestuur en de inwoners die zich tegen definitieve sluiting hadden verzet. De situatie was wel veranderd. De katholieke school in De Weere bleef bestaan en de openbare school had een kleiner verzorgingsgebied dan vóór 1928. Toch beschikte Sijbekarspel opnieuw over een eigen school. Het gebouw kreeg daarmee een tweede begin.
Strenge orde in de klas
Het onderwijs in de heropende school kende een duidelijke en strenge orde. Juffrouw De Bruck hoorde bij de leerkrachten die discipline belangrijk vonden. Kinderen moesten stilzitten, opletten en opdrachten nauwkeurig uitvoeren. Correcties en straffen werden volgens de toenmalige opvattingen normaal gevonden. De klassen waren na de heropening kleiner dan vóór 1928. Daardoor konden de leerkrachten de leerlingen beter kennen en volgen. Er werd gelezen, geschreven, gerekend en getekend. De nieuwe tekenborden maakten andere werkvormen mogelijk. De school moest haar bestaansrecht blijven bewijzen. Regelmatig bezoek was daarom belangrijk. Iedere leerling telde mee bij de vraag of de school in de toekomst opnieuw aan de wettelijke normen zou voldoen.
Spelen rond de school
Buiten de lessen werd op en rond het schoolplein gespeeld. Kinderen knikkerden, hinkten, touwtjesprongen, tolden en deden balspelen. Het plein lag midden in een agrarisch dorp. Weilanden, sloten en de rustige dorpsweg waren dichtbij. De bestrating bestond gedeeltelijk uit oude stenen uit de dorpsweg. Generaties kinderen speelden daardoor op materiaal waar eerder paarden en wagens overheen waren gegaan. De school was niet alleen een plaats voor onderwijs, maar ook een dagelijks ontmoetingspunt voor kinderen uit verspreid liggende huizen en boerderijen. In een langgerekt dorp vormde het plein een van de weinige plaatsen waar veel leeftijdgenoten tegelijk samenkwamen.
Samen naar Bergen
In juli 1939 gingen de scholen van Sijbekarspel en Benningbroek gezamenlijk op reis naar Bergen. Ondanks hun afzonderlijke schoolgebouwen werkten de dorpen bij zo’n uitstapje samen. Een schoolreis was bijzonder, omdat veel kinderen zelden ver buiten de directe omgeving kwamen. Vervoer, begeleiding, eten en drinken moesten zorgvuldig worden geregeld. Bergen bood bos, duinen en een landschap dat sterk afweek van het open West-Friese land. Het reisje vond plaats kort voordat in Europa een nieuwe oorlog uitbrak. Op dat moment was het vooral een feestelijke dag buiten de school. Achteraf werd de zomer van 1939 de laatste vredeszomer voordat mobilisatie, schaarste en bezetting het dagelijkse leven opnieuw zouden veranderen.
Aan de vooravond van een nieuwe oorlog
Aan het einde van de jaren dertig bestonden oude en nieuwe werkwijzen naast elkaar. Melk ging naar zuivelfabriek Prins Hendrik, maar op boerderijen werd nog veel met de hand gewerkt. Elektriciteit en waterleiding waren aanwezig, terwijl woningen nog koud en tochtig konden zijn. De smid werkte als installateur en fietsenhandelaar, maar besloeg nog paarden. Auto’s en een benzinepomp verschenen, terwijl veel vervoer per fiets, paard of te voet plaatsvond. Kinderen gingen naar een openbare of katholieke school. De dorpen waren moderner geworden zonder hun agrarische karakter te verliezen. In september 1939 begon in Europa opnieuw oorlog. Nederland bleef aanvankelijk buiten de strijd, maar de gevolgen zouden spoedig ook Sijbekarspel en Benningbroek bereiken.
De oude hooitijd in Sijbekarspel
De hooitijd vormde vroeger een van de belangrijkste en drukste perioden van het boerenjaar in Sijbekarspel. Vanaf eind mei tot soms diep in augustus waren boeren, knechten en gezinsleden bezig met het maaien, drogen, keren, verzamelen en binnenhalen van het gras. Het hooi was onmisbaar als wintervoer voor het vee. In de zomer konden de koeien buiten grazen, maar voor de lange wintermaanden moest een grote voorraad worden aangelegd. Wanneer de hooioogst mislukte, kon dat ernstige gevolgen hebben. Er moest dan duur voer worden gekocht, vee worden verkocht of zuiniger worden gevoerd. Het hele boerenbedrijf leefde daarom gedurende de zomer toe naar het moment waarop het hooi droog en veilig in de berg lag.
Maaien en drogen
Het werk begon met het maaien van het gras. Oorspronkelijk gebeurde dat met de zeis. De maaier liep in een vast ritme over het land en sneed het gras met brede halen vlak boven de grond af. Het was zwaar werk, dat veel oefening en uithoudingsvermogen vergde. De zeis moest regelmatig worden gescherpt om goed door het gras te blijven snijden.
Later kwam de door een paard getrokken maaimachine in gebruik. Daarmee kon sneller worden gewerkt, maar ook dan bleef veel handarbeid nodig. Na het maaien lag het gras verspreid over het land. Het moest regelmatig worden gekeerd, zodat zon en wind alle zijden konden bereiken en het vocht uit het gras kon verdwijnen.
Alles hing af van het weer. Een paar droge, warme en winderige dagen konden het werk sterk vooruithelpen. Langdurige regen kon daarentegen grote schade veroorzaken. Het gras bleef dan nat, verkleurde en verloor een deel van zijn voedingswaarde. Bij aanhoudend slecht weer kon het zelfs gaan rotten. Boeren hielden daarom voortdurend de lucht in de gaten en probeerden iedere droge periode zo goed mogelijk te benutten.
Wanneer het gras voldoende was gedroogd, werd het tot wieren bij elkaar gebracht. Hiervoor gebruikte men een ongeveer twee meter breed houten raam, voorzien van twee bomen en voortgetrokken door een paard. Daarmee werd het losse hooi over het land geschoven en in lange rijen verzameld.
Hooiroken en zweelvorken
Vanuit de wieren werd het hooi op hooiroken gezet. Dit gebeurde met een zweelvork. Een zweelvork was een vork met twee lange tanden waartussen ongeveer dertig centimeter ruimte zat. Met deze vork werd het hooi opgetild en tot compacte hopen samengebracht.
De hooiroken bleven soms enkele weken op het land staan. In deze hopen kon het hooi verder drogen voordat het naar de boerderij werd gebracht. Dat was noodzakelijk, omdat te vochtig hooi gevaarlijk was. Wanneer onvoldoende gedroogd hooi dicht op elkaar in de hooiberg werd opgeslagen, kon broei ontstaan.
Door natuurlijke processen liep de temperatuur in het hooi dan steeds verder op. In het ergste geval kon het hooi vanzelf ontbranden en brand veroorzaken. Een hooiberg die in brand vloog, vormde een groot gevaar voor de hele boerderij. De boer moest daarom goed beoordelen wanneer het hooi droog genoeg was om veilig te worden binnengehaald.
Daarmee ontstond telkens een moeilijke afweging. Wie het hooi te vroeg binnenbracht, riskeerde broei. Wie te lang wachtte, liep het gevaar dat een regenbui de oogst opnieuw nat maakte. Er bestonden nog geen betrouwbare weersverwachtingen. Ervaring, kennis van de lucht en gevoel voor wind en vochtigheid waren daarom van groot belang.
De hoge houten hooiwagens
Voor 1940 werd het hooi vaak vervoerd op hoge houten wagens met grote houten wielen. De wagens hadden een draaischamel en een dissel en werden door paarden getrokken. Met hooivorken werd het hooi laag voor laag op de wagen gestapeld.
Het laden moest zorgvuldig gebeuren. De vracht werd steeds hoger en breder, maar moest onderweg wel in evenwicht blijven. Een slecht geladen hooiwagen kon op een dam, in een scherpe bocht of op een ongelijke weg omvallen. De voerman moest daarom goed opletten hoe het gewicht over de wagen werd verdeeld.
Na afloop van de hooitijd werd zo’n wagen uit elkaar gehaald. De losse onderdelen werden op de hooizolder opgeborgen. In het volgende voorjaar of aan het begin van de zomer werd de wagen opnieuw gemonteerd en voor het hooiseizoen gereedgemaakt.
De wagens werden vrijwel uitsluitend voor het vervoer van hooi gebruikt. Toch kwam het ook voor dat mensen tijdens de hooitijd met zo’n wagen bij familie of bekenden op bezoek gingen. Gedurende de zomermaanden bepaalden het weer en het hooi immers het ritme van het dorpsleven. Familiebezoek en andere bezigheden moesten worden aangepast aan het werk op het land.
Het hooiseizoen duurde globaal van eind mei tot half augustus. In die periode werden andere werkzaamheden vaak uitgesteld zodra het hooi droog genoeg was om binnen te halen. Wanneer er regen dreigde, werd tot laat in de avond doorgewerkt. Iedereen die kon helpen, werd ingezet.
Bemesting van het grasland
De opbrengst van het grasland was kleiner dan tegenwoordig. Er werd minder kunstmest gebruikt en het gras groeide minder snel. De bemesting bestond vooral uit dierlijke mest van het eigen vee.
Gier werd met een gierkar over het land verspreid. De vloeibare mest werd in een tank of houten vat vervoerd en over het perceel uitgereden. Vaste mest werd vanaf de mestplaat naar het land gebracht. Daar werd zij eerst in hopen neergelegd.
Vervolgens werd de mest met een mestgreep over het land uitgeworpen. Ook dit was zwaar handwerk. De mest moest zo gelijkmatig mogelijk worden verspreid, zodat het gras overal voldoende voedingsstoffen kreeg. De kwaliteit van het grasland en de hoeveelheid hooi waren daardoor rechtstreeks verbonden met de hoeveelheid vee, de beschikbare mest en het werk dat gedurende het jaar aan de grond werd besteed.
De hooibeun
Voor het ophalen van hooiroken gebruikte men ook een driewielige kar met een hooibeun. Deze houten beun was ongeveer vijf meter lang en twee meter breed. Aan de achterkant bevond zich een scharnierende opglijbeun van ongeveer twee meter.
Met deze opglijbeun konden twee of drie hooiroken op de wagen worden getrokken. Het hooi hoefde daardoor niet volledig met vorken vanaf de grond te worden opgetild. Dat maakte het laden iets gemakkelijker, al bleef er veel lichamelijke kracht nodig.
De driewielige kar was geschikt voor gebruik op het land. Toch waren de houten wielen zwaar en reden zij moeilijk over zachte of natte grond. Ook op de dorpswegen was het vervoer niet altijd eenvoudig. Slechte wegdekken, smalle dammen en sloten maakten iedere rit naar de boerderij tot nauwkeurig werk.
Hooiruiters
In latere jaren werd het droge gras steeds vaker op hooiruiters geplaatst. Dit waren houten stellages met drie of vier poten en dwarsliggers. Het hooi werd over deze liggers verdeeld en lag daardoor niet rechtstreeks op de vochtige grond.
De wind kon tussen en onder het hooi door bewegen. Daardoor droogde het beter en was het minder kwetsbaar voor regen. Het hooi kon langer buiten blijven staan zonder dat de onderste lagen voortdurend vocht uit de bodem opnamen.
Hooiruiters boden voordelen, maar brachten ook extra werk met zich mee. De stellages moesten eerst op het land worden geplaatst. Daarna werd het hooi met vorken op de dwarsliggers aangebracht. Voordat het hooi op de wagen kon worden geladen, moesten de ruiters worden omgegooid en het hooi opnieuw worden verzameld.
Vervolgens werd het met hooivorken op een driewielige kar met hooiraam gestapeld. Iedere verandering in de werkwijze verminderde bepaalde risico’s, maar maakte het werk niet onmiddellijk licht. Het hooien bleef een arbeidsintensieve bezigheid waarbij steeds opnieuw moest worden getild, gekeerd, verspreid en verzameld.
Lingen en de takel
Op de hooiwagen lagen lange touwen die lingen werden genoemd. Het hooi werd zorgvuldig in lagen boven op deze lingen gelegd. Wanneer de wagen volledig was geladen en in de dars naast de hooiberg stond, werden de uiteinden van de lingen bij elkaar gebracht.
Met een takel vanuit de nok van de boerderij kon vervolgens een groot gedeelte van de vracht in één keer omhoog worden gehesen. De bundel hooi werd boven de berg gebracht en daar neergelaten. Deze werkwijze maakte het mogelijk om grotere hoeveelheden tegelijk van de wagen naar de opslag te verplaatsen.
Het werk was daarmee nog niet voltooid. Boven in de hooiberg moest het hooi zorgvuldig worden verdeeld. Degene die daar stond, trok de grote plukken uiteen en spreidde het materiaal over de berg. Er mochten geen grote holten of ongelijke hopen ontstaan.
Het was zwaar, warm en stoffig werk. Het losse hooi prikte op de huid en het stof drong in ogen, neus en keel. Naarmate de hooiberg voller werd, kwam degene die het hooi verdeelde steeds dichter onder het dak te staan.
Het werk ging door totdat de wagen leeg was. Daarna werd opnieuw naar het land gereden om een volgende vracht op te halen. Op een goede droge dag konden meerdere wagens achter elkaar worden geladen en gelost. Er werd doorgewerkt zolang het weer gunstig bleef.
Jacobsladder en hooiblazer
De manier van lossen met lingen en een takel bleef in gebruik totdat de Jacobsladder werd ingevoerd. Dit was een mechanisch transportsysteem waarmee het hooi gemakkelijker omhoog en verder de berg in kon worden gebracht.
De Jacobsladder bestond uit een bewegende ketting of band met meenemers die het hooi naar boven voerden. Daardoor hoefden minder grote bundels met de takel te worden gehesen. Het werk werd gelijkmatiger en vergde minder tilkracht.
Later kwam ook de hooiblazer. Deze machine blies het losse hooi door een buis naar de opslag. Het hooi kon daarmee verder de berg in worden gebracht zonder dat iedere pluk met de vork moest worden verplaatst.
Toch bleef er ook bij deze machines handwerk nodig. Het hooi moest worden aangevoerd, verdeeld en gecontroleerd. De machines veranderden vooral de manier waarop het hooi werd verplaatst. Zij maakten het werk sneller en verminderden een deel van de zwaarste lichamelijke belasting.
Wagens met luchtbanden
Een belangrijke verandering was de komst van de vierwielige wagen op luchtbanden. Deze verving geleidelijk de traditionele driewielige kar en de zware houten hooiwagens.
Wagens met luchtbanden reden lichter en schokten minder. Zij konden gemakkelijker over het land en over de weg worden getrokken. Bovendien konden zij een grotere vracht vervoeren en waren zij eenvoudiger te besturen.
Door de mechanisering veranderde het karakter van de hooitijd. Werk dat vroeger door grote groepen mensen met vorken, paarden, lingen en houten wagens werd verricht, kon steeds vaker met machines worden uitgevoerd.
Het weer bleef echter de doorslaggevende factor. Ook met moderne wagens en machines moest het gras voldoende droog zijn voordat het veilig kon worden opgeslagen. Een zware regenbui kon nog steeds dagen extra werk veroorzaken of de kwaliteit van het voer sterk verminderen.
De eerste graskuilen
Vanaf ongeveer 1935 kwam het inkuilen van gras in gebruik. Daarbij hoefde het gras niet meer volledig tot droog hooi te worden verwerkt. Het werd voorgedroogd en daarna op een hoop gereden.
Deze hoop werd met grond afgedekt, zodat er zo weinig mogelijk lucht bij het gras kon komen. Door de afsluiting kon het voer worden geconserveerd. Het gras veranderde in kuilvoer dat gedurende de winter aan het vee kon worden gegeven.
Bij deze vroege kuilen liep na enige tijd vocht uit de hoop. Dit kuilsap verspreidde een sterke en doordringende geur. De eerste kuilen waren niet altijd eenvoudig aan te leggen en de kwaliteit van het voer kon wisselen.
Later experimenteerden boeren met torensilo’s. Daarin werd het voorgedroogde gras luchtdicht opgeslagen. De silo’s en de bijbehorende installaties waren echter duur. Daarom werden zij in Sijbekarspel en omgeving niet algemeen gebruikt.
Geleidelijk ontstonden eenvoudiger vormen van kuilopslag. Het gras werd op een oprijkuil gereden, stevig aangedrukt en afgedekt. Hierdoor kon in veel kortere tijd een bruikbare wintervoorraad worden aangelegd. Het gras hoefde niet langer weken op het land te blijven liggen totdat het volledig tot hooi was gedroogd.
Van maanden naar enkele dagen
Waar de oude hooitijd maanden kon duren, verloopt de moderne voederwinning veel sneller. Het gras wordt met een cyclomaaier gemaaid en direct daarna geschud. De volgende dag wordt het opnieuw gekeerd.
Daarna wordt het gras op wieren gelegd. Een opraapwagen verzamelt het materiaal en brengt het naar de kuil. Een andere mogelijkheid is het persen van het gras in balen.
Daardoor kan het hele proces tegenwoordig soms in twee of drie dagen worden voltooid. Strikt genomen is het eindproduct dan meestal geen traditioneel droog hooi, maar voordroogkuilvoer.
De lange rijen hooiroken, de houten ruiters, de hoge wagens en het handwerk met vorken zijn daardoor vrijwel uit het landschap verdwenen. Ook de paarden, houten wielen, lingen en takels die vroeger bij iedere hooioogst werden gebruikt, zijn grotendeels verdwenen.
Vroeger betekende de hooitijd maanden van onzekerheid, zwaar werk en voortdurende aandacht voor het weer. Het hele boerenbedrijf leefde naar het moment waarop het wintervoer veilig in de berg lag. De veranderingen in machines, vervoer en opslag maakten het werk sneller, veiliger en minder zwaar.
Daarmee verdween echter ook een karakteristiek onderdeel van het vroegere dorpsleven in Sijbekarspel. De hooiroken op het land, de hoog beladen wagens op de dorpsweg en de bedrijvigheid rond de hooiberg hoorden generaties lang bij de zomer. Zij herinneren aan een tijd waarin vrijwel het hele boerenbedrijf afhankelijk was van handwerk, paardenkracht, ervaring en enkele weken gunstig zomerweer.
Sijbekarspel en Benningbroek tussen Franse hervormingen en het vuur van de smid
Aan het einde van de achttiende eeuw stonden Sijbekarspel en Benningbroek nog sterk in hun eigen West-Friese wereld. Het dagelijks leven werd bepaald door de dorpen, de bannen, het bestuur van de Stede Sijbekarspel en het waterschap De Vier Noorder Koggen. Den Haag lag ver weg en werd bijna als buitenland beschouwd. De meeste inwoners voelden zich in de eerste plaats verbonden met West-Friesland binnen de Omringdijk. Toch drongen vanaf 1795 ingrijpende veranderingen ook tot deze kleine plattelandsgemeenschappen door. Nieuwe bestuurders, volkstellingen, belastingen, militaire verplichtingen en een veldwachter brachten de landelijke overheid dichterbij. Tegelijk bleef het gewone werk doorgaan. Op de boerderijen werden koeien verzorgd en paarden aangespannen, terwijl in de smederijen het vuur brandde en het geluid van de hamer op het aambeeld door de dorpen klonk.
Een nieuwe tijd begint
In 1795 trok het Franse leger Nederland binnen. De oude regenten werden opzijgezet en er kwamen verkiezingen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap waren de nieuwe leuzen die uit Frankrijk waren overgewaaid. Ook in Sijbekarspel en Benningbroek was aanvankelijk enthousiasme over de aangekondigde veranderingen. Inwoners konden zich verkiesbaar stellen en kregen het vooruitzicht op meer invloed op het bestuur.
In Amsterdam werd rond de vrijheidsboom gedanst. Of in Sijbekarspel en Benningbroek iets soortgelijks gebeurde, is niet bekend. Waarschijnlijk bleef het er rustiger. Het enthousiasme was bovendien van korte duur. In 1797 bleek de belangstelling voor de verkiezingen vrijwel verdwenen. De beloofde vrijheid bracht namelijk ook nieuwe regels en verplichtingen mee.
De centrale overheid ging zich intensiever met het platteland bemoeien. Tot dan toe leefden de inwoners vooral volgens de plaatselijke rechten en plichten van de Stede Sijbekarspel, de banne Sijbekarspel, de banne Benningbroek en De Vier Noorder Koggen. De invloed van het gewestelijke en landelijke bestuur was betrekkelijk beperkt geweest. Na 1795 veranderde dat langzaam maar zeker. Den Haag wilde weten hoeveel mensen er woonden, hoeveel land zij bezaten, hoeveel dieren op de boerderijen werden gehouden en hoeveel belasting ieder dorp kon opbrengen.
Bataafse Republiek en Franse overheersing
Van 1795 tot 1806 heette Nederland de Bataafse Republiek. Het land was formeel zelfstandig, maar stond sterk onder Franse invloed. In 1806 maakte keizer Napoleon zijn broer Lodewijk Napoleon koning van Holland. Toen Napoleon enkele jaren later vond dat Holland onvoldoende geld en middelen voor zijn oorlogen leverde, hief hij het koninkrijk op. In 1810 werd Holland rechtstreeks bij Frankrijk ingelijfd.
Daardoor maakten Sijbekarspel en Benningbroek van 1810 tot 1813 deel uit van het Franse keizerrijk. In die jaren werden maatregelen ingevoerd die veel later nog altijd herkenbaar zouden zijn. Inwoners moesten vaste achternamen aannemen. Wegen en straten kregen officiële namen en de huizen werden genummerd. Men ging rechts rijden en oude maten en gewichten werden geleidelijk vervangen door meters en kilo’s. Ook de rechtspraak en het bestuur werden naar Frans voorbeeld ingericht.
Voor de bewoners van de dorpen betekende dit dat de staat steeds zichtbaarder werd. Waar men voorheen vooral te maken had met de schout, de gerechtsbode, het dorpsbestuur en het waterschap, kwamen nu nieuwe registers, voorschriften, belastingen en ambten.
De Brits-Russische inval van 1799
De grote Europese oorlogen kwamen in 1799 plotseling dichtbij. Op 27 augustus landden Britse troepen bij Callantsoog. Samen met een Russisch leger wilden zij de Bataafse oorlogsvloot uitschakelen, Amsterdam innemen en een opstand veroorzaken waardoor de prins van Oranje weer als stadhouder kon terugkeren.
Aanvankelijk verliep de inval voorspoedig. De Bataafse vloot viel in Britse handen en de geallieerden namen Alkmaar in. De Britse generaal Abercromby bezette Hoorn, waardoor ook West-Friesland tijdelijk onder de invloed van de invallers kwam te staan. In Hoorn verschenen Oranjevlaggen en leek de oude orde even terug te keren.
Bij Bergen leden de Britten en Russen op 19 september echter een nederlaag tegen het Frans-Bataafse leger. Begin oktober verloren zij ook de slag bij Castricum. Daarna mochten zij zich terugtrekken en bij Den Helder inschepen. Op 19 november 1799 hadden de laatste Britse en Russische troepen Noord-Holland verlaten. De Oranjevlaggen in Hoorn moesten weer worden weggehaald.
De invasie kostte veel mensenlevens, maar bereikte niets. De geallieerden hadden gehoopt dat het Bataafse leger zou overlopen en dat de bevolking massaal de terugkeer van de oude regentenorde zou steunen. Dat gebeurde niet.
Opvallend is dat in de raadsnotulen van Sijbekarspel en Benningbroek met geen woord over deze inval wordt gesproken. Er lijkt geen rechtstreeks financieel beroep op de gemeente te zijn gedaan. Mogelijk wilde het plaatselijke bestuur uit voorzichtigheid geen partij kiezen. Hoe de inwoners over de Britten, Russen, Fransen en Oranjegezinden dachten, is niet vastgelegd.
De afgenomen belangstelling voor verkiezingen kan erop wijzen dat veel inwoners weinig enthousiasme meer voelden voor de Bataafse veranderingen. Dat betekent echter niet automatisch dat zij verlangden naar de oude regenten. In de dorpen ging de wereldgeschiedenis grotendeels stilzwijgend voorbij.
De prijs van de vrijheid
De nieuwe vrijheid bleek kostbaar. De Bataafse Republiek moest na 1795 zogenaamde bevrijdingskosten aan Frankrijk betalen. Daarna volgden steeds nieuwe bijdragen om de oorlogen van Napoleon mogelijk te maken. Geld, paarden, uitrusting en uiteindelijk ook manschappen werden gevraagd.
Om belastingen te kunnen innen en soldaten te kunnen rekruteren, moest de overheid precies weten hoeveel mensen er woonden en hoeveel bezit zij hadden. Daarom werd in 1807 op bevel van koning Lodewijk Napoleon in iedere gemeente een volkstelling gehouden.
Voor Sijbekarspel kwam de gemeenteraad tot een bevolking van 303 zielen. Daarvan waren vijf armen afhankelijk van de Heilige Geest, het katholieke armenbestuur dat zijn oorsprong in de middeleeuwen had. De Heilige Geest werd in de katholieke traditie als vader van de armen beschouwd.
Daarnaast gaf de gereformeerde diaconie ondersteuning aan twintig armen en drie onvermogende huishoudens. De vijf katholieke armen konden door ouderdom of jeugd niet werken. Hun onderhoud kostte gemiddeld vijfhonderd gulden per jaar, ongeveer honderd gulden per persoon. Deze kosten kwamen uiteindelijk voor rekening van de plaatselijke gemeenschap.
Benningbroek telde volgens de eerste opgave 270 inwoners. Acht armen ontvingen ondersteuning van de Heilige Geest. De gereformeerde diaconie hielp bovendien twee onvermogende gezinnen binnen de kerkelijke combinatie met Nibbixwoud. Ook het rooms-katholieke kerkgenootschap droeg bij aan het onderhoud van een gemeenschappelijk huishouden.
In verhouding tot het aantal inwoners lag het aantal armen in beide dorpen rond de acht procent. Armoede was dus geen uitzonderlijk verschijnsel, maar maakte zichtbaar deel uit van het dorpsleven.
Benningbroek in cijfers
Van Benningbroek bleef een uitgebreidere telling bewaard. Daarin werden 58 gezinshoofden of zelfstandig wonende personen vermeld, dertien ongehuwden, 45 gehuwden, 128 kinderen en 36 dienst- en werkboden.
Het dorp bezat 478 runderen, 56 paarden en 915 schapen. Verder werd nauwkeurig opgeschreven hoeveel weiland en bouwland in eigendom of huur werd gebruikt. In eigendom waren 543 morgen en 599 roeden weiland en 87 morgen en 289 roeden bouwland. Daarnaast werd 709 morgen en 497 roeden weiland en 35 morgen en 429 roeden bouwland gehuurd.
De som van de gronden in eigendom kwam ongeveer overeen met de totale oppervlakte van Benningbroek. Dat betekent dat een groot gedeelte van de gehuurde grond buiten het dorp moet hebben gelegen. Veel boeren gebruikten dus land in omliggende bannen of gemeenten.
Ongeveer veertien procent van de grond bestond uit bouwland. Uit de verpondingen, de registers van de onroerendgoedbelasting, blijkt dat bij vrijwel iedere boerderij een of meer akkers hoorden. Zo’n akker was vaak niet groter dan driehonderd roeden, ongeveer een halve morgen. Boomgaarden werden in de telling niet afzonderlijk genoemd.
Benningbroek telde 54 huizen. Dat aantal was sinds de belastingherziening van 1733 vrijwel gelijk gebleven. Waarschijnlijk woonden er gemiddeld ongeveer vijf mensen in één woning. Uit het Stukboek blijkt dat er in 1807 32 boerderijen waren.
Een gemiddeld boerenbedrijf bezat ongeveer vijftien runderen. Daarnaast hield men ongeveer twee schapen per rund. Vrijwel iedere boer beschikte over minstens één paard. Het aantal varkens werd niet geteld, hoewel iedere boer vermoedelijk een of meer varkens voor eigen gebruik of verkoop mestte.
Op een boerderij waren gewoonlijk een knecht en een dienstmeid nodig. Toch werden in heel Benningbroek slechts 36 knechten en meiden geteld. Waarschijnlijk werden veel werkzaamheden daarom door de eigen zoons en dochters verricht.
Een veldwachter voor de dorpen
In 1812 werd bepaald dat iedere plattelandsgemeente een veldwachter moest aanstellen. Tot dan toe werd de veiligheid vooral bewaakt door de schout, bijgestaan door de gerechtsbode. De nieuwe veldwachter werd verantwoordelijk voor de orde en rust in de gehele gemeente.
Aan de functie waren drie eisen verbonden. De kandidaat moest minstens 25 jaar oud zijn, van onberispelijk gedrag zijn en enigszins kunnen lezen en schrijven.
Op 28 februari 1812 kwam de gemeenteraad bijeen om de benoeming te regelen. Jan Bakker, die tot dan toe gerechtsbode was, werd als veldwachter voorgedragen. Hij was 55 jaar oud en gold voor die tijd al als een oudere man. Zijn salaris werd vastgesteld op 147 franc per jaar.
Met deze benoeming veranderde een beperkte, gedeeltelijke taak in een volledige betrekking. Dat bracht hogere kosten met zich mee. Om het salaris te betalen werd besloten de belasting op de landerijen met één procent te verhogen. Sinds 1733 waren deze heffingen vrijwel onveranderd gebleven. De verhoging betekende daarom een duidelijke breuk met het verleden. Toch lijkt er geen protest van landeigenaren te zijn geweest.
Het is niet bekend of Jan Bakker werkelijk het donkergroene uniform droeg dat voor veldwachters als model gold. De gemeenteraad stelde in ieder geval geen afzonderlijk kleedgeld beschikbaar.
Zes jagers te paard
Ook in 1813 drukten de Napoleontische oorlogen zwaar op de dorpen. Hoewel in Sijbekarspel en Benningbroek geen directe veldslag plaatsvond, moesten de inwoners wel bijdragen aan de uitrusting van het leger.
In februari 1813 ontving de gemeente vanuit het arrondissement Hoorn, kanton Medemblik, een schrijven waarin werd verlangd dat 275 franc werd opgebracht. Dat geld was bestemd voor de volledige uitrusting van zes jagers of cavaleristen. Paarden, kleding, bewapening en overige benodigdheden moesten daarvan worden betaald.
Voor een kleine plattelandsgemeente was 275 franc een groot bedrag. Daarom werd besloten de lasten naar draagkracht over de bevolking te verdelen. Vijf inwoners, onder wie de burgemeester, betaalden zeven franc. Vijf anderen betaalden zes franc. Dertien personen droegen vijf franc bij, vijftien personen vier franc, vijftien personen drie franc, negen personen twee franc en 23 personen één franc. Ook de veldwachter behoorde tot deze laatste groep.
In totaal betaalden 75 inwoners. Iedereen ondertekende persoonlijk met voor- en achternaam voor de contante betaling. Niet alle inwoners werden aangeslagen; vermoedelijk bleven armen, kinderen, inwonende knechten en anderen zonder voldoende vermogen buiten de heffing.
Toen Napoleon in 1814 naar het eiland Elba was verbannen, waren de financiële verplichtingen nog niet voorbij. Op 26 januari moesten de inwoners opnieuw naar het gemeentehuis komen. Ditmaal ging het geld naar de uitrusting van het Nederlandse leger. Er moest 464 franc en tien centimes worden opgebracht.
De Franse tijd was voorbij, maar de lasten van oorlog, bestuur en leger bleven bestaan.
De onmisbare dorpssmid
Terwijl regeringen wisselden en de inwoners steeds opnieuw belasting moesten betalen, ging het dagelijkse werk in Sijbekarspel en Benningbroek verder. Een van de belangrijkste ambachtslieden in beide dorpen was de smid.
Een smid gold als iemand die bijna alles kon maken. Boeren, tuinders en andere ambachtslieden brachten hun gereedschappen naar hem toe. Hij maakte nieuwe onderdelen, herstelde gebroken werktuigen en repareerde alles wat van ijzer of metaal was.
Veel smeden verkochten en repareerden ook fietsen. In de zomer werden kachels soms bij de smid opgeslagen. Hij maakte ze schoon, herstelde beschadigingen en voorzag ze zo nodig van nieuwe kachelpijpen. In het najaar gingen de kachels terug naar de klanten. In de winter konden inwoners hun schaatsen bij hem laten slijpen.
De smederij was daardoor veel meer dan een werkplaats voor paardenhoeven. Het was een centrale plaats in het dorp waar reparatie, handel, techniek en vakkennis samenkwamen.
Het paard in de travalje
Het werk van hoefsmid was een vak apart. Een paard werd voor het beslaan in een travalje geplaatst, een stevige constructie waarin het dier veilig kon worden vastgezet. Het hoefijzer moest nauwkeurig op de hoef worden aangepast. Wanneer dat verkeerd gebeurde, kon een paard kreupel gaan lopen.
Het ijzer werd eerst in het open smidsvuur gelegd tot het roodgloeiend was. Daarna bracht de smid het op het aambeeld met zware hamerslagen in de juiste vorm. Iedere hoef was anders. De kleine hoeven van een pony verschilden sterk van de enorme hoeven van een zwaar Belgisch trekpaard, in de streek vaak een “Bels” genoemd.
Het smeden en aanbrengen van hoefijzers was zwaar, heet en nauwkeurig werk. Soms moest een lastig of angstig paard worden behandeld. De smid moest dan niet alleen sterk zijn, maar ook rustig blijven en het gedrag van het dier begrijpen.
Zolang de boeren met paarden werkten, was dit ambacht onmisbaar. Met de komst van tractoren verdwenen steeds meer werkpaarden van de boerderijen. Toch bleef hoefbeslag nodig, vooral toen later het aantal rijpaarden en maneges toenam.
Drie smederijen
In de voormalige gemeente Sijbekarspel waren in de twintigste eeuw drie bekende grof- en hoefsmederijen.
In Benningbroek opende Wolfert Verhage op 1 januari 1925 een nieuw gebouwde elektrische smederij aan de Oosterstraat 48. De toevoeging “elektrisch” liet zien dat ook het oude ambacht met zijn tijd meeging. Na Verhage werd de smederij overgenomen door Cees G.Th. Vlaar, die later zijn installatiebedrijf aan de Tuinstraat in Benningbroek voortzette.
Een tweede smederij stond in de Molenbuurt. Daar was al in de achttiende eeuw een smid gevestigd. Op 25 februari 1759 kocht hoefsmid Hendrik Besseling van Paulus Smit een huis en erf bij de korenmolen. Bij de koop hoorden de smederij en de bijbehorende gereedschappen.
Deze vermelding toont aan hoe oud het smidsambacht in Benningbroek was. De smederij diende generaties lang boeren en andere bewoners uit de omgeving.
De laatste bekende smid op deze plaats was Cees A. Conijn. Hij vervaardigde onder andere landbouwwagens die de oudere driewieldekar opvolgden. Iedere wagen kreeg een eigen plaatje van de maker. Daarnaast had Conijn een handel in oud ijzer en gebruikte materialen.
Later kocht de gemeente de oude smederij. Het gebouw werd gesloopt en de vervuilde grond werd gesaneerd. Op de vrijgekomen plaats kwam een nieuw dubbel woonhuis. Daarmee verdween een werkplaats die eeuwenlang deel van de Molenbuurt was geweest.
De smederij van Sijbekarspel
De derde smederij stond in Sijbekarspel. Aanvankelijk was zij gevestigd aan de Westerstraat 94, destijds Dorpsstraat S 101. Later werd het bedrijf verplaatst naar Westerstraat 76, toen genummerd als S 88.
Omstreeks 1853 werkte Klaas Spoelder daar als smid. Hij was geboren in 1830 en overleed op 16 maart 1872, slechts 42 jaar oud. Zijn weduwe Bregje Stelling, eveneens geboren in 1830, vertrok daarna naar Midwoud. Zij overleed in 1876.
Na Spoelders overlijden kwam Herman Smit met zijn gezin vanuit Hoogwoud naar Sijbekarspel. Hij zette het smidsbedrijf voort, maar bleef niet lang. In 1876 vertrok hij naar Katwijk-Binnen.
Zijn opvolger was Christiaan Orsterhoorn, geboren in 1851 in de Beemster. Hij was getrouwd met Guurtje Timmer, die in 1855 in Wijde Wormer was geboren. Ook Christiaan werd niet oud. Hij overleed op 21 januari 1881, op dertigjarige leeftijd.
Guurtje bleef achter met hun vierjarige zoontje Cornelis. Het bekende beeld van de smid als sterke man die een hoge leeftijd bereikte, ging voor Klaas Spoelder en Christiaan Orsterhoorn dus niet op.
Frans Korver
Guurtje Timmer hertrouwde op 27 juni 1882 met Frans Korver, geboren in 1846. Waarschijnlijk werkte hij al als smidsknecht in het bedrijf. Samen kregen zij nog een zoon, die op zesjarige leeftijd overleed.
Frans Korver hield de smederij veel langer gaande dan zijn voorgangers. Hij was niet alleen smid, maar ook bekend als strijkgeldophaler bij openbare verkopingen. Bij zo’n verkoop kon een bieder door telkens iets hoger te bieden strijkgeld verdienen. Soms bleef Korver echter zelf aan het hoogste bod hangen. Dan werd hij onverwacht eigenaar van een boerderij of een stuk land.
In zo’n geval verhuurde hij het gekochte bezit tot zich een gunstig moment voordeed om het weer te verkopen. In het dorp werd gezegd dat aan zulke “stroppen” soms het meest werd verdiend.
In maart 1906 bood Frans Korver zijn grofsmederij te koop aan in De Nieuwe Courant. Eind 1907 en begin 1908 verschenen opnieuw advertenties. Bij de laatste aanbieding werd tevens gevraagd om een smidsknecht die onmiddellijk in dienst kon treden.
Het lukte Korver blijkbaar niet de zaak zelf te verkopen. Daarom organiseerden de notarissen Sannes en Ten Zeldam op 9 maart 1908 een openbare verkoop wegens de slechte gezondheid van de eigenaar. De smederij werd opgehouden op een bedrag van 6.050 gulden. Dat betekende dat het hoogste bod niet voldoende werd gevonden.
Eind 1908 kwam er toch een koper. Frans Korver maakte bekend dat hij de smederij per 1 januari 1909 overdroeg aan Cor Bakker Dz. Korver bleef nog jarenlang in de omgeving wonen. Op 13 mei 1931 hield hij boelhuis en vertrok met Guurtje naar Alkmaar. Frans overleed daar op 15 juni 1932. Guurtje stierf op 29 september 1935.
Cor Bakker bouwt opnieuw
Cor Bakker was op 24 augustus 1884 geboren in Zaandijk. Hij kwam met zijn vrouw Wilhelmina Kooiman en hun vier kinderen naar Sijbekarspel.
In oktober 1910 schreef hij een brief aan burgemeester en wethouders. Hij vroeg toestemming om op perceel A555 een grof-, kachel- en hoefsmederij te bouwen en in werking te brengen. Ook wilde hij naast de nieuwe smederij een houten schuurtje plaatsen.
De vergunning werd verleend. De nieuwe smederij kwam tegenover de zuivelfabriek Prins Hendrik te staan. Mogelijk verwachtte Bakker dat de fabriek extra werk zou opleveren. Een zuivelfabriek had immers machines, leidingen, wagens en andere installaties die regelmatig onderhoud nodig hadden.
Na ruim veertien jaar maakte Cor Bakker op 15 augustus 1923 bekend dat hij zijn bedrijf overdroeg aan J. Schimmel. Zelf vertrok hij met zijn gezin naar Andijk.
Jan Schimmel en de nieuwe techniek
Jan Schimmel, geboren in 1899, trouwde met Maartje Langereis, geboren in 1901. Het jonge echtpaar begon samen in de smederij.
Schimmel stond bekend om zijn grote precisie. Hij verlangde van zijn personeel dezelfde nauwkeurigheid als van zichzelf. Daardoor gold hij niet altijd als een gemakkelijke werkgever, maar wel als een uitstekend vakman. Hij probeerde zijn kennis ook aan anderen over te dragen en gaf avondcursussen in Hoorn.
In deze periode veranderde het smidsbedrijf sterk. Veel handgemaakt smeedwerk werd voortaan in fabrieken vervaardigd. Gereedschappen, onderdelen en gebruiksvoorwerpen hoefden daardoor niet meer volledig door de plaatselijke smid te worden gemaakt. Er kwam echter veel nieuw werk voor in de plaats.
Omstreeks 1917 werd in de omgeving elektriciteit aangelegd. Ongeveer negen jaar later volgde de waterleiding. Boeren wilden drinkbakken voor hun koeien en in woningen werd water uit de kraan een belangrijke verbetering. Leidingen, kranen en installaties moesten worden aangelegd en onderhouden. De smid werd daardoor steeds meer installateur.
Bij het bedrijf kwam een winkel voor elektrische en huishoudelijke artikelen. Ook werden fietsen verkocht en gerepareerd. Deze winkel werd vooral het werkterrein van Maartje Schimmel.
Later kwam er een benzinepomp. Ook schafte het bedrijf een auto voor personenvervoer aan. Die werd onder andere gebruikt bij trouw- en rouwgelegenheden. In een tijd waarin weinig inwoners zelf een auto bezaten, vervulde de smederij dus ook een vervoersfunctie.
Jan Schimmel leidde het bedrijf tot maart 1966. In die maand overleed hij plotseling. Zijn vrouw liet daarna aan de overkant een bungalow bouwen op het terrein waar vroeger zuivelfabriek Prins Hendrik had gestaan. Dat terrein had lange tijd braak gelegen.
Simon Koning en Riet Nijman
Na het overlijden van Jan Schimmel ging de smederij over op Simon J. Koning, geboren in 1936, en Riet Nijman, geboren in 1932.
Simon verrichtte nog traditioneel smidswerk, deed reparaties en voorzag af en toe nog een paard van hoefijzers. Toch lag het zwaartepunt van het bedrijf inmiddels bij installatiewerk. Na elektriciteit en waterleiding deed nu ook het aardgas zijn intrede.
In woningen moesten gasleidingen worden aangelegd. Kachels, fornuizen en andere apparaten werden aangesloten en gecontroleerd. Voor de voormalige dorpssmid ontstond daardoor opnieuw een groot nieuw werkterrein.
De winkel van Riet werd uitgebreid. Naast huishoudelijke artikelen verkocht zij speelgoed, snoepgoed en allerlei andere producten. Jarenlang kwamen Sinterklaas en Zwarte Piet bij de winkel op bezoek. Veel kinderen uit Sijbekarspel en Benningbroek beleefden daar plezierige herinneringen aan.
Tot eind 1992 kon bij Simon Koning benzine worden getankt. Door strengere milieuregels werd de pomp daarna gesloten. De oude benzine-installatie liet echter sporen in de bodem na. In 1997 moest het terrein worden gesaneerd.
Simon Koning overleed in 1996 na een ernstige ziekte. Riet vertrok later naar Heiloo. De smederij werd vervolgens overgenomen door hun neef Franck Peper. Hij ging er wonen, maar dreef er geen bedrijf meer.
Daarmee eindigde het smidswerk op deze plaats. Toch verdween de technische traditie niet helemaal uit Sijbekarspel. Aan de Westerstraat 39 kon men later terecht bij Totaalproject Evert Oudt BV. De naam en de werkzaamheden waren veranderd, maar het bedrijf stond nog altijd in de lange plaatselijke traditie van metaalbewerking, reparatie en installatie.
Van plaatselijke vrijheid naar een moderne samenleving
De Franse tijd en de geschiedenis van de smederijen lijken twee afzonderlijke onderwerpen. Toch vertellen zij samen hoe Sijbekarspel en Benningbroek veranderden.
Vanaf 1795 kreeg de landelijke overheid steeds meer invloed op het dorpsleven. Inwoners werden geteld, huizen genummerd en landerijen belast. De gemeente kreeg een veldwachter en moest bijdragen aan de uitrusting van militairen. Oude maten, rechten en plaatselijke gewoonten maakten geleidelijk plaats voor landelijke regels.
In de smederijen vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. De smid die hoefijzers smeedde, kachels herstelde en landbouwwagens bouwde, werd later fietsenmaker, installateur, winkelier, benzineverkoper en vervoerder. Elektriciteit, waterleiding, tractoren, auto’s, aardgas en milieuwetten veranderden zijn werk telkens opnieuw.
De kern bleef echter hetzelfde. De inwoners van beide dorpen moesten zich voortdurend aanpassen aan veranderingen die van buiten kwamen. Zij deden dat niet door hun verleden volledig los te laten, maar door nieuwe technieken en regels in hun bestaande gemeenschap op te nemen.
Zo horen de volkstelling van 1807, de veldwachter van 1812, het roodgloeiende hoefijzer op het aambeeld, de waterleiding, de benzinepomp en de aanleg van het aardgas allemaal bij één lange ontwikkeling. Samen vertellen zij hoe Sijbekarspel en Benningbroek veranderden van betrekkelijk zelfstandige West-Friese plattelandsgemeenschappen in moderne dorpen die steeds sterker met de wereld daarbuiten verbonden raakten.
Het Fortuin en wat daarna kwam
In het begin van de negentiende eeuw stond in Sijbekarspel de herberg Het Fortuin. Klaas Boots, winkelier en kastelein, woonde er vanaf ongeveer 1817 met zijn vrouw Grietje Eeken en hun grote gezin. De herberg was tegelijk winkel, tapperij en ontmoetingsplaats. Het gezin werd zwaar getroffen door sterfgevallen. Klaas maakte op 31 juli 1840 een einde aan zijn leven. Grietje overleed in december 1843, kort nadat ook hun zoon Willem was gestorven. Van de elf kinderen waren nog vier in leven. Omdat drie zoons minderjarig waren, werden voogden aangesteld. Op 30 januari 1844 werd Het Fortuin openbaar verkocht. Het huis, erf, de winkelinrichting, drankstelling en kolfbaan kwamen voor 1.571 gulden in handen van landman Cornelis Winkel uit Sijbekarspel.
Na de verkoop verdween Het Fortuin uiteindelijk uit het dorpsbeeld, maar de herbergfunctie bleef bestaan. Aan de overzijde van de weg kocht schilder Klaas Smit in 1850 een stuk grond. Daar bouwde hij een woonhuis met herberg en timmermansbedrijf. Het café kreeg de naam De Vriendschap. In 1866 verkocht Smit het geheel voor vierduizend gulden aan timmerman Martinus Hendrik Visse. Enkele jaren later ruilde Visse het bedrijf met Cornelis Lodder uit Benningbroek. De herberg heette inmiddels Nooit Gedacht. Lodder combineerde het café met een timmermanszaak. Het complex omvatte een kolfbaan, een doorrijstal en een werkplaats. Daardoor konden bezoekers niet alleen drinken en vergaderen, maar ook hun paarden, wagens en rijtuigen daar veilig en droog onderbrengen tijdens hun verblijf.
In december 1888 werd Nooit Gedacht opnieuw openbaar verkocht. Veekoopman Klaas Jongert uit Benningbroek betaalde 3.955 gulden voor de herberg, woning, kolfbaan, doorrijstal, timmermansbedrijf en grond. Met ingang van 1 mei 1889 kreeg hij een tapvergunning. Later veranderde de naam in Het Wapen van Sijbekarspel. Onder die naam bleef het café tot 1986 een belangrijk middelpunt van het dorp. Hier kwamen inwoners bijeen voor drank, spel, vergaderingen, toneel en dorpsnieuws. De namen veranderden van Het Fortuin naar De Vriendschap, Nooit Gedacht en Het Wapen van Sijbekarspel, maar de sociale functie bleef grotendeels dezelfde. Nadat de traditionele cafés verdwenen, nam dorpshuis De Vang een belangrijk deel van die oude ontmoetingsfunctie voor beide dorpen over.
Bakkerijen in onze dorpen in de achttiende en negentiende eeuw
In de achttiende en negentiende eeuw was brood onmisbaar, maar bakkers mochten niet zelf bepalen hoeveel zij voor hun producten vroegen. De overheid stelde broodzettingen vast, waarin prijs en gewicht per broodsoort werden voorgeschreven. In 1771 werd voor Sijbekarspel en Benningbroek bepaald hoeveel wittebrood, tarwebrood en roggebrood moesten wegen. Fijn witbrood was een luxeproduct, terwijl gewone gezinnen vooral roggebrood en ongebuild tarwebrood aten. Het deeg rees met zuurdesem, omdat moderne bakkersgist nog niet bestond. De bakker bewaarde telkens een deel van oud deeg om een nieuwe bereiding te laten gisten. Roggedeeg was zwaar en werd soms met de voeten in een trog gekneed. Daarna gaarde het brood langdurig in een oven die met turf en takkenbossen werd gestookt.
De dorpsbakkers waren afhankelijk van graan dat vaak uit het Oostzeegebied kwam. Strenge winters, ijs, storm en oorlog konden de aanvoer stilleggen. Wanneer havens als Danzig dichtvroren, dreigde ook in West-Friesland gebrek aan meel en brood. In de langgerekte dorpen brachten bakkers hun producten meestal zelf rond. Met een broodmand op de rug liepen zij langs huizen en boerderijen, omdat de wegen voor een handkar vaak te slecht waren. De overheid hield toezicht op kwaliteit en belastingbetaling. In 1805 moesten bakkers, molenaars, grutters en tappers een eed afleggen. Zij beloofden geen belasting te ontduiken en alleen zuiver brood en beschuit te leveren. Ook mochten zij geen bedorven graan gebruiken of vreemde stoffen door het meel mengen, waardoor klanten benadeeld of ziek konden worden.
Een verkoopakte uit 1734 laat zien hoe een dorpsbakkerij was ingericht. Naast herberg De Vergulde Vos in Benningbroek stond een bakkerij met oven, trog, zeven, rollen, meelkisten, mengketel, beschuittonnen, platen, borden en verschillende gewichten. De inventaris toont dat beschuit naast brood een belangrijk product was. Pieter Sijmonsz uit Schellinkhout kocht het bedrijf voor 575 gulden. Hij hoefde dat bedrag niet ineens te betalen, maar mocht het in termijnen voldoen. Zo kon een ambachtsman zonder groot vermogen toch een bakkerij overnemen. Zijn werk bleef sterk gebonden aan plaatselijke regels, de molenaar, de beschikbaarheid van graan en het vertrouwen van zijn klanten. De bakker was daarom meer dan ondernemer: hij droeg een grote verantwoordelijkheid voor het dagelijkse voedsel en welzijn van alle inwoners van het dorp.
Benningbroek en Sijbekarspel in een tijd van verandering
Van Bataafse vrijheid tot het verdwijnen van het oude dorpsleven
Aan het einde van de achttiende eeuw verkeerde de Republiek der Verenigde Nederlanden in moeilijkheden. De wereldhandel liep terug, het land raakte opnieuw in oorlog met Engeland en het bestuur onder stadhouder Willem V riep steeds meer weerstand op. Een groeiende groep burgers vond dat het land democratischer moest worden bestuurd. Zij noemden zich patriotten. Daartegenover stonden de Oranjegezinden, die het bestaande bestuur en de positie van de stadhouder wilden behouden.
In 1787 liepen de spanningen zo hoog op dat een gewapende confrontatie dreigde. De patriotten richtten schuttersverenigingen op en grepen in verschillende steden naar de macht. Toen Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van Willem V, bij Bonrepas door patriotten werd tegengehouden, riep zij de hulp in van haar broer, de koning van Pruisen. Een Pruisisch leger trok de Republiek binnen en herstelde het gezag van de stadhouder. Veel patriotten vluchtten daarop naar Frankrijk, maar hun ideeën verdwenen niet.
Toen in 1789 de Franse Revolutie uitbrak, kregen die denkbeelden nieuwe kracht. Vrijheid, gelijkheid en broederschap werden de woorden waarmee een nieuwe samenleving werd aangekondigd. In de winter van 1794-1795 trokken Franse troepen de bevroren Nederlanden binnen. De oude Republiek maakte plaats voor de Bataafse Republiek. De patriotten noemden zich voortaan Bataven en wilden het bestuur opnieuw inrichten.
Wat in Parijs, Amsterdam en andere grote steden begon, bereikte ook de dorpen van West-Friesland. Zelfs in Benningbroek werden de gevolgen van de Europese omwenteling voelbaar.
De revolutie bereikt Benningbroek
Begin februari 1795 besloot het dorpsbestuur vier burgers als wacht door Benningbroek te laten lopen. Mogelijk hoopte men daarmee de rust te bewaren en ongeregeldheden te voorkomen. De politieke verandering liet zich echter niet tegenhouden.
De burgers Cornelis Suevert en Jan Sijversz Langedijk bezochten burgemeester Jan Dekker. Zij verklaarden dat de revolutie niet alleen in de steden moest plaatsvinden, maar ook in de dorpen. Het oude bestuur kon volgens hen niet eenvoudig blijven zitten terwijl elders een nieuwe tijd was aangebroken.
Op 9 februari besloot de vroedschap een lijst te maken van alle mannelijke inwoners boven de achttien jaar. Twee dagen later kwamen de burgers in de kerk bijeen. Van de 61 stemgerechtigden waren er 56 aanwezig. Voor een dorpsvergadering was dat een bijzonder hoge opkomst.
Veertien leden van het oude dorpsbestuur traden af. Dirk Fijn wilde niet vrijwillig vertrekken, maar werd door de vergadering ontslagen. Daarmee werd duidelijk dat de inwoners hun nieuw verkregen invloed werkelijk wilden gebruiken.
Vijf aangewezen burgers kregen vervolgens de opdracht tien leden voor een voorlopig bestuur te kiezen. Zij mochten zichzelf niet benoemen en ook geen familieleden aanwijzen. Zo wilde men voorkomen dat de macht direct opnieuw in handen van enkele verwante families terechtkwam.
Voor de functies van burgemeester en schepen meldde zich echter niemand. De revolutionaire woorden klonken aantrekkelijk, maar het dragen van verantwoordelijkheid bleek iets anders. Daarom bleven de zittende burgemeester en schepenen voorlopig in functie.
Het eerste jaar van de Bataafse vrijheid
Het nieuwe bestuur noemde zich de municipaliteit. De secretaris kreeg opdracht een plan voor een nieuwe regeringsvorm op te stellen. Dat plan werd aan de bevolking voorgelegd. De bode ging door het dorp om alle mannelijke inwoners boven de achttien jaar uit te nodigen. De doopboeken werden gecontroleerd om vast te stellen wie kiesgerechtigd was.
Op 8 april 1795 vonden de verkiezingen plaats. Boven het verslag schreef de secretaris de veelzeggende woorden: ‘Eerste jaar der Bataafse vrijheid.’ Van de 67 kiesgerechtigden kwamen er 59 naar de kerk.
Tot leden van de municipaliteit werden gekozen: Klaas Pereboom, Jan Keijser, Cornelis Druijf, Aarjen Gleijnis, Aarjen Kool, Aris Palt, Cornelis Suevert, Jan Dekker, Aris Bijman en Pieter Claasz Jongert.
Klaas Pereboom werd burgemeester. Jan Sijversz Langedijk, Pieter Sijmonsz Jongert en Reijer Dikstaal werden schepenen. De koehouders kozen Aarjen Gleijnis en Jan de Smeth tot bullemeesters. Zij hielden toezicht op de stieren die voor de rundveefokkerij werden gebruikt.
Aarjen de Boer en Bart Dikstaal werden aangewezen als bemiddelaars bij conflicten tussen bestuur en rechtspraak. Oud-burgemeester Jan Dekker en Cornelis Suevert werden armenvoogden.
De omwenteling was zonder geweld verlopen. Toch veranderde er minder dan de grote woorden over vrijheid en gelijkheid deden vermoeden. Verschillende oude bestuurders keerden terug op hun vertrouwde plaatsen. De bestuurlijke ervaring van de bestaande dorpselite bleef kennelijk nodig. Een werkelijke vernieuwing was wel dat nu ook katholieke inwoners tot het dorpsbestuur konden toetreden.
Franse huzaren op de boerderij
De Franse bevrijding bleek niet kosteloos. De Bataafse Republiek moest grote bedragen aan Frankrijk betalen en duizenden Franse soldaten onderhouden. Eind mei 1795 kwamen huzaren naar Benningbroek. Zij werden bij boeren ingekwartierd.
Voor iedere huzaar ontving de betreffende boer 21 stuivers per week. Dat bedrag moest een vergoeding zijn voor onderdak en verzorging, maar de verdeling van de soldaten leidde tot grote ruzies. Niet iedere boer wilde evenveel militairen opnemen en ook over de uitbetaling van de vergoeding ontstond onenigheid.
De discussie liep binnen de municipaliteit zo hoog op dat burgemeester Klaas Pereboom en Cornelis Druijf ontslag namen. Andere bestuurders dreigden hun voorbeeld te volgen. De politieke revolutie zelf was rustig verlopen, maar de praktische gevolgen van de Franse aanwezigheid brachten het bestuur alsnog aan de rand van een crisis.
Tijdens de onrustige vergadering van 10 juni besloot de municipaliteit de predikant te vragen een dankrede te houden over het verbond met Frankrijk. God moest worden gedankt en om bescherming van de nieuwe republiek worden gevraagd. Een maand later keerden de afgetreden bestuurders alweer terug. De ruzie was daarmee voorlopig bezworen.
De schoolmeester voor het gerecht
Ook het onderwijs werd in de nieuwe tijd nauwlettender gecontroleerd. Schoolmeester J. Marschalk kreeg bezoek van de onderwijsinspectie. Hij werd ervan beschuldigd dat hij het onderwijs aan de jeugd had verwaarloosd.
Marschalk werd enkele dagen onder huisarrest geplaatst. Later voerde de gerechtsbode hem af. De burgers besloten hem te ontslaan. In januari 1796 verschenen in de Haarlemse Courant advertenties waarin een opvolger werd gezocht.
De gebeurtenissen rond de schoolmeester laten zien dat de Bataafse vernieuwing zich niet alleen op verkiezingen en bestuur richtte. Ook het onderwijs moest beter worden georganiseerd. De jeugd moest worden voorbereid op de nieuwe samenleving, en een schoolmeester die zijn taak niet naar behoren vervulde, werd niet langer vanzelfsprekend geduld.
Toch nam de politieke belangstelling snel af. Bij de verkiezingen van 1796 kwamen nog 38 burgers naar de kerk. Vrijwel alle bestuurders werden herkozen. Een jaar later verschenen nog slechts 24 kiezers.
De bevolking had korte tijd ervaren dat zij rechtstreeks invloed kon uitoefenen. Daarna werd het bestuur opnieuw vooral een zaak van een kleine vaste groep. De revolutionaire geest was niet geheel verdwenen, maar het dagelijkse leven vroeg opnieuw de meeste aandacht.
Benningbroek en Sijbekarspel onder één bestuur
In 1804 bepaalde het Departementaal Bestuur van Holland dat het plaatselijke bestuur opnieuw moest worden ingericht. Pieter Buijs, Bart Dikstaal, Pieter Claasz Jongert, Gerrit Knol en Dirk Fijn werden aangesteld als gemeentebestuurders van Benningbroek.
De vroegere secretaris W. Zeijlemaker, een rijke boer aan de latere Dr. de Vriesstraat 24, noemde zich voortaan baljuw of schout-civiel. Het bestuur bestond uit vijf leden, van wie er ieder jaar één aftrad. Ook Sijbekarspel kreeg vijf bestuurders.
Vanaf 1806 vergaderden de twee groepen gezamenlijk als gemeentebestuur van Sijbekarspel-Benningbroek. De dorpen waren daarmee bestuurlijk samengebracht, maar behielden nog duidelijk hun eigen identiteit. In de ondertekening van de notulen stonden de Benningbroekers en Sijbekarspelers als twee afzonderlijke groepen achter elkaar. De gezamenlijke raad leek daardoor op een bestuur met twee dorpsfracties.
Onder Napoleon
De Franse invloed werd steeds sterker. In 1806 maakte Napoleon zijn broer Lodewijk koning van Holland. Vier jaar later werd het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk ingelijfd.
De bevolking kreeg te maken met hoge belastingen, militaire lasten en economische moeilijkheden. Jongemannen konden voor het leger worden opgeroepen en de handel werd belemmerd door oorlog en blokkades.
Tegelijkertijd werden vernieuwingen ingevoerd die na de Franse tijd bleven bestaan. Er kwam een burgerlijke stand. Inwoners moesten een vaste achternaam voeren en huizen kregen nummers. Op school werd Frans onderwezen.
Zelfs de notulen van de gemeenteraad werden zowel in het Nederlands als in het Frans geschreven. Secretaris Klaas Winkel beheerste het Frans uitstekend en kon daardoor voldoen aan de eisen van het nieuwe bestuur.
Op 1 november 1811 reisde keizer Napoleon door West-Friesland. Vanuit Hoorn reed hij via Benningbroek naar Medemblik. Volgens de overlevering hield hij halt bij herberg De Leeuw, waar Pieter Kool herbergier was, om iets te gebruiken.
Het moet een bijzonder gezicht zijn geweest. Door een dorp van boerderijen, werkplaatsen en herbergen trok de stoet van een man die een groot deel van Europa beheerste. Voor de bewoners was Napoleon niet alleen een naam uit verre oorlogen. Zijn wetten, belastingen en bestuurders waren al tot diep in hun dagelijkse leven doorgedrongen.
Eind 1813 stortte het Franse gezag in. Willem I werd vorst van de Verenigde Nederlanden. Daarmee eindigde een bewogen periode waarin grote Europese omwentelingen zelfs in de kerk, de boerderijen, de herbergen en de raadsvergaderingen van Benningbroek en Sijbekarspel voelbaar waren geweest.
Op vraaierspad
Terwijl bestuurders spraken over vrijheid en nieuwe wetten, bleef het gewone dorpsleven grotendeels zijn oude gang volgen. Jongeren ontmoetten elkaar op de kermis, op het erf of in de koegang. Verkering verliep volgens gewoonten die inmiddels vrijwel verdwenen zijn.
In de zeventiende eeuw bestond het zogenoemde nachtelijke vrijen. Een jongeman, een ‘vraaier’, ging ’s avonds of ’s nachts naar het meisje van zijn keuze. Wanneer zij hem wilde ontvangen, liet zij haar slaapkamerraam openstaan.
De jongen sloop op zijn sokken naar binnen en ging aanvankelijk boven op de dekens liggen. Dit gebruik werd ‘queesten’ genoemd, een woord dat verband hield met zoeken of najagen.
Het gebeurde vaak met medeweten van de ouders. Zij vonden dat twee jonge mensen elkaar op deze manier beter konden leren kennen. Tegelijkertijd vertrouwden zij erop dat hun dochter niets oneerbaars zou overkomen.
Schilderijen uit de zeventiende eeuw laten geregeld vrijende paren zien. Zulke afbeeldingen waren niet alleen vrolijk of romantisch bedoeld. Zij konden jongeren ook waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van verleiding.
Kermishouwen en koffieophalen
In de achttiende en negentiende eeuw werd de samenleving preutser. Toch bleven dorpsfeesten belangrijke ontmoetingsplaatsen. Vooral de kermis bood jongens en meisjes de mogelijkheid elkaar te leren kennen.
Ouders vertrouwden op de sociale controle binnen het dorp. Vrijwel iedereen kende elkaar en opvallend gedrag bleef zelden onopgemerkt. Een jongen kon daarom niet tijdens de kermis openlijk belangstelling voor een meisje tonen zonder dat dit later gevolgen kreeg.
Ongeveer twee weken na het ‘kermishouwen’ verscheen hij op zondagavond in zijn beste pak bij haar ouders. Dat bezoek werd ‘koffieophalen’ genoemd.
Aanbellen was vaak niet nodig. De jongen kwam achterom, door de koegang. De hele familie wist waarom hij kwam. Vader voerde voornamelijk het gesprek, terwijl moeder en dochter luisterden.
Rond negen uur gingen de ouders naar bed. Eerst werd echter gezamenlijk brood gegeten. Het voedsel dat de jongen kreeg, kon duidelijk maken of hij welkom was.
Bood het meisje hem een ‘avondstik’ aan, dan mocht hij blijven. Kreeg hij een beschuitbol, dan had hij ‘blauw gekregen’ en kon hij beter vertrekken.
Vrijen in de koegang
Wanneer de verkering werd aanvaard, namen de jongen en het meisje twee houten stoelen mee naar de koegang. Daar zaten zij soms urenlang in het donker te praten en te vrijen.
Het meisje droeg soms een eenvoudige ‘raggersjurk’, zodat haar zondagse kleding schoon bleef. De koegang was immers geen nette woonkamer, maar een ruimte die rechtstreeks met het boerenbedrijf verbonden was.
De geestelijkheid keek niet altijd met genoegen naar deze gewoonte. Een pastoor bepaalde dat er in de koegang een kaars of petroleumlampje moest branden. Het licht moest al te vrijpostig gedrag voorkomen. De jongelui hadden vermoedelijk liever dat het donker bleef.
Ook in de twintigste eeuw bleven vergelijkbare gebruiken bestaan. Een meisje kon na een avond uit haar vriend mee naar huis nemen. Vader en moeder gingen dan vroeg naar bed, zodat het paar in de woonkamer nader kennis kon maken.
Het licht ging uit, maar volgens de ongeschreven regel bleven de kleren aan. Wanneer meerdere dochters tegelijk met een vriend thuiskwamen, bepaalde de oudste vaak hoe de beschikbare ruimte werd verdeeld. Zij kreeg bijvoorbeeld de bank in de woonkamer, terwijl haar jongere zus met haar vriend genoegen moest nemen met koude stoeltjes in de keuken.
De jaren zestig worden vaak voorgesteld als een tijd van plotselinge vrijheid. Op het platteland was van openlijke seksuele voorlichting echter nauwelijks sprake. Ouders spraken er weinig over. Jongeren moesten hun kennis bij vrienden, broers of zussen opdoen. Juist daardoor bleef het gaan op vraaierspad geheimzinnig en spannend.
Het boerenleven onder één dak
Het grootste deel van het dagelijkse leven speelde zich af op en rond de boerderij. In een West-Friese stolp waren wonen en werken onder één groot dak samengebracht.
Boerderij l’Esperance aan de Dr. de Vriesstraat 55 in Benningbroek was daarvan een duidelijk voorbeeld. De stolp werd omstreeks 1835 gebouwd voor veehouder Pieter Winkel. Door zijn grote invloed in het gemeentebestuur en het waterschap stond hij bekend als ‘Pieter Almachtig’.
Veel later woonden Simon Stapel en Jannie Stapel-Bras er met hun zoon Cees. In 1967 vertelde Jannie tijdens een bijeenkomst van de Plattelandsvrouwen in café De Roode Leeuw hoe het boerenleven er tussen ongeveer 1850 en 1925 had uitgezien.
Bij de bouw van een stolp stond het wooncomfort niet voorop. Eerst werd bepaald waar de hooiberg, het zogenoemde vierkant, moest komen. Daarna volgden de veestalling en de dars. Daar kregen het hooi, de wagens en de landbouwwerktuigen hun plaats.
Pas wanneer het bedrijfsgedeelte volledig was ingedeeld, werd bekeken hoeveel ruimte er voor het gezin overbleef. Het huis was daardoor geheel rond het boerenbedrijf gebouwd.
Wonen, slapen, koken, wassen, melken en zuivelbereiding vonden dicht bij elkaar plaats. De boerderij was geen woning met daarnaast een bedrijf. Zij vormde één geheel waarin ieder vertrek een functie had binnen het boerenbestaan.
De pronkkamer
In het voorhuis lag de pronkkamer. Dit was de mooiste kamer van de boerderij, maar de huisgenoten gebruikten haar slechts voorzichtig.
Op de vloer lag een wollen kleed. De gezinsleden mochten daar alleen op kousen overheen lopen. Bezoekers hoefden hun schoenen echter niet uit te trekken. De kamer moest immers juist aan anderen laten zien dat het huishouden ordelijk en welvarend was.
In een glazen kast stonden porselein, glaswerk en zilver uitgestald. Grote stopflessen van geslepen kristal waren bestemd voor wijn en sterke drank. In kleinere flessen werden likeur en rum bewaard.
Tot de kostbare voorwerpen behoorden een suikerpot uit 1830, een boerenjongenspot uit 1894 en een bowlstel uit 1925. Vrijwel ieder boerengezin bezat bovendien een chocoladepot.
Vooral in de winter werd die chocoladepot gebruikt. Wanneer buren of vrienden op bezoek kwamen, werden soms liters warme chocolademelk geschonken. Dan verscheen ook de koektrommel op tafel, gevuld met speculaas, taai en pepernoten.
In de wintermaanden kwamen vijf of zes venters langs de boerderijen met grote trommels vol lekkernijen. Hun komst bracht afwisseling in een tijd waarin de bewoners voor veel producten afhankelijk waren van rondtrekkende verkopers.
In een hoek stond de hoge, met leer beklede leunstoel van grootmoeder. Op de zitting lag vaak een in kruissteek geborduurd kussen. Naast de stoel stond een klein tafeltje met naaigerei.
Een van deze tafeltjes was in 1894 gemaakt door dorpstimmerman Arie Waterdrinker. Het was oorspronkelijk bedoeld voor een naaimachine.
Dicht bij de stoel stond de theestoof. Met behulp van turfkooltjes werd in een koperen keteltje water warm gehouden. Zo kon snel thee worden gezet wanneer er bezoek kwam.
Ook grootvader had vaak zijn vaste hoek. Op zijn tafeltje lagen bijvoorbeeld de benodigdheden voor een kaartspel. Quadrille was een ingewikkeld spel dat later werd verdrongen door pandoeren, eenentwintigen en klaverjassen.
De tafels verschilden per kamer. In de pronkkamer stond vaak een ronde of ovale tafel van mahoniehout, of een tafel met een notenhouten blad op een gedraaide middenpoot. In de gewone huiskamer gebruikte men eerder een stevige schuiftafel met een los blad en een groen zeildoek in het midden.
Slapen in de bedstee
Slapen gebeurde in een bedstee. Aan de binnenzijde hing een beddenkwast. Daaraan kon iemand zich optrekken om rechtop te gaan zitten of zich in bed om te draaien.
Voor de bedstee stond een beddenbankje. In de oudste tijd lag op de houten planken los stro. Later kwamen er stromatrassen en dekens die met ganzendons waren gevuld. In de winter werd daar nog een wollen deken aan toegevoegd.
Om de kou te verdrijven, legde men een stenen of koperen kruik in bed. Op de beddenplank stond een olielampje of een kaars.
Veel licht gaf dat niet, maar de bewoners waren niet gewend aan helder verlichte kamers. Later verschenen petroleumlampen, soms rijk uitgevoerd met koper en beschilderd glas. Dat glas zag er fraai uit, maar hield ook een deel van het licht tegen.
De komst van elektriciteit werd als een wonder ervaren. Met een draai aan een knopje begon een lamp te branden. Toch bleef men zuinig.
In de huiskamer werd lang geschemerd bij het licht van de theestoof. Wanneer in de koegang al een lamp van 25 watt brandde, vond men het vaak niet nodig om elders in de boerderij nog een lamp aan te doen.
Koken, wassen en schoonmaken
De plaats waar werd gekookt, veranderde met de seizoenen. In de winter gebeurde dat in de huiskamer of in een hoek van de stal. Tijdens de zomer verhuisde het dagelijkse werk grotendeels naar de koestal.
Daar werden niet alleen maaltijden bereid, maar ook zuivelproducten gemaakt. Slabonen en jam werden ingemaakt en in glazen weckpotten bewaard. Zo werd de opbrengst van de zomer en herfst veiliggesteld voor de winter.
Het inmaken vergde veel tijd en nauwkeurigheid. De potten moesten zorgvuldig worden gereinigd en goed worden afgesloten. Wanneer dat misging, kon de voorraad bederven.
Ook de was werd op de koestal gedaan. Het linnengoed werd eerst uitgekookt in een grote ketel. Daarna werd het met de hand gewassen.
Daarvoor gebruikte men een wasbord, een boender en een houten wastobbe die op een wasschamel stond. Bleekwater, blauwsel, stijfsel, groene zeep en Sunlight-zeep behoorden tot de vaste benodigdheden van de wasdag.
De koegang kreeg in de winter iedere week een grondige beurt. De vloer werd geschrobd en het hooischot met een doek afgenomen. Ook de koeien werden verzorgd en schoongehouden. Zij werden gerost en zelfs hun staarten werden gewassen.
Dat was niet alleen een kwestie van netheid. Op de boerderij werd dicht bij het vee gekookt en soms ook geslapen. De gezondheid en het comfort van het gezin waren daardoor rechtstreeks afhankelijk van een schone stal.
Tabak in het dagelijkse leven
Tussen het werk door bood een pijp tabak veel mannen een moment van rust. Tabak hoorde eeuwenlang bij het dagelijkse leven in Benningbroek en Sijbekarspel.
De plant kwam oorspronkelijk uit Amerika. Daar werd zij door de inheemse bevolking ceremonieel, medicinaal en als genotsmiddel gebruikt. Na de reizen van Columbus verspreidde tabak zich over Europa.
Aanvankelijk werd de plant vooral als geneesmiddel beschouwd. Sap van verse bladeren werd verwerkt in drankjes. Gedroogde tabak kwam terecht in zalfjes tegen uiteenlopende kwalen.
Pas in het begin van de zeventiende eeuw werd roken een algemeen genot. Daarnaast werd tabak gekauwd als pruimtabak. In de achttiende eeuw raakte bij welgestelde mensen het snuiven van fijngemalen tabak in de mode.
In de dorpen bleef vooral de pijp het herkenbare rookgerei.
Kleipijpen in de bodem
De eerste pijpenmakers in Nederland kwamen uit Engeland. Niet veel later begonnen ook Hollandse ambachtslieden kleipijpen te vervaardigen.
Gewone pijpen waren goedkoop en kwetsbaar. Ze werden vaak in losse onderdelen gekocht en braken gemakkelijk. Wanneer een steel of pijpenkop beschadigd raakte, werd de pijp weggegooid.
Daardoor worden bij graafwerkzaamheden nog altijd fragmenten van kleipijpen gevonden. Een volledig onbeschadigd exemplaar is zeldzaam.
Chiel de Leeuw verzamelde gedurende ongeveer vijftig jaar bijna een hele veilingkist vol pijpenkoppen en pijpenstelen. Een deel daarvan werd tentoongesteld in de consistoriekamer van het Witte Kerkje in Benningbroek.
De pijpenkoppen vertonen een grote verscheidenheid. Sommige dragen een hielmerk of zijmerk. Andere hebben letters, cijfers of gezichten in reliëf. Ook afbeeldingen van schepen en wapenschilden komen voor.
Aan deze kleine bodemvondsten is te zien hoe algemeen het pijproken moet zijn geweest. De grote hoeveelheid weggegooide fragmenten wekt de indruk dat vrijwel iedere volwassen man in het dorp rookte.
De tabakspot en de pijproder
Bij het roken hoorde meer dan alleen een pijp. In de pronkkamer van een welgestelde boer stond soms een fraaie tabakspot of een gegraveerde tabaksdoos op een tafeltje.
De tabak moest goed worden bewaard en droog blijven. Voor het vullen van de pijpenkop gebruikte men een stopper of stamper.
Na het roken moest de pijp worden schoongemaakt. Daarvoor gebruikte men een schrapertje dat in West-Friesland een ‘pijproder’ werd genoemd. Een roker droeg zo’n hulpmiddel vaak in zijn zak.
In veel woningen hing een pijpenrek aan de muur. Daarin konden verschillende pijpen naast elkaar worden opgeborgen.
Bij Chiel de Leeuw thuis droeg het rek een koperen plaatje met de spreuk: ‘Het is geen man die niet rooken kan.’ Die woorden laten zien hoe sterk roken destijds met volwassen mannelijkheid werd verbonden.
Eigen tabak in oorlogstijd
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd fabriekstabak schaars. Sommige gezinnen gingen daarom zelf tabaksplanten verbouwen.
De vader van Chiel de Leeuw teelde twee soorten: Burley en Virginia. Na de oogst hingen grote hoeveelheden bladeren op de overloop en aan het plafond van een slaapkamer.
Die kamer werd tijdelijk niet als slaapvertrek gebruikt. De bladeren moesten er langzaam drogen. Daarna werden zij in jutezakken gestopt en op de fiets naar Hoorn gebracht.
Waarschijnlijk werden ze daar door de firma Pool gekerfd of gesneden. Later kon de verwerkte tabak weer worden opgehaald, verpakt in papieren zakken.
De kwaliteit van deze eigen teelt zal niet altijd gelijk zijn geweest aan die van gekochte tabak. In oorlogstijd was men echter tevreden met wat beschikbaar was. De zelfverbouwde bladeren werden als shag of pijptabak gerookt.
Zo werd ook de tabaksplant onderdeel van de zelfvoorziening. Net als groenten en fruit werd zij thuis verbouwd, geoogst, gedroogd en verwerkt.
Een dorp vol kleine bedrijven
Het boerenbedrijf kon niet zonder de plaatselijke middenstand. Langs de dorpsweg lagen cafés, winkels en werkplaatsen die de bewoners van voedsel, kleding, gereedschap en diensten voorzagen.
Wie vroeger vanaf de Molenbuurt door Benningbroek in de richting van het viaduct liep, kwam langs een lange reeks kleine ondernemingen. Veel zaken werden vanuit een woonhuis gedreven.
Sommige ondernemers leefden volledig van hun bedrijf. Anderen combineerden verschillende werkzaamheden om voldoende inkomen te verdienen.
Vanaf het einde van de jaren zestig werd het steeds moeilijker voor de kleine middenstand. De welvaart nam toe en steeds meer inwoners kregen een fiets, bromfiets of auto. Daardoor konden zij gemakkelijker in Hoorn of Medemblik winkelen.
De dorpswinkels verloren langzaam hun klanten. De verandering ging niet plotseling, maar bedrijf na bedrijf sloot zijn deuren.
De Molenbuurt
Naast de molen van Verhoef stond café De Vergulde Vos. De herberg bestond al in de achttiende eeuw en stond bekend als het katholieke café.
Boven de gelagkamer lag een danszaal. Volgens herinneringen golfde de vloer wanneer er uitbundig werd gedanst. Het gebouw was daardoor niet alleen een plaats waar drank werd geschonken, maar ook een belangrijk centrum van het sociale leven.
In dezelfde omgeving had Piet Schermer rond 1918 een melkzaak. Hij had deze overgenomen van Neeltje Mol, die achter de winkel ook een klein café hield.
Schermers dochter Trijntje begon in 1927 samen met haar man Gert de Vries een melkzaak en kruidenierswinkel.
De melkboer ging met een hondenwagen langs de huizen. Op de wagen stonden een grote bus voor melk en een kleinere voor karnemelk.
Klanten kwamen met een emmertje naar buiten. De melk werd met een maat uit de bus geschept en rechtstreeks in het emmertje gegoten. Verpakte melk bestond nog niet. De melkboer bracht het product van deur tot deur.
Aan de toenmalige Abbekerkerweg, later de Tuinstraat, werkten vóór 1950 bakker Klaas Kool en huisschilder Zwagerman.
In de Molenbuurt bevond zich ook de schoenmakerij van Hendrik van der Meer. Zijn vrouw Jantje liep met een grote zwarte tas door het dorp om kapotte schoenen op te halen. Na de reparatie bracht zij de schoenen weer bij de klanten thuis.
Kwekerij Kramm
Aan de Molenbuurt lag vanaf 1905 de bloemisterij en plantenkwekerij van Henk Kramm. Het bedrijf bestond uit een woonhuis, een oranjerie, een winkelhuis met garage, een broeikas, een erf en een tuin.
In 1935 verkocht Kramm het geheel aan de gemeente Sijbekarspel voor 4.200 gulden. Bij de koop hoorden een handwagen, twee grasmaaimachines, vazen, bloemenmanden, tuingereedschap, cokes, bamboematten en bladaarde.
Ook ongeveer duizend Tonkinstokken, duizenden bloempotten en alle sier- en handelsplanten werden aan de gemeente overgedragen.
De gebouwen werden daarna gedeeltelijk verhuurd. Een ander deel werd als brandweergarage gebruikt. Het woonhuis werd in 1957 grotendeels gesloopt en verbouwd. Later woonden er verschillende rijkspolitiemannen.
Kappers, smeden en fietsenmakers
Naast het voormalige bedrijf van Kramm had kapper Arie Laan zijn kapsalon in de keuken van zijn moeder.
Verderop woonde de katholieke kapper en kruidenier Reus. De godsdienstige scheiding was ook in het klantenbestand merkbaar. Beide kappers hadden hun eigen vaste kring.
Aan de Dr. de Vriesstraat 2 stond vóór de oorlog de smederij van Vermeulen. In 1952 begon Cees Conijn daar een bedrijf.
Hij maakte handkarren en landbouwwagens. Daarnaast verkocht en repareerde hij fietsen en motoren. Ook leverde hij hooivorken, schoppen, emmers en andere benodigdheden voor boeren en arbeiders. Verder handelde hij in oud ijzer.
Bij Conijn werden iedere donderdagavond de opstellingen van de voetbalteams van DESS opgehangen. Dorpsjongens kwamen kijken of zij voor de komende wedstrijd waren geselecteerd.
Ondertussen kropen zij soms stiekem in de oude auto’s die bij de werkplaats stonden. Zo was het bedrijf niet alleen een plaats van handel en reparatie, maar ook een ontmoetingsplek voor de jeugd.
Op Dr. de Vriesstraat 31 woonde kapster Does. In het huis ervoor, Bamestrae, was van 1923 tot 1954 het postkantoor van de familie Rentenaar gevestigd.
Bakkers en broodventers
In Benningbroek waren verschillende bakkers actief. Bakker Zilver stookte zijn oven nog met takken.
Kinderen uit de buurt mochten soms vroeg in de ochtend helpen met het bakken van kadetjes. De bakkerij was een warme plaats waar de geur van brood al vroeg over de omgeving trok.
Zilver bezorgde niet alleen brood in Benningbroek. Tweemaal per week ging hij met een volle broodmand naar Hoorn. Zijn vrouw reed met de bakkerskar door het dorp.
Hij stond vooral bekend om zijn roggebrood, koeken met spijs en soezen.
Bij het viaduct zat bakker Bouman, later bakker Vis. In het winkeltje stonden grote glazen potten vol snoep.
Kinderen die op een nabijgelegen landje voetbalden, kregen soms een ‘winterkoninkje’ mee: een dropje in rood-zwart papier.
Schuin tegenover bakker Zilver begon Jasper Vos in een herenhuis uit 1924 een handel in fietsen en motoren met een reparatiewerkplaats.
In 1926 werd een garage aangebouwd en kwam zijn broer Piet in de zaak. In 1966 werd het bedrijf verkocht aan Ruud op den Kelder.
Onder de nieuwe eigenaar groeide het uit tot een gemoderniseerd garagebedrijf met een benzinestation. Vanaf 1974 hoorde daar ook een doe-het-zelfwinkel bij.
De geschiedenis van het bedrijf laat zien hoe de dorpsmiddenstand zich aanpaste aan nieuwe vervoermiddelen en veranderende behoeften. De fietsenzaak werd een motorhandel, vervolgens een garage en uiteindelijk ook een winkel voor mensen die zelf wilden klussen.
Manufacturen en aannemers
In 1919 begon de familie Wiltenburg een manufacturenzaak. Vooral de handwerkartikelen stonden goed bekend.
De laatste eigenaren waren dochter Johanna en haar man Maarten de Vries. In 1970 sloot de winkel. Daarmee verdween opnieuw een zaak waar bewoners jarenlang hun stoffen, kleding en handwerkbenodigdheden hadden gekocht.
Tegenover de slagerij van Boontjes werkte rond 1953 aannemer Jacob Beemster. Hij verrichtte timmer- en metselwerk en verwerkte iepen- en eikenhout.
Achter het bedrijf lagen boomstammen in de sloot. Voor kinderen vormden die een aantrekkelijke, maar gevaarlijke speelplaats. Begin jaren zestig nam timmerman en aannemer Claus op den Kelder het bedrijf over.
Op de driesprong in de richting van Hoorn had Cor Valentijn vanaf 1925 een wagenmakerij en een klein koffiehuis.
Reizigers konden er wachten op de stoomtram tussen Hoorn en Medemblik. Aan de andere kant van het huis woonde kruidenier Jan Dop, die met een klein wagentje zijn boodschappen langs de huizen bracht.
Valentijn sloot het café begin jaren dertig. De wagenmakerij bleef langer bestaan, maar werd in de jaren vijftig beëindigd. De komst van gemotoriseerd vervoer maakte het oude ambacht van wagenmaker steeds minder noodzakelijk.
Een verdwenen manier van leven
Van veel bedrijven is in het huidige straatbeeld weinig of niets meer terug te vinden. Toch bepaalden zij jarenlang het ritme van Benningbroek.
De melkboer kwam met zijn hondenwagen aan de deur. De schoenmakersvrouw liep met haar zwarte tas door het dorp. Uit de bakkerij kwam de geur van vers brood. Bij de aannemer klonk het zagen van hout en in de smederij het slaan van metaal.
De kapper werkte in een keuken. De kruidenier bracht zijn waren langs de huizen. Kinderen verzamelden zich bij de fietsenmaker om de opstellingen van DESS te bekijken.
De winkels en werkplaatsen waren meer dan plaatsen waar iets werd gekocht of gerepareerd. Zij vormden dagelijkse ontmoetingspunten. Bewoners hoorden er het laatste nieuws, spraken over familie, werk, kerk en politiek en hielden elkaar op de hoogte van wat er in het dorp gebeurde.
Met het verdwijnen van de kleine middenstand verdween daarom niet alleen een reeks winkels en bedrijven. Ook een manier van ontmoeten ging verloren.
Hetzelfde gebeurde met het oude boereninterieur, de bedsteden, de pronkkamer, het koffieophalen, het vrijen in de koegang en het roken van een kleipijp.
De verhalen over Benningbroek en Sijbekarspel laten zien dat grote historische veranderingen en het gewone dagelijkse leven voortdurend naast elkaar bestonden.
In 1795 kwamen burgers in de kerk bijeen om bestuurders te kiezen en over vrijheid, gelijkheid en broederschap te spreken. Franse huzaren werden ondertussen bij boeren ondergebracht. Later reed Napoleon door het dorp, terwijl in de boerderijen gewoon werd gemolken, gekookt, gewassen en ingemaakt.
Jongeren gingen op vraaierspad. Grootmoeder zat bij haar naaigerei en grootvader speelde kaarten of rookte zijn pijp. De bakker stookte zijn oven, de melkboer reed langs de deuren en de wagenmaker werkte aan een nieuwe kar.
Juist deze verbinding tussen grote geschiedenis en klein dagelijks leven maakt het verleden van Benningbroek en Sijbekarspel zichtbaar. Europese revoluties veranderden het bestuur, maar het dorp bleef tegelijkertijd bestaan uit families, boerderijen, winkels, werkplaatsen en oude gebruiken.
Veel daarvan is verdwenen. De verhalen bewaren echter de namen, voorwerpen, gewoonten en herinneringen van de mensen die deze dorpen vormden.
Nagedacht gedurende 15s
Ja. Het veiligste en sterkste aanvullende deel is de overgang van het oude boeren- en ambachtsdorp naar de moderne tijd tussen ongeveer 1900 en 1939. Daarvoor bevat de pagina al voldoende concrete gegevens. Zo hoeven we geen plaatselijke gebeurtenissen te verzinnen waarvoor nog geen bronnen zijn.
Tussen oude gewoonten en een nieuwe tijd, 1900–1939
Een samenleving rond boerderij en land
Aan het begin van de twintigste eeuw waren Benningbroek en Sijbekarspel nog overwegend agrarische dorpen. Langs de dorpswegen stonden boerderijen, arbeiderswoningen, werkplaatsen, winkels en herbergen. Achter de bebouwing lagen de lange, door sloten gescheiden landerijen waarop vooral gras groeide. De veehouderij bepaalde het ritme van het jaar. Koeien werden in het voorjaar naar buiten gebracht, in de zomer moest voldoende hooi worden gewonnen en in het najaar keerde het vee terug naar de stal.
Het werk werd niet alleen door de boer en zijn gezin verricht. Knechten, dienstmeiden en losse arbeiders maakten deel uit van het boerenbedrijf. Tijdens drukke perioden hielpen bovendien familieleden en buren mee. Vooral de hooitijd vroeg veel arbeidskracht. Vanaf het einde van mei tot soms diep in augustus werd het gras gemaaid, gekeerd, gedroogd, verzameld en naar de boerderij gebracht. Een mislukte hooioogst betekende dat er in de winter onvoldoende voer voor het vee kon zijn. De zomermaanden waren daardoor niet alleen een tijd van overvloed, maar ook van spanning en hard werken.
Knechten en dienstmeiden op de boerderij
Een grote boerderij kon niet zonder inwonend personeel. Een boerenknecht hielp bij het melken, voeren, uitmesten, maaien, hooien en vervoeren van producten. Zijn werkdagen begonnen vroeg, omdat de koeien al vóór het ontbijt moesten worden gemolken. In de winter werkte hij vooral in en rond de stal. In het voorjaar en de zomer verschoof het werk naar de weilanden.
Dienstmeiden verrichtten zwaar huishoudelijk werk. Zij maakten schoon, kookten, wasten, verzorgden kinderen en hielpen soms ook bij het melken of de zuivelbereiding. Wonen en werken waren nauwelijks van elkaar gescheiden. Knechten en meiden verbleven vaak op de boerderij en aten met het boerengezin mee, al bestonden er duidelijke verschillen in positie en aanzien.
Voor veel jonge mensen was een betrekking als knecht of dienstmeid een eerste stap naar zelfstandigheid. Zij verdienden geld, deden ervaring op en kwamen in contact met andere gezinnen. Tegelijk waren zij sterk afhankelijk van hun werkgever. Wie zijn betrekking verloor, raakte niet alleen zijn loon maar soms ook zijn woonplaats kwijt.
De dorpssmid groeit met zijn tijd mee
De smederij bleef in deze periode een onmisbaar dorpsbedrijf. Zolang paarden voor het vervoer en het boerenwerk werden gebruikt, moesten zij worden beslagen. Wagens, ploegen, hekken, gereedschappen en metalen onderdelen vroegen voortdurend om reparatie. De smid kende de boerenbedrijven en wist welke werktuigen tijdens het drukke seizoen niet lang gemist konden worden.
Toch bleef het werk niet hetzelfde. Nieuwe technieken bereikten ook Benningbroek en Sijbekarspel. Toen elektriciteit werd aangelegd, kreeg de smid werk als installateur. Hij plaatste leidingen, schakelaars en lampen in huizen en boerderijen die nooit voor elektrische voorzieningen waren ontworpen. Enkele jaren later volgde de waterleiding. Op boerderijen werden leidingen en drinkbakjes voor het vee aangebracht, terwijl huishoudens voortaan water uit een kraan konden halen.
Bij de smederij van Sijbekarspel kwam bovendien een winkel met elektrische en huishoudelijke artikelen. Maartje Schimmel beheerde de winkel. Er werden lampen, schakelaars, keukengerei en andere nieuwe producten verkocht. Ook fietsen konden er worden gekocht en gerepareerd. De dorpssmid veranderde zo geleidelijk van een traditionele hoefsmid in een technische middenstander die verschillende werkzaamheden combineerde.
Elektrisch licht in oude boerderijen
De komst van elektriciteit veranderde het dagelijkse leven. Voor die tijd waren woningen en stallen afhankelijk van kaarsen, petroleumlampen en ander open vuur. Elektrisch licht was veiliger, helderder en gemakkelijker te gebruiken. Werkzaamheden konden ook tijdens donkere winteravonden beter worden uitgevoerd.
De invoering verliep echter niet van het ene op het andere moment. Niet ieder huishouden beschikte onmiddellijk over voldoende geld om lampen, bedrading en elektrische apparaten te laten plaatsen. In veel woningen bleef het gebruik aanvankelijk beperkt tot enkele lichtpunten. Toch was de verandering groot. Met een schakelaar kon licht worden gemaakt zonder eerst een lamp te vullen, een lont bij te knippen of vuur te gebruiken.
In boerderijen werd elektriciteit eveneens belangrijk. Stallen, werkplaatsen en erven konden beter worden verlicht. De nieuwe voorziening veranderde niet direct alle werkzaamheden, maar zij vormde wel de basis voor verdere mechanisering.
Water uit de kraan
Ongeveer negen jaar na de aanleg van elektriciteit volgde de waterleiding. Tot die tijd waren huishoudens afhankelijk geweest van regenwater, putten en soms water uit sloten. Het verzamelen en dragen van water vroeg dagelijks veel werk. Vooral vrouwen en dienstmeiden waren daar vaak mee belast.
Met de komst van een kraan in huis werd water gemakkelijker bereikbaar. Dat verbeterde het comfort en maakte wassen, schoonmaken en koken eenvoudiger. Ook voor de hygiëne was betrouwbaar leidingwater van groot belang. Oude gewoonten verdwenen echter niet onmiddellijk. Regenbakken en putten bleven soms nog jaren in gebruik.
Op boerderijen werden drinkbakjes voor koeien op de waterleiding aangesloten. Het vee kon daardoor zelf water opnemen. Dit bespaarde arbeid en maakte de verzorging van de dieren gemakkelijker. Tegelijk moesten oude stolpboerderijen worden voorzien van leidingen, kranen en verbindingen waarvoor zij oorspronkelijk niet waren gebouwd.
Fiets, auto en benzinepomp
Ook het verkeer begon te veranderen. Paard en wagen bleven belangrijk, maar de fiets bood steeds meer inwoners de mogelijkheid zelfstandig grotere afstanden af te leggen. Winkels, scholen, familieleden en werkplaatsen in omliggende dorpen werden gemakkelijker bereikbaar. De fiets werd daardoor niet alleen een luxeartikel, maar een praktisch vervoermiddel voor arbeiders, boeren, middenstanders en schoolgaande jongeren.
Later verschenen de eerste motorvoertuigen. Bij de smederij van Sijbekarspel kwam een benzinepomp. Er was ook een auto voor personenvervoer. Deze werd gebruikt bij bruiloften, begrafenissen en andere gelegenheden. Omdat maar weinig inwoners zelf een auto bezaten, was een plaatselijke vervoersdienst van betekenis.
Oud en nieuw stonden hierbij letterlijk naast elkaar. De smid verkocht benzine en repareerde fietsen, maar besloeg ondertussen nog steeds paarden. Op de dorpsweg reden auto’s en fietsen tussen wagens, vee en voetgangers. De overgang naar gemotoriseerd verkeer was begonnen, maar het paard verdween vóór 1940 nog niet uit het dorpsbeeld.
Onderwijs en geloof raken sterker gescheiden
De modernisering van het dorpsleven betekende niet dat oude geloofsverschillen verdwenen. Integendeel, het onderwijs raakte in het begin van de twintigste eeuw sterker verdeeld langs levensbeschouwelijke lijnen. Op 24 april 1928 werd in De Weere een rooms-katholieke school geopend. Katholieke ouders konden hun kinderen voortaan onderwijs laten volgen dat aansloot bij hun geloof.
Voor de openbare school van Sijbekarspel had dit grote gevolgen. Ongeveer de helft van de leerlingen vertrok naar de nieuwe katholieke school. Het gebouw in Sijbekarspel was in 1917 nog uitgebreid omdat er te weinig ruimte was geweest. Elf jaar later bleven lokalen gedeeltelijk leeg.
De verandering laat zien hoe sterk kerkelijke overtuiging het dagelijks leven nog bepaalde. Kinderen die voorheen samen over de Westerstraat naar dezelfde school liepen, gingen voortaan naar verschillende gebouwen. Daarmee werd de landelijke schoolstrijd zichtbaar in een klein West-Fries dorp.
De crisis bereikt de dorpen
Na 1929 kreeg Nederland te maken met een langdurige economische crisis. Ook in Benningbroek en Sijbekarspel werden de gevolgen gevoeld. De prijzen van landbouwproducten daalden en gezinnen hadden minder te besteden. Voor boeren betekende een lage opbrengst van melk, vee en andere producten dat zij moeilijker aan hun financiële verplichtingen konden voldoen. Investeringen werden uitgesteld en bij de aanschaf van goederen werd voorzichtigheid betracht.
Voor knechten en losse arbeiders was de positie kwetsbaar. Wanneer een boer moest bezuinigen, kon hij minder personeel aannemen of werkzaamheden door gezinsleden laten uitvoeren. Middenstanders merkten dat klanten aankopen uitstelden, langer met kleding, fietsen en gereedschappen deden en vaker reparatie verkozen boven vervanging.
De crisis raakte ook de gemeente. Minder inkomsten en grotere financiële onzekerheid maakten uitgaven aan gebouwen en voorzieningen moeilijker te verdedigen. De openbare school van Sijbekarspel had al veel leerlingen verloren. Door de crisis werden de kosten van het kleine schoolgebouw nog zwaarder gewogen.
De openbare school gesloten
Op 1 augustus 1934 werd de openbare school van Sijbekarspel gesloten. De 48 overgebleven leerlingen moesten voortaan naar Benningbroek. De onderwijzers werden ontslagen en kregen wachtgeld. De onderwijzerswoning werd voor vier gulden per week verhuurd aan P. van Leijen.
De sluiting betekende meer dan het verdwijnen van lessen uit een gebouw. Een dorpsschool was ook een ontmoetingsplaats. Kinderen uit verspreid liggende boerderijen en woningen kwamen er dagelijks samen. Het schoolplein, de kapstokken en de lokalen hoorden bij het ritme van het dorp. Na de sluiting werd het stil rond het gebouw en moesten kinderen een langere weg afleggen.
Toch legden de inwoners en het gemeentebestuur zich niet bij de toestand neer. Zij bleven zoeken naar een mogelijkheid om de school opnieuw te openen.
Een tweede begin
Voor de heropening werd gebruikgemaakt van artikel 19 van de onderwijswetgeving. De gemeente moest aantonen dat er voldoende behoefte aan de school bestond. Ook moest het gebouw worden hersteld en gemoderniseerd. Eerst werd daarvoor 4.000 gulden beschikbaar gesteld, later nog eens 1.000 gulden. Voor nieuwe leermiddelen werd 880 gulden uitgetrokken.
Het gebouw kreeg centrale verwarming. De afzonderlijke kachels die vroeger de lokalen verwarmden, waren daardoor niet langer de belangrijkste warmtebron. Ook werden nieuwe onderwijsbenodigdheden aangeschaft, waaronder tekenborden.
Op 4 oktober 1937 werd de school officieel heropend. J. van Essen werd het eerste hoofd van de nieuwe periode. Na ruim drie jaar kwamen opnieuw kinderen naar het schoolplein. De heropening liet zien hoeveel waarde de dorpsgemeenschap aan een eigen school hechtte. De omstandigheden waren wel veranderd. De katholieke school in De Weere bleef bestaan en het aantal leerlingen in Sijbekarspel was kleiner dan vroeger.
Het leven van de schoolkinderen
In de klas heerste een duidelijke orde. Kinderen moesten stilzitten, luisteren en hun opdrachten zorgvuldig uitvoeren. Leerkrachten zoals juffrouw De Bruck hielden streng toezicht. Lezen, schrijven, rekenen en tekenen vormden de kern van het onderwijs.
Buiten de lessen werd geknikkerd, gehinkeld, getold, touwtje gesprongen en met de bal gespeeld. Het schoolplein lag midden in het agrarische dorp. Weilanden, sloten, boerderijen en de dorpsweg waren vlakbij. Het plein was een van de weinige plaatsen waar veel kinderen van dezelfde leeftijd dagelijks bij elkaar kwamen.
In juli 1939 gingen de scholen van Sijbekarspel en Benningbroek gezamenlijk op reis naar Bergen. Voor kinderen die gewoonlijk dicht bij huis bleven, was zo’n schoolreis een bijzondere gebeurtenis. Het bos- en duinlandschap rond Bergen verschilde sterk van de open weilanden van hun eigen omgeving.
Een dorp dat langzaam veranderde
Aan het einde van de jaren dertig waren Benningbroek en Sijbekarspel geen volledig geïsoleerde boerendorpen meer. Elektriciteit en waterleiding hadden het leven in woningen en boerderijen veranderd. Fietsen, auto’s en een benzinepomp maakten duidelijk dat een nieuw tijdperk van vervoer was begonnen. Kinderen kregen onderwijs in verwarmde lokalen en winkels verkochten artikelen die enkele tientallen jaren eerder nog onbekend waren.
Toch bleef veel bij het oude. Op de boerderijen werd nog veel met de hand gewerkt. Koeien moesten worden gemolken, stallen uitgemest en hooi binnengehaald. Paarden trokken nog wagens over de dorpsweg. Woningen konden ondanks elektriciteit en waterleiding koud en tochtig zijn. Winkeliers, smeden en andere middenstanders moesten verschillende werkzaamheden combineren om voldoende inkomsten te verdienen.
De crisisjaren maakten duidelijk hoe kwetsbaar de plaatselijke economie bleef. Wanneer landbouwprijzen daalden, werden niet alleen de boeren getroffen. Ook knechten, arbeiders, winkeliers, ambachtslieden, scholen en gemeentelijke voorzieningen ondervonden de gevolgen.
De laatste vredeszomer
In de zomer van 1939 leek het gewone dorpsleven nog door te gaan. Kinderen gingen op schoolreis, boeren waren bezig met het land en de koeien, de smid werkte in zijn werkplaats en inwoners bezochten winkels, kerken en scholen. Oude en nieuwe werkwijzen bestonden naast elkaar.
In september 1939 brak in Europa oorlog uit. Nederland bleef aanvankelijk buiten de strijd, maar de mobilisatie en de internationale onzekerheid maakten duidelijk dat een nieuwe periode naderde. Voor Benningbroek en Sijbekarspel eindigde daarmee een lange ontwikkeling waarin de dorpen van vrijwel volledig agrarische gemeenschappen waren veranderd in plaatsen waar moderne voorzieningen langzaam onderdeel van het dagelijkse leven waren geworden.
Het verhaal tot 1940 kan hier eindigen. De dorpen stonden aan de grens van een nieuwe tijd. Achter hen lagen eeuwen van ontginning, waterbeheer, kerkelijk leven, lokaal bestuur, landbouw, ambacht en dorpsgemeenschap. Voor hen lag een oorlog die het bestaan opnieuw ingrijpend zou veranderen.Dit deel kan het beste vlak vóór het huidige slot over de vooravond van de oorlog worden geplaatst. Het vervangt enkele bestaande korte stukken over elektriciteit, waterleiding, de smederij en de school, zodat dezelfde informatie niet dubbel op de pagina komt.