Spierdijk tot 1940
Een West-Fries lintdorp tussen oud land, droogmakerij en katholieke gemeenschap
Spierdijk ontstond niet rond een marktplein, haven of kasteel. Het dorp groeide langzaam langs een dijk en een doorgaande weg. Boerderijen, arbeiderswoningen, werkplaatsen en later winkels, scholen en kerkelijke gebouwen kwamen verspreid langs die langgerekte bewoningsas te staan. Noord-Spierdijk, het midden van het lint en Zuid-Spierdijk vormden samen een dorp zonder duidelijk plein, maar met een sterke onderlinge samenhang. Aan weerszijden lagen sloten, weilanden, hooilanden, akkers en boerenerven. Ten westen bevond zich de Wogmeer, een voormalig meer dat in het begin van de zeventiende eeuw werd drooggelegd. Andere delen van het landschap bestonden uit ouder ontginningsland, waar bewoners al eeuwen eerder sloten hadden gegraven om het natte veen en de kleigrond bruikbaar te maken.
Op het eerste gezicht was Spierdijk lange tijd niet meer dan een reeks verspreide boerderijen en huizen. Toch ontstond hier een herkenbare gemeenschap. De katholieke kerk speelde daarin een grote rol, maar zij kon alleen functioneren dankzij boeren, ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers, zusters, arbeiders, kerkmeesters en vele gezinnen die geld, arbeid en tijd beschikbaar stelden. De geschiedenis van Spierdijk werd daardoor bepaald door drie nauw met elkaar verbonden krachten: land, water en gemeenschap. De bewoners moesten het land drooghouden, hun bedrijven voortzetten en tegelijk voorzieningen opbouwen voor geloof, onderwijs, armenzorg, gezondheidszorg en ouderdom. Juist die samenwerking maakte van het langgerekte lint een dorp met een duidelijke eigen identiteit.
De naam Spierdijk en het ontstaan van het landschap
De oudste bekende vermelding van Spierdijk dateert uit 1365. De naam werd toen geschreven als Spierdijck. In latere bronnen komt ook de schrijfwijze Spierdyck voor. Het woord spier wordt doorgaans verbonden met een taaie of stevige laag zeeklei, soms afgedekt door veen. Zulke grond kon worden gebruikt om een dijk op te hogen of te versterken. De plaatsnaam lijkt daarom rechtstreeks te verwijzen naar de bodem en naar de verhoogde lijn waarlangs de bewoning ontstond. De dijk was niet alleen een bescherming tegen water. In het natte landschap vormde hij ook een betrekkelijk droge route. Mensen konden erover reizen en bouwden er woningen en boerderijen. Vanaf de dijk liepen lange, smalle kavels het land in.
Sloten vormden de perceelgrenzen en voerden overtollig water af. Dat landschap was niet vanzelf geschikt voor landbouw. Door ontwatering droogde het veen uit, klonk het in en kwam het maaiveld steeds lager te liggen. Grond die aanvankelijk op natuurlijke wijze kon afwateren, moest later met kaden, sluizen en molens worden beschermd. Iedere generatie moest opnieuw voorkomen dat het water het gewonnen land terugnam. Het huidige landschap van lange kavels, rechte sloten, boerderijerven en dijken is daarom niet natuurlijk ontstaan. Het werd gemaakt door mensen die eeuwenlang groeven, maalden, ophoogden en herstelden. Spierdijk werd niet alleen op het land gebouwd; het dorp ontstond uit de voortdurende strijd om dat land bewoonbaar en bruikbaar te houden.
Een gemeenschap zonder eigen bestuur
Spierdijk was eeuwenlang geen zelfstandige bestuurlijke eenheid. De bewoners leefden langs dezelfde weg en bezochten later dezelfde katholieke kerk, maar konden tot verschillende bannen, heerlijkheden en gemeenten behoren. Delen van het lint waren verbonden met Berkhout. Andere delen vielen onder Obdam en Hensbroek of onder Spanbroek en Opmeer. Ook de Wogmeer was bestuurlijk verdeeld. Een deel van Spierdijk en het noordoostelijke gedeelte van de Wogmeer behoorden later tot de gemeente Obdam. Het zuidwestelijke deel van de droogmakerij was met Hensbroek verbonden. Daardoor konden mensen die dicht bij elkaar woonden voor belasting, rechtspraak, eigendomsoverdrachten, armenzorg en wegenonderhoud met verschillende overheden te maken hebben.
De wereldlijke grenzen vielen niet samen met de latere kerkelijke grenzen. Een inwoner kon bestuurlijk tot Berkhout behoren, terwijl hij voor de mis, een doop, huwelijk of begrafenis naar Spierdijk ging. Ook het onderhoud van sloten, wegen en kaden werd door afzonderlijke besturen en waterschappen geregeld. Juist de katholieke geloofsgemeenschap hielp Spierdijk uiteindelijk een sterkere eigen identiteit te ontwikkelen. Zij bracht bewoners bijeen die bestuurlijk verdeeld waren over omliggende gebieden. De kerk werd daardoor niet alleen een religieus middelpunt, maar ook een plaats waar mensen uit Noord-Spierdijk, Zuid-Spierdijk, de Wogmeer en naburige buurtschappen elkaar ontmoetten. De kerkelijke gemeenschap maakte van een bestuurlijk versnipperd lint steeds meer één dorp.
De drooglegging van de Wogmeer
Ten westen van Spierdijk lag de Wogmeer. Het meer was ontstaan in een gebied waar veengrond door afslag, bodemdaling en waterbeweging verloren was gegaan. In de jaren 1608 en 1609 werd de Wogmeer drooggelegd en verkaveld. Rond het water kwam een ringdijk en molens maalden de nieuwe polder droog. Daarna ontstond een regelmatig landschap van rechte sloten, wegen, kavels en boerenplaatsen. De droogmakerij verschilde van het oudere land rond Spierdijk. Het oude ontginningsland volgde gedeeltelijk oudere landschappelijke lijnen, terwijl de Wogmeer planmatiger kon worden ingericht. Waar eerst open water had gelegen, verschenen landbouwgronden die door menselijke techniek en voortdurend onderhoud bruikbaar moesten blijven.
De drooglegging bracht nieuwe landbouwgrond en nieuwe boerenbedrijven. Bewoners van de Wogmeer waren voor hun kerk, onderwijs, ambachtslieden en een deel van hun dagelijkse voorzieningen op Spierdijk aangewezen. Andersom konden families uit Spierdijk grond pachten of bezitten in de droogmakerij. De verbondenheid werd later zichtbaar in het kerkelijke bestuur. De katholieke gemeenschap bestond uit drie delen: Noord-Spierdijk, Zuid-Spierdijk en Wogmeer. Ieder deel wees eigen kerkvoogden aan. De Wogmeer was dus geen los gebied naast het dorp, maar een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke en kerkelijke wereld van Spierdijk. Familiebanden, grondbezit, arbeid, wegen en geloof verbonden het nieuwe polderland met het oude bewoningslint.
Het boerenbedrijf als economische basis
Landbouw vormde eeuwenlang de economische basis van Spierdijk. De meeste inwoners waren boer, boerenknecht, landarbeider of werkzaam in een beroep dat het boerenbedrijf ondersteunde. De natte bodem was vooral geschikt voor grasland en melkveehouderij. Koeien leverden melk, die op de boerderij werd verwerkt tot boter en kaas of naar een handelaar of zuivelfabriek werd gebracht. Daarnaast hielden boeren paarden, schapen, varkens en kippen. Het boerenjaar volgde de seizoenen. In het voorjaar ging het vee naar buiten. In de zomer werd gemaaid en gehooid. Het hooi moest droog in de boerderij worden opgeslagen als wintervoer. In het najaar werden sloten geschoond, gewassen geoogst en erven op de winter voorbereid.
Tijdens de winter stond het vee op stal. Melken gebeurde met de hand. De boerin en de inwonende meiden hadden een groot aandeel in het melken, de boter- en kaasbereiding, de moestuin, het huishouden en de verzorging van de kinderen. Boerenknechten hielpen met maaien, hooien, mest uitrijden, sloten schonen en het verzorgen van paarden en vee. Niet iedere boer bezat zijn land. Sommige bedrijven werden gepacht. Een slechte oogst, veeziekte, storm of daling van de melk- en kaasprijzen kon daarom grote gevolgen hebben. Behalve het gezin moesten ook pacht, belastingen en waterschapslasten worden betaald. Het bestaan van een boerenfamilie hing af van arbeid, gezondheid, weersomstandigheden en de opbrengst van land en vee.
Stolpboerderijen langs de dijk
De stolpboerderij werd het kenmerkende bedrijfsgebouw van Spierdijk. Wonen, stallen, werken en hooiberging waren onder één groot piramidevormig dak samengebracht. In het midden stond het houten vierkant, de dragende constructie waarbinnen het hooi hoog kon worden opgestapeld. Daaromheen lagen de koestal, de dars, werkruimten en de woonvertrekken. Via de grote darsdeur konden wagens naar binnen rijden. De stolp was daardoor zowel woning als werkplaats, opslagplaats en stal. Mensen, dieren, voer en gereedschappen bevonden zich dicht bij elkaar. Vooral in de winter speelde een groot deel van het dagelijks leven zich binnen de boerderij af.
Voor de stolp lag meestal een erf met bomen en een sloot. Een brug verbond het erf met de weg. Achter de boerderij strekten de lange kavels zich uit. Op het erf konden schuren, een hooiberg, een varkenshok en een wagenloods staan. Deze boerderijen waren niet alleen bedrijfsgebouwen. Zij waren ook het middelpunt van gezinnen waarin meerdere generaties, knechten en meiden samen konden wonen en werken. Een belangrijk later voorbeeld was de Wilhelmina Hoeve uit 1898. Ook in de Wogmeer stonden grote boerenplaatsen. De stolpen bepaalden daardoor niet alleen het landschap, maar ook het ritme en de sociale verhoudingen van het dorp.
Waternood en verlies van vee
Het water bleef een voortdurende bedreiging. Sloten moesten worden uitgebaggerd, duikers opengehouden en kaden gecontroleerd. Verwaarlozing door één grondeigenaar kon ook het land van zijn buren treffen. Waterbeheer was daarom een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De bewoners betaalden lasten, verrichtten onderhoud en waren afhankelijk van molens en bestuurders die het waterpeil regelden. Wanneer langdurige regen, storm of hoge buitenwaterstanden samenvielen, kon het zorgvuldig ingerichte landschap toch worden bedreigd. Dijken, kaden en sluizen gaven bescherming, maar geen absolute zekerheid. Voor boeren was wateroverlast bijzonder schadelijk omdat niet alleen het land, maar ook het vee en de opgeslagen wintervoorraden gevaar liepen.
Tijdens de zware storm van 1 november 1674 vielen op verschillende plaatsen torens om en stortten kerkgebouwen in. Ook het kleine katholieke kerkje van Spierdijk werd getroffen. De toren viel om en het gebouw stortte gedeeltelijk in. Een jaar later volgde opnieuw een zware noordwesterstorm. In november 1675 kwamen grote gebieden onder water te staan. Rond Spierdijk verdronken volgens de parochiegeschiedenis ongeveer 72 runderen. In Berkhout gingen achttien dieren verloren en in Grosthuizen 21. Voor een boerengezin betekende het verlies van een koe ook minder melk, boter, kaas, fokvee en inkomsten. Een waternood kon daardoor het bestaan van een bedrijf jarenlang ontwrichten.
De Reformatie en het verborgen katholieke geloof
In de zestiende eeuw veranderde het godsdienstige en politieke landschap. Door de Reformatie en de Nederlandse Opstand verloor de rooms-katholieke kerk haar openbare positie in Holland. Katholieken mochten hun geloof niet vrij in zichtbare kerkgebouwen uitoefenen. Priesters droegen de mis op in woningen, boerderijen, kelders en op zolders. Wanneer zij werden ontdekt, konden boetes en verbanning volgen. Holland werd voor de katholieke kerk een missiegebied. De oude kerkelijke organisatie was grotendeels verdwenen en moest in het verborgene opnieuw worden opgebouwd. Plaatselijke overheden traden niet overal even streng op, maar katholieke bijeenkomsten bleven afhankelijk van voorzichtigheid en gedogen.
Toch bleef een groot deel van de bevolking van Spierdijk en omgeving katholiek. De verspreide boerderijen en hechte familieverbanden boden mogelijkheden om priesters onderdak te geven en gelovigen bijeen te brengen. Een mis kon worden opgedragen in een ruimte die aan de buitenzijde niet als kerk herkenbaar was. De bewoners droegen bij aan het onderhoud van priesters en kerkelijke voorzieningen. Op die manier bleef het geloof bestaan zonder openbare toren, klok of kerkplein. Deze verborgen periode is belangrijk voor het ontstaan van Spierdijk als katholiek centrum. Juist doordat de gelovigen hun gemeenschap onder moeilijke omstandigheden in stand hielden, kon later een vaste statie ontstaan.
Simon Janszoon en het begin van de statie
Een centrale figuur was Simon Janszoon, later ook Simon Johannes Spanbroek genoemd. Hij kwam uit Spanbroek, studeerde in Keulen voor priester en werd door apostolisch vicaris Sasbout Vosmeer naar Holland gezonden. Rond 1607 ontstond in Spierdijk een katholieke statie. De plaatselijke kerkgeschiedenis spreekt van de stichting van een parochie, maar in kerkelijk-bestuurlijke zin ging het aanvankelijk om een missiepost of statie. Simon Janszoon werd de eerste priester. Het eerste kleine kerkgebouw stond aan de Noordspierdijkerweg, bij de Kapelleweg. Hij liet dit eenvoudige bidhuis waarschijnlijk gedeeltelijk uit eigen middelen bouwen.
Bij een visitatie in 1631 bleek dat Simon Janszoon al ongeveer 26 jaar verantwoordelijk was voor Spierdijk, Berkhout, Bobeldijk, de Wogmeer en de Obdammermeer. Zijn gemeenschap telde ongeveer vijfhonderd communicanten. Op 1 januari 1632 begon het eerste bewaarde doopboek. De eerste ingeschreven dopeling was een dochter van Victor Janszoon en Antonia Pieterse. Zo’n doopboek legde niet alleen kerkelijke handelingen vast, maar ook families en sociale verbanden. Simon Janszoon overleed op 13 april 1640 en werd begraven in de kerk van Wadway. Zijn werk had toen de basis gelegd voor een blijvende katholieke organisatie in Spierdijk.
Een groot verzorgingsgebied valt uiteen
Na Simon Janszoon werd Johannes Vosbeek priester van Spierdijk. Hij wilde ook de katholieken van Zuidermeer, De Goorn en Berkhout blijven bedienen. In Zuidermeer verbleven echter drie priesters op een plek die het Popennest werd genoemd. Uiteindelijk mocht Cornelis van der Meer daar zelfstandig de zielzorg verzorgen. In De Goorn en Berkhout werkte de dominicaan Augustinus Leers. Daarmee werd duidelijk dat het oorspronkelijke verzorgingsgebied van Spierdijk te groot was om één kerkelijke eenheid te blijven. In de loop van de tijd ontstonden nieuwe staties en later zelfstandige parochies.
Na Simon Janszoon en Johannes Vosbeek volgden onder anderen Michaël Braver, Engelbertus de Vanger, Lambertus Gent, Adrianus J. van Berghen, Adrianus van Berghen de Jongere, Jacobus Snoek, Theodorus van den Boer en Cornelis Kuiper. Deze priesters leidden niet alleen de missen. Zij doopten kinderen, bezochten zieken, sloten huwelijken, hielden registers bij, ondersteunden armen en vertegenwoordigden de gemeenschap tegenover kerkelijke en wereldlijke autoriteiten. Hun lange reeks toont dat de katholieke statie ondanks stormschade, politieke beperkingen en veranderende grenzen bleef bestaan. Spierdijk groeide zo uit tot een duurzaam kerkelijk centrum.
Het houten kerkje van 1765
Na de stormschade werd het oude kerkgebouw eenvoudig hersteld. In de achttiende eeuw raakten zowel het preekhuis als de priesterwoning bouwvallig. De katholieke gemeenschap wilde een nieuw gebouw, maar moest daarvoor toestemming vragen aan de Staten van Holland. Op 15 oktober 1765 werd die toestemming verleend. Het nieuwe gebouw mocht aan de buitenzijde niet duidelijk op een openbare kerk lijken en mocht geen hinder veroorzaken. De katholieken kregen dus nog geen volledige vrijheid om een grote zichtbare kerk te bouwen. Hun eredienst werd gedoogd, maar bleef aan beperkingen gebonden.
Er kwam een houten kerkje met een rieten dak en een kleine pastorie. Het stond aan de Spierdijkerweg, vóór de latere begraafplaats. In 1827 kreeg het gebouw een kleine klokkentoren. Hoewel het kerkje eenvoudig was, vormde het het hart van de gemeenschap. Hier werden kinderen gedoopt, huwelijken ingezegend en overledenen herdacht. De klok maakte het katholieke leven bovendien hoorbaar in het landschap. Zij riep mensen naar de mis en luidde bij overlijden. Het kleine kerkgebouw gaf het lange bewoningslint voor het eerst een duidelijk kerkelijk middelpunt.
Kerkvoogden, koster en organist
Een rekeningboek vanaf 1799 toont dat de statie was verdeeld in Noord-Spierdijk, Zuid-Spierdijk en Wogmeer. Ieder deel koos twee kerkvoogden. Zij beheerden samen met de priester de inkomsten, uitgaven, gebouwen en bezittingen. De organisatie was dus niet alleen afhankelijk van de pastoor. Bewoners uit verschillende delen van het verzorgingsgebied droegen verantwoordelijkheid voor het bestuur. Dat versterkte de onderlinge verbondenheid tussen het oude lint en de droogmakerij. De kerk werd betaald en onderhouden door de gemeenschap die zij bediende.
In de rekeningen kwamen betalingen voor aan de koster, de organist, de orgeltrapper en verschillende werklieden. Daarmee was de kerk ook een plaatselijke organisatie en werkgever. Timmerlieden, metselaars, schilders en andere ambachtslieden werden ingeschakeld voor reparaties en onderhoud. Aan de overzijde van de weg ontstond de katholieke begraafplaats, de Godsakker. Kerk, pastorie en begraafplaats vormden samen het geestelijke middelpunt van Spierdijk. De kerk begeleidde de bewoners daardoor van geboorte en doop tot de begrafenis op gewijde grond.
De stenen Sint-Georgiuskerk
In de negentiende eeuw werd het houten kerkje te klein en te bouwvallig. De katholieke gemeenschap was gegroeid en verlangde naar een zichtbare stenen kerk. In 1849 kon eindelijk met de bouw worden begonnen. Architect Wolterus van der Horst ontwierp een driebeukige hallenkerk in neoclassicistische stijl. De drie beuken kwamen onder één dak te liggen. Boven de voorgevel stond een kleine klokkentoren. De bouw begon in juni 1849 en in augustus 1850 werd de kerk ingewijd. De patroonheilige werd Sint Georgius, ook Sint Joris genoemd, die traditioneel werd voorgesteld als de ridder die een draak verslaat.
De nieuwe kerk betekende meer dan een groter gebouw. Zij maakte zichtbaar dat de katholieke gemeenschap haar plaats in het openbare leven terugkreeg. Waar eerdere generaties in onopvallende kerkruimten bijeen waren gekomen, stond nu een herkenbare kerk langs de hoofdweg. De bouw vroeg echter grote financiële offers. Parochianen moesten geld bijeenbrengen en leningen aangaan. Ook materialen, arbeid en inrichting moesten worden betaald. De kerk werd daardoor een gezamenlijk dorpsproject waarin bestuurders, ambachtslieden, boerenfamilies en schenkers ieder een aandeel hadden.
Cornelis Meyer en de dagelijkse bouwleiding
Begin april 1849 werd de bouwplaats gereedgemaakt. Op 11 april werd Cornelis Meyer uit de Wogmeer aangesteld als dagelijks opzichter. Hij was meestertimmerman én organist van de kerk. Voor zijn toezicht ontving hij tien gulden per week totdat de kerk en pastorie onder dak waren. De combinatie van timmerman en organist laat zien hoe plaatselijke functies in één persoon konden samenkomen. Meyer kende zowel de praktische bouw als het kerkelijke leven waarvoor het gebouw bestemd was.
De aanbesteding vond op 18 april in Haarlem plaats. Jan Wester uit Utrecht nam het werk aan voor 46.300 gulden. De parochianen brachten zelf door vrijwillige intekening ongeveer 16.000 gulden bijeen. Op 29 juni 1849, de feestdag van Petrus en Paulus, werd de eerste steen gelegd. Niet één bestuurder, maar veertien jongens uit de parochie, tussen drie en negen jaar oud, namen aan de plechtigheid deel. Hun namen werden in de kerk vastgelegd. Ingenieur P. Colland controleerde de bouw voordat nieuwe betalingstermijnen werden vrijgegeven. Op 29 november 1851 vond de definitieve opleveringskeuring van kerk en pastorie plaats.
De inrichting door parochianen
Na de bouw moest de kerk worden ingericht. De pastoor schonk een godslamp. De kerkmeesters betaalden samen een nieuwe klok, vervaardigd door A.H. Bosman uit Enkhuizen. De klok werd aan Sint Georgius toegewijd en op 5 augustus 1850 ingezegend. De bouwcommissie schonk een torenuurwerk met wijzerplaten. De knecht van de pastoor, Jan Deuterman, ontving jaarlijks tien gulden voor het opwinden van het uurwerk en het luiden van de klok. Daarmee werden tijd, misviering en dorpsleven met elkaar verbonden.
Ook plaatselijke families droegen bij. Hildebrand Klover en Agie Punt schonken drie kroonluchters. Pieter van Kampen en Agie Bijvoet betaalden het tabernakel. Pieter Jansz. Ruiter en Aaltje Groot schonken vergulde kandelaars. Arie Ruiter en Neeltje Duin gaven een zilveren kruis met een verguld corpus. De weduwe van Jan Groot en de weduwe van Jan de Boer schonken armblakers voor de kerkmuren. Kerkmeester Van Diepen gaf zes grote kandelaars. Op 8 december 1850 werden de zitplaatsen verhuurd. De mannenbanken en vrouwenstoelen leverden samen 1.120 gulden op. De vrouw van Pieter Groot nam het wekelijkse schoonmaken van de kerk aan voor 44 gulden per jaar.
Een katholieke arts naast de kerk
Ten zuiden van de kerk werd grond verkocht aan Tullenes, die geneesheer, heelmeester en vroedmeester was. Bij de verkoop werd bepaald dat het huis niet als herberg of tapperij mocht worden gebruikt. Alleen een rooms-katholieke geneeskundige mocht er wonen. De bepaling toont hoe de parochie probeerde eigen medische voorzieningen op te bouwen. Men wilde niet alleen een kerk en school, maar ook een arts die binnen de katholieke gemeenschap paste. In een tijd waarin religieuze opvattingen rond geboorte, ziekte en overlijden zwaar wogen, werd de geloofsovertuiging van de geneesheer belangrijk gevonden.
Een arts die tevens heelmeester en vroedmeester was, speelde een belangrijke rol bij geboorten, verwondingen, ziekten en sterfgevallen. Moderne ambulance- en ziekenhuiszorg bestonden nog niet. De dokter moest vaak zelf naar boerderijen en woningen reizen. Hij werkte samen met familieleden, vroedvrouwen en geestelijken. De vestiging van Tullenes laat zien dat Spierdijk zich in de negentiende eeuw ontwikkelde van een verspreid boerenlint tot een gemeenschap met eigen medische en maatschappelijke voorzieningen.
Van statie naar officiële parochie
Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland konden katholieke staties officieel tot parochies worden verheven. Spierdijk werd in 1858 formeel de rooms-katholieke parochie van de Heilige Georgius. De bestaande gemeenschap kreeg daarmee een vaste kerkelijke status met een pastoor, kerkbestuur en eigen administratie. Wat in de praktijk al eeuwen bestond, werd nu officieel erkend. De overgang betekende dat Spierdijk niet langer alleen als missiepost functioneerde, maar als een volwaardige parochie binnen de Nederlandse katholieke kerk.
De kerkelijke organisatie omvatte niet alleen de eredienst. Zij hield zich ook bezig met armenzorg, onderwijs, jeugdwerk en later ouderenzorg. Het parochiearchief bevat daardoor niet alleen stukken over missen en gebouwen, maar eveneens over het rooms-katholieke armbestuur, kerkmeesters, verenigingen en zorginstellingen. De parochie werd een organisatie die vrijwel iedere levensfase begeleidde. Zij bepaalde mede waar kinderen naar school gingen, hoe armen ondersteuning kregen en welke maatschappelijke voorzieningen in het dorp werden opgebouwd.
De kerk groeit verder
De kerk van 1850 was al snel te klein. In 1864 en 1865 werd zij uitgebreid met een nieuw koor en een sacristie. In 1875 werd een orgel van de Alkmaarse orgelmaker Lodewijk Ypma geplaatst. Het instrument begeleidde missen, huwelijken, priesterfeesten en begrafenissen. De organist en orgeltrapper zorgden samen voor de muziek en de luchttoevoer. Het Ypma-orgel werd een belangrijk onderdeel van de kerkelijke cultuur. Muziek maakte plechtigheden indrukwekkender en bracht zangers en parochianen samen.
In 1885 telde de parochie 1.609 parochianen. In dat jaar werden zestig kinderen gedoopt en overleden 31 parochianen. De kerk was opnieuw te klein. Architect Adrianus Cornelis Bleijs ontwierp een hoog transept met veelhoekige armen, een nieuw koor en een sacristie. Hij koos voor neorenaissancevormen. Op 13 juni 1887 werd de eerste steen gelegd. Op 24 juni 1889 werd de vergrote kerk ingewijd. De hoge uitbreiding stak duidelijk boven het oudere lage schip uit. Daarmee werd de groei en het zelfbewustzijn van katholiek Spierdijk zichtbaar in het landschap.
Armenzorg en onderlinge hulp
Het rooms-katholieke armbestuur ondersteunde gezinnen die door ziekte, ouderdom, overlijden of werkloosheid in moeilijkheden waren gekomen. Hulp kon bestaan uit geld, voedsel, brandstof, kleding of betaling van medische kosten. Weduwen, wezen en langdurig zieken waren vaak afhankelijk van familie, buren en kerkelijke ondersteuning. In een samenleving zonder uitgebreide sociale verzekeringen kon een tegenslag een gezin snel in armoede brengen. Het verlies van een kostwinner, mislukte oogst of langdurige ziekte betekende dat inkomsten wegvielen terwijl kosten bleven bestaan.
De zorg ging ook gepaard met toezicht. Kerkmeesters en armbestuurders bepaalden wie hulp kreeg en hoe lang. De parochie was daardoor zowel steunpunt als gezagsinstelling. Hulp werd niet altijd als een recht beschouwd, maar als ondersteuning die op basis van omstandigheden en gedrag werd toegekend. Toch was het armbestuur voor veel inwoners onmisbaar. Het vormde een vangnet voordat landelijke en gemeentelijke sociale voorzieningen zich ontwikkelden. Armenzorg was daarmee een belangrijk onderdeel van de positie van de kerk in Spierdijk.
De franciscanessen komen naar Spierdijk
Uit de nalatenschap van pastoor Liket moest binnen tien jaar een liefdegesticht en een bewaarschool worden opgericht. De parochie zocht contact met franciscanessen uit het Duitse Salzkotten. Op 10 september 1895 arriveerden vijf zusters in Spierdijk. Zes dagen later werd hun kapel ingewijd. De komst van de zusters veranderde het dorp ingrijpend. Zij brachten onderwijs, kinderopvang, handwerkonderricht en zorg samen in één katholieke instelling. Hun klooster werd naast de kerk een nieuw centrum van dagelijks leven.
De zusters begonnen een bewaarschool voor jonge kinderen en gaven naailessen aan oudere meisjes. Daarnaast verzorgden zij ouderen, zieken en hulpbehoevenden. Hun kloosterkleding werd een vertrouwd onderdeel van het dorpsbeeld. Kinderen ontmoetten hen op school, zieken aan het bed en ouderen in het gesticht. De zusters brachten een vorm van georganiseerde zorg die verder ging dan familie- en burenhulp. Tegelijk bleven zij onderdeel van de katholieke verzuiling: onderwijs, opvoeding en zorg moesten plaatsvinden binnen de eigen geloofsgemeenschap.
De katholieke meisjesschool
Op 1 december 1897 opende de lagere school voor meisjes. Vierendertig kinderen verlieten daarvoor de openbare school. De overstap toont hoe groot de wens was om katholieke kinderen binnen de eigen geloofsomgeving te onderwijzen. De meisjes leerden lezen, schrijven, rekenen en godsdienst. Daarnaast kregen handwerken, orde, gehoorzaamheid en voorbereiding op het huishouden veel aandacht. De school vormde meisjes niet alleen tot leerlingen, maar ook volgens de toenmalige opvattingen tot toekomstige katholieke echtgenotes, moeders en huishoudsters.
Rond 1899 keerde de plaatselijke geestelijkheid zich tegen de voorgenomen Leerplichtwet. Men vreesde aantasting van het ouderlijk gezag. In boerengezinnen speelde bovendien mee dat kinderen geregeld thuis of op het land hielpen. De Leerplichtwet werd in 1901 toch ingevoerd. Regelmatig schoolbezoek werd daardoor steeds meer de norm. De overheid kreeg meer invloed op het leven van kinderen, terwijl de parochie probeerde die verplichting binnen eigen katholieke scholen vorm te geven. Zo raakten kerk, gezin en staat nauwer met elkaar verweven.
Spierdijk rond 1900
Omstreeks 1900 telde de parochie ongeveer 1.600 leden. In dat jaar werden vijftig kinderen gedoopt, deden 43 kinderen hun eerste communie en overleden veertig parochianen. Er werden ongeveer 12.200 communies uitgereikt. De cijfers tonen hoe sterk het katholieke leven in het dorp was. Doop, communie, huwelijk, ziekenzalving en begrafenis begeleidden de mensen van geboorte tot dood. De zondagse mis was daarnaast een belangrijk sociaal ontmoetingsmoment. Mensen zagen familieleden, bespraken nieuws en ontmoetten bewoners uit andere delen van het uitgestrekte parochiegebied.
In 1907 werd een verdieping op het zusterhuis geplaatst. De aannemers J.S. Wijte en P. Wijte waren bij het werk betrokken. De uitbreiding bood meer ruimte voor zusters, onderwijs en verzorging. Plaatselijke vaklieden werden zo onderdeel van de verdere ontwikkeling van kerkelijke voorzieningen. De bouwactiviteit toont dat Spierdijk rond 1900 geen stilstaand dorp was. De bevolking groeide, onderwijs werd uitgebreid en de zorg kreeg een steeds grotere plaats. Kerk, klooster, school en boerenlint vormden samen een gemeenschap die zich organisatorisch steeds verder ontwikkelde.
Winkels, werkplaatsen en cafés
Spierdijk leefde niet uitsluitend van landbouw. Langs de weg ontstond een plaatselijke middenstand. Bakkers bakten brood. Slagers verwerkten vee. Kruideniers verkochten koffie, thee, suiker, meel, zeep, petroleum en andere dagelijkse goederen. Smeden besloegen paarden en repareerden ploegen, wagens en landbouwwerktuigen. Timmerlieden, metselaars en schilders werkten aan boerderijen, scholen, woningen en kerkelijke gebouwen. Schoenmakers, kleermakers en wagenmakers voorzagen in andere behoeften. Deze beroepen waren nauw verbonden met het boerenbedrijf, maar gaven het dorp ook een eigen economische structuur.
Cafés en herbergen waren ontmoetingsplaatsen. Er werden zaken besproken, verenigingen opgericht en feesten gehouden. Tijdens de kermis stonden muziek en dans centraal. Goederen werden soms op rekening gekocht. De winkelier kreeg zijn geld nadat vee, melk, boter of kaas was verkocht. Daardoor waren economische en persoonlijke relaties sterk met elkaar verweven. De bakker, smid, kruidenier en herbergier kenden hun klanten en hun omstandigheden. De middenstand vormde zo niet alleen een verzameling bedrijven, maar ook een sociaal netwerk waarin nieuws, krediet en onderlinge hulp werden uitgewisseld.
Wegen, schuiten en nieuwe vervoermiddelen
De Spierdijkerweg vormde de centrale verbinding van het dorp. Eerst werd hij gebruikt door voetgangers, ruiters, boerenwagens en hondenkarren. Ook vervoer over water bleef belangrijk. Via sloten en vaarten werden hooi, mest, turf, bouwmateriaal en landbouwproducten verplaatst. Een schuit kon zware lasten gemakkelijker vervoeren dan een wagen over een slechte of modderige weg. De watergangen waren daardoor niet alleen onderdeel van de afwatering, maar ook van het economische verkeer. Boerenerven lagen vaak met een brug aan de weg en met een vaarverbinding aan de achterzijde.
Later verschenen fietsen, auto’s en autobussen. De fiets vergrootte de bewegingsvrijheid. Bewoners konden sneller naar Obdam, Hoorn, Avenhorn of Heerhugowaard. Nabijgelegen spoorverbindingen maakten verder vervoer mogelijk, hoewel Spierdijk zelf geen groot station kreeg. Het dorp werd daardoor minder geïsoleerd. Mensen konden buiten Spierdijk werken, onderwijs volgen of markten bezoeken. Tegelijk bleef het oude vervoer nog lang bestaan. Paardenwagens, schuiten, fietsen en motorvoertuigen gebruikten gedurende tientallen jaren naast elkaar hetzelfde landschap.
Pastoor Nix en de eerste auto
Pastoor W.M. Nix speelde in het begin van de twintigste eeuw een belangrijke rol bij onderwijs en zorg. In 1914 verkocht hij zijn paard en kocht hij een Ford. De auto moet in het dorp veel aandacht hebben getrokken. Een motorvoertuig was nog geen gewone verschijning langs de Spierdijkerweg. De aanschaf liet zien dat ook de pastorie gebruik ging maken van moderne techniek. Voor de pastoor betekende de Ford dat hij sneller zieken, afgelegen gezinnen en kerkelijke bijeenkomsten buiten het eigenlijke dorpslint kon bezoeken.
De aanschaf markeerde ook de overgang naar een nieuwe tijd. Paard en wagen bleven nog lang bestaan, maar motorvoertuigen verschenen steeds nadrukkelijker in het dorpsbeeld. De pastoor stond daardoor niet alleen voor oude kerkelijke tradities, maar ook voor modernisering. Onder zijn leiding werden plannen gemaakt voor nieuwe scholen, wijkverpleging en andere voorzieningen. Spierdijk bleef katholiek en agrarisch, maar raakte steeds sterker verbonden met de technische en maatschappelijke veranderingen van de twintigste eeuw.
De Eerste Wereldoorlog
Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, bleef Nederland neutraal. Toch werden ook mannen uit Spierdijk gemobiliseerd. Gezinnen moesten het boerenbedrijf of de werkplaats zonder hen voortzetten. Voedsel, brandstof, veevoer, petroleum en kunstmest werden schaarser. Prijzen stegen en bouwmaterialen waren moeilijk verkrijgbaar. Voor boeren betekende de oorlog een onzekere combinatie van hogere verkoopprijzen en stijgende kosten. Voor arbeiders en arme gezinnen betekende de schaarste dat dagelijkse benodigdheden moeilijker betaalbaar werden. Distributie en overheidsmaatregelen drongen steeds verder door in het dorpsleven.
In 1915 hielden paters-redemptoristen een grote parochiemissie. In tien dagen werden ongeveer vierduizend communies uitgereikt. Meer dan tweehonderd mensen sloten zich aan bij de Broederschap van de Heilige Familie. In 1918 telde de parochie ongeveer achttienhonderd mensen. Er werden 52 kinderen gedoopt, 59 kinderen deden hun eerste communie, acht huwelijken werden gesloten en 35 overledenen vanuit de kerk begraven. Ondanks mobilisatie, schaarste en onzekerheid bleef de parochie groeien en vormde het geloof een belangrijk houvast.
De Sint-Martinusschool
In 1913 werd besloten een afzonderlijke katholieke jongensschool te bouwen. Door de oorlog en financiële problemen liep het project vertraging op. In 1916 kreeg J. Duin de opdracht een school met drie lokalen en een onderwijzerswoning te bouwen voor 28.500 gulden. De bouw was een grote investering voor de parochie. Jongens hoefden daardoor niet langer samen met meisjes of op een openbare school onderwijs te volgen. De katholieke gemeenschap kreeg meer controle over de opvoeding en vorming van haar kinderen.
Op 18 januari 1917 legde pastoor Nix de eerste steen. Op de gedenksteen stonden ook de namen van de kerkbestuurders P. Schilder, Jacob Buijs, P. Buijs Tzn. en N. Duin. De school kreeg de naam Sint-Martinusschool. Hier ontvingen de jongens lager onderwijs binnen een katholieke omgeving. In 1928 begon de bouw van drie extra lokalen. Tegelijk werd in het gehele gebouw warmwaterverwarming aangelegd. Daarmee kreeg Spierdijk een voor die tijd moderne school. De uitbreiding wijst op een groeiend leerlingenaantal en op het belang dat de parochie aan onderwijs hechtte.
Elektriciteit, zang en kerkelijke functies
In 1919 werd elektriciteit in de kerk aangelegd. Avondvieringen waren daardoor niet langer geheel afhankelijk van kaarsen en petroleumlampen. Elektrisch licht veranderde de sfeer van het kerkinterieur en maakte bijeenkomsten praktischer. De modernisering vond plaats zonder dat oude gebruiken onmiddellijk verdwenen. Kaarslicht, orgelmuziek en elektrische verlichting bestonden naast elkaar. De kerk werd zo een plaats waar traditie en techniek elkaar ontmoetten.
In hetzelfde jaar was J.G. Lukken veertig jaar directeur van het zangkoor. Later werden Jan Knijn koordirecteur en B. Coorls organist. Het koor verzorgde de muziek tijdens missen, huwelijken, uitvaarten en priesterfeesten. De repetities waren ook sociale bijeenkomsten voor mannen uit verschillende buurten en boerenfamilies. W. Komen werd benoemd tot doodgraver. Hij onderhield de begraafplaats en collecteerde in de kerk wanneer de kerkmeesters afwezig waren. Een brand- en inbraakwerende tabernakelkast werd per spoor naar Hoorn vervoerd en vandaar naar Spierdijk gebracht.
Dokter Bloem
In 1924 vroeg een plaatselijk Comité van Actie het kerkbestuur mee te werken aan de vestiging van een katholieke geneesheer. Uiteindelijk vestigde dokter Bloem zich in Spierdijk. Daarmee kreeg het dorp opnieuw een eigen arts. Zijn naam bleef later in de Dokter Bloemstraat voortleven. De komst van een arts was belangrijk in een tijd waarin vervoer naar een ziekenhuis moeilijk kon zijn. Een ongeluk op het land, een moeilijke bevalling of plotselinge ziekte vroeg om hulp dicht bij huis.
De dokter behandelde zieken, hielp bij ongevallen en werkte samen met vroedvrouwen en religieuze verzorgsters. Zijn vestiging paste in een bredere ontwikkeling waarbij Spierdijk steeds meer eigen voorzieningen kreeg. Kerk, scholen, zusters en arts maakten het dorp minder afhankelijk van grotere plaatsen. Tegelijk bleef de katholieke identiteit belangrijk. Het initiatief voor de arts kwam uit kerkelijke kring en sloot aan bij de wens om zorg binnen de eigen geloofsgemeenschap te organiseren.
Het rustoord Sint-Theresia
Rond 1930 ontstond het plan om een nieuw huis voor ouderen en hulpbehoevenden te bouwen. Omdat bisschoppelijke goedkeuring uitbleef, reisden kerkmeesters W.P. Oudejans en Jacob Buijs, dokter Bloem en de heer Overtoom op 10 februari 1930 naar Haarlem. Later die maand kwam de toestemming. De franciscanessen zouden de verzorging op zich nemen. Na onderzoek van bestaande rusthuizen en toestemming om geld te lenen werd de bouw aanbesteed. Het project vroeg veel overleg, geld en organisatorische inzet.
G. Kuypers uit Hoogwoud schreef in voor 84.920 gulden en kreeg de opdracht. Op 10 januari 1931 werden proefpalen geslagen. Op 16 februari begon het heien en op 11 maart verdween de laatste paal in de grond. De pastoor legde op 9 juli 1931 de eerste steen. Het huis werd onder bescherming gesteld van Theresia van Lisieux. Op 28 april 1932 werd rustoord Sint-Theresia plechtig ingewijd. Priesters, gemeentebestuurders, zusters en parochianen woonden de opening bij. Het gebouw werd een nieuw herkenningspunt in het dorpslint.
Bewoners en dagelijkse zorg in Sint-Theresia
Het huis bood plaats aan ouderen, chronisch zieken en mensen die niet zelfstandig konden leven. Tussen 1923 en 1938 verbleven in de bestaande zorg gemiddeld ongeveer 45 mensen; in 1936 werden 58 bewoners genoemd. De zusters zorgden voor huisvesting, maaltijden, verpleging en geestelijke begeleiding. Dokters- en ziekenhuiskosten kwamen meestal voor rekening van bewoners of familieleden. Wanneer iemand arm was, kon het rooms-katholieke armbestuur bijdragen. Zo kwamen ouderenzorg, gezondheidszorg en armenzorg binnen één katholiek netwerk samen.
Sint-Theresia werd een belangrijke instelling voor Spierdijk en de omliggende dorpen. Het bracht werkgelegenheid en trok familieleden, artsen en leveranciers naar het dorp. De zusters moesten hun werkzaamheden uitbreiden en nieuwe religieuzen kwamen naar Spierdijk. Voor veel bewoners betekende het rustoord dat zij in hun eigen omgeving oud konden worden. De zorginstelling maakte bovendien zichtbaar dat de parochie zich niet alleen op het geestelijke leven richtte, maar ook op praktische hulp bij ouderdom, ziekte en afhankelijkheid.
Het Wit-Gele Kruis en zorg aan huis
Niet iedereen kon in een gesticht of rustoord worden opgenomen. Daarom groeide de behoefte aan wijkverpleging. Pastoor Nix probeerde verpleegsters van het katholieke Wit-Gele Kruis naar Spierdijk te krijgen. Zij konden zieken thuis verzorgen, kraamvrouwen ondersteunen en voorlichting geven over hygiëne en kinderverzorging. De pogingen lukten aanvankelijk niet volledig, maar tonen dat het dorp aansluiting zocht bij professionele gezondheidszorg. Zorg moest niet alleen in een instelling worden gegeven, maar ook op afgelegen boerderijen en in arbeiderswoningen.
Een wijkverpleegster kon wonden verzorgen, medicijnen toedienen en gezinnen leren hoe zij besmetting en ziekte konden voorkomen. Zij vormde een schakel tussen dokter, gezin en kerkelijke zorg. De ontwikkeling betekende een overgang van uitsluitend familie- en burenhulp naar meer gespecialiseerde verpleging. Tegelijk bleef de katholieke identiteit behouden, omdat het Wit-Gele Kruis binnen de katholieke zuil werkte. Spierdijk volgde daarmee landelijke ontwikkelingen, maar gaf deze vorm vanuit de eigen parochiële organisatie.
Zuidermeer wordt zelfstandig
Zuidermeer behoorde eeuwenlang tot het kerkelijke verzorgingsgebied van Spierdijk. De afstand en de groei van de gemeenschap leidden echter tot een verlangen naar een eigen kerk. Na het overlijden van Adriana Huiberts in 1921 werd een oud notitieboek gevonden met informatie over eerdere pogingen om een kerk te stichten. Bewoners vormden een kerkfonds en brachten geld bijeen. Het plan kwam niet uit het niets, maar bouwde voort op een lange wens om de eigen gemeenschap kerkelijk zelfstandiger te maken.
In 1929 werd kapelaan Laurentius Cornelis van de Nouweland de eerste pastoor van Zuidermeer. In januari 1930 werd een hulpkerk ingewijd. Daarna volgden een pastorie, school en zusterhuis. In 1933 en 1934 verrees de grote Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdeskerk. Daardoor werd Zuidermeer definitief een zelfstandige katholieke gemeenschap. Voor Spierdijk betekende dit verlies van een deel van het oude verzorgingsgebied. Tegelijk was de nieuwe parochie voortgekomen uit de katholieke organisatie die eeuwenlang vanuit Spierdijk was opgebouwd.
Kermis, verenigingen en dorpscultuur
Naast kerk en onderwijs kende Spierdijk een levendig verenigings- en dorpsleven. De jaarlijkse kermis was een hoogtepunt. Families ontvingen bezoek, cafés zaten vol en jongeren dansten op muziek. Bruiloften konden meerdere dagen duren en bij begrafenissen kwam een groot deel van de gemeenschap bijeen. De kerk keek soms kritisch naar drankgebruik en dans, maar de kermis bleef een belangrijk sociaal moment. Mensen die verspreid langs het lint en in de Wogmeer woonden, kwamen dan samen.
In de winter werd op sloten en vaarten geschaatst. Wanneer het ijs sterk genoeg was, veranderde het water in een netwerk van verbindingen tussen dorpen en boerderijen. Het West-Friese dialect, dorpsbijnamen en familieverhalen versterkten de plaatselijke identiteit. Mensen konden vaak aan iemands uitspraak horen uit welk dorp of welke buurtschap hij afkomstig was. De katholieke identiteit en de West-Friese streekcultuur bestonden naast elkaar. Spierdijkers waren lid van de parochie, maar voelden zich ook onderdeel van een groter West-Fries landschap en een eigen streektraditie.
De West-Friese dansgroep
In 1935 werd in Spierdijk een West-Friese dansgroep opgericht. Piet Schilder verzorgde de muziek op de trekharmonica. Hans Overtoom, zoon van het hoofd van de Sint-Martinusschool, werd dansleider. Dokter Van Balen Blanken, die betrokken was geweest bij het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, stimuleerde de groep. De dansers traden op in streekdracht en voerden oude dansen uit. Daarmee probeerden zij tradities die door modernisering dreigden te verdwijnen levend te houden.
De oprichting laat zien dat inwoners zich in de jaren dertig bewust werden van hun eigen streekcultuur. Oude kleding, muziek en dans werden niet langer alleen als dagelijks gebruik gezien, maar ook als erfgoed dat bewaard moest worden. De groep paste goed bij het Spierdijk van die tijd. Het dorp was sterk katholiek, maar eveneens nadrukkelijk West-Fries. Verenigingen boden bewoners nieuwe manieren om zich te organiseren en hun identiteit uit te dragen. Muziek, dans en optreden brachten jongeren en ouderen samen buiten de gewone kerkelijke en agrarische werkzaamheden.
Priesterroepingen
Spierdijk bracht verschillende priesters en religieuzen voort. Onder pastoor A.C. van den Berg, die vanaf 1936 in Spierdijk werkte, werden meerdere jongemannen uit de parochie tot priester gewijd. Onder hen waren Jan Duin, Klaas Mes, Jo Groot, Piet van Kampen en Jan Oudejans. De vele roepingen tonen hoe sterk de katholieke opvoeding nog was. Jongens kwamen op school, in de kerk en binnen het gezin voortdurend in aanraking met priesters, zusters, missen en katholieke organisaties.
Een priesterwijding was een groot dorpsfeest. De kerk en straten werden versierd, verenigingen traden aan en familieleden ontvingen vele bezoekers. Voor een katholiek boeren- of middenstandsgezin gold een priesterzoon als een bijzondere eer. De hele gemeenschap deelde in het feest. De roepingen bevestigden dat Spierdijk niet alleen priesters ontving, maar ook zelf geestelijken leverde aan andere parochies en missiegebieden. Het dorp werd zo onderdeel van een veel groter katholiek netwerk.
Crisis en verandering in de jaren dertig
De economische crisis na 1929 trof ook Spierdijk. De prijzen van melk, kaas, boter en vee kwamen onder druk te staan. Boeren moesten hun vaste lasten blijven betalen terwijl hun inkomsten daalden. Arbeiders konden hun werk verliezen en kleine middenstanders zagen hun omzet teruglopen. Gezinnen probeerden zoveel mogelijk zelf te maken en te verbouwen. Kleding werd hersteld, voedsel kwam uit de moestuin en familieleden hielpen elkaar. Kerkelijke armenzorg bleef belangrijk voor mensen die zonder inkomsten raakten.
Tegelijk moderniseerde het dorp. Elektriciteit, radio’s, fietsen en auto’s brachten de buitenwereld dichterbij. Paard en wagen bleven nog belangrijk, maar deelden de weg steeds vaker met gemotoriseerd verkeer. In 1938 moest de parochie reageren op een brief van het ministerie over iepziekte en iepenspintkevers. Aangetaste bomen moesten worden gekapt. Daardoor verdwenen bomen die soms al generaties bij wegen, boerderijen en kerkterreinen hadden gestaan. Economische onzekerheid en technische modernisering bestonden zo naast elkaar.
Spierdijk in 1939
Aan het einde van de jaren dertig bestond Spierdijk uit veel meer dan verspreide boerderijen. Langs het lint stonden de Sint-Georgiuskerk, de pastorie, scholen, winkels, cafés, werkplaatsen, het zusterhuis en rustoord Sint-Theresia. Op straat liepen schoolkinderen en zusters. Boerenwagens vervoerden melkbussen en hooi. Fietsers reden naar omliggende dorpen en soms kwam een auto of autobus voorbij. Elektrische verlichting en radio hadden hun intrede gedaan, maar veel werk op de boerderijen werd nog met de hand en met paarden verricht.
Bekende familienamen als Schilder, Buijs, Duin, Groot, Ruiter, Klover, Van Kampen, Oudejans, Wijte en Komen kwamen terug in kerkbestuur, onderwijs, landbouw, bouw, muziek en armenzorg. De kerk vormde het zichtbare centrum, maar het dorp werd in werkelijkheid gedragen door veel verschillende mensen: de boerin die vóór zonsopkomst molk, de knecht die de sloten schoonde, de timmerman die toezicht hield op de kerkbouw, de vrouw die de kerk reinigde, de organist, de doodgraver, de dokter, de onderwijzer, de winkelier en de zusters van Sint-Theresia.
De naderende oorlog
In september 1939 brak in Europa opnieuw oorlog uit. Nederland verklaarde zich neutraal, maar mobiliseerde zijn strijdkrachten. Ook mannen uit Spierdijk werden opgeroepen. Gezinnen moesten rekening houden met afwezige vaders en zonen. Paarden, voertuigen en gebouwen konden voor militaire doeleinden worden gevorderd. De herinnering aan de schaarste en mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog was nog niet verdwenen. Opnieuw kwam onzekerheid het dorp binnen, ook al vonden er nog geen gevechten plaats.
Binnen Sint-Theresia werd afgesproken dat het rustoord zo nodig als oorlogslazaret kon dienen. Enkele zusters volgden een cursus om verpleegkundige hulp te kunnen verlenen. Zo naderde de oorlog het dorp nog voordat er één Duitse soldaat door Spierdijk was getrokken. Het gewone leven ging door, maar onder de oppervlakte groeide de spanning. Boeren werkten op het land, kinderen gingen naar school en de kerkklokken luidden, terwijl het nieuws op de radio steeds dreigender werd.
Spierdijk aan de vooravond van 1940
Aan het begin van 1940 was Spierdijk nog altijd een langgerekt West-Fries boerenlint. Op de erven stonden de stolpen. In de stallen werden koeien met de hand gemolken. Melkbussen stonden klaar voor vervoer. Hooi lag rond het houten vierkant opgeslagen. Langs de weg lagen winkels, cafés en werkplaatsen. De kerkklok bepaalde het ritme van zondag, feestdag en begrafenis. Kinderen liepen naar de Sint-Martinusschool of naar de school van de zusters. In Sint-Theresia verzorgden franciscanessen ouderen en zieken. Bij dokter Bloem konden inwoners medische hulp krijgen.
Tegelijk klonk uit sommige huizen de radio. Fietsen stonden tegen gevels en een auto op de Spierdijkerweg was niet langer een volkomen vreemde verschijning. Het dorp leefde tussen twee tijden: tussen paard en motor, petroleumlamp en elektriciteit, familiehulp en professionele zorg, oude geloofstradities en moderne voorzieningen. Spierdijk had zich ontwikkeld van verspreide bewoning langs een dijk tot een gemeenschap met eigen kerk, onderwijs, gezondheidszorg, ouderenzorg, middenstand en verenigingsleven. De Sint-Georgiuskerk bleef het opvallendste gebouw, maar het werkelijke dorp bestond uit alle mensen die het land drooghielden, het vee verzorgden, kinderen onderwezen, brood bakten, zieken bezochten, gebouwen onderhielden en verenigingen draaiende hielden.
Daar eindigt het verhaal van Spierdijk vóór 1940: bij een agrarisch en katholiek West-Fries dorp dat eeuwen van ontginning, waternood, geloofsvervolging, kerkbouw, onderwijs, zorg en modernisering achter zich had. De gemeenschap was sterker georganiseerd en beter voorzien dan ooit tevoren, maar aan de horizon naderde een oorlog die ook dit hechte dorp diep zou raken.