Van Ewijcksluis — eindverhaal

De poort van de Anna Paulownapolder

Een dorp dat begon met een sluis

Van Ewijcksluis is één van de kleinste dorpen van de Kop van Noord-Holland, maar zijn geschiedenis is uitzonderlijk groot. Het dorp ontstond niet rond een kerk, een marktplein of een oud dorpslint, maar rond een sluis. Eerst was hier geen dorp, geen straat en geen havenkom zoals later. Eerst was hier water: slik, zand, geul, getij, zeebodem, wier, vis, vogels en vaarroute. Daarna kwamen dijk, sluis, gemaal, brug, haven, pont, postboot, tram, café, vissers, schippers, polderwerkers, sluiswachters, machinisten, stokers en brugwachters.

Van Ewijcksluis is daarom geen bijzaak bij Anna Paulowna en ook geen voetnoot bij Wieringen. Het is een eigen plaatsverhaal. Hier werd de Anna Paulownapolder geopend naar de buitenwereld. Hier lag de overgang tussen polder en Zuiderzee, tussen land en water, tussen Wieringen en Noord-Holland, tussen varen en rijden, tussen oude vaargeulen en moderne waterbouw.

De sleutel van Van Ewijcksluis is eenvoudig, maar sterk: een sluis werd een dorp. De sluis was de deur waardoor water naar buiten moest en schepen naar binnen konden. Het gemaal was het hart dat de jonge polder droog hield. De brug verbond de delen van het nieuwe land. De haven en de postboot verbonden het dorp met Wieringen. De tram verbond het met Schagen. Zo werd op een plek waar eerst alleen slik, geul en getij lagen een klein maar belangrijk knooppunt gemaakt.

Van Balgzand naar nieuw land

Tot het midden van de negentiende eeuw bestond Van Ewijcksluis niet als dorp. Op deze plaats lag het zuidelijke deel van het Balgzand, een landschap van zandplaten, slikken, geulen en ondiep water tussen Wieringen, het Koegras, de Zijpe en de Wieringerwaard. Het gebied hoorde bij de open waterwereld van de Zuiderzee, het Amsteldiep en de Waddenachtige rand van de Noordkop.

De zee stroomde hier vrij in en uit. Schippers kenden de geulen. Vissers kenden de platen. Wier werd uit het water gehaald. Vogels vonden voedsel op het slik. Het gebied was geen leegte, maar een levend getijdenlandschap. De latere polder ontstond dus niet op zomaar grond, maar op voormalige zeebodem.

Belangrijk is dat de sluis later kwam te liggen bij een bestaande geul in de slikgronden. De sluis werd een schut- en uitwateringssluis uit 1846, gebouwd in de toenmalige zeedijk van de Anna Paulownapolder, langs wat toen de Zuiderzee was en later het Amstelmeer en Amsteldiep werd. De ligging was functioneel: de sluis sloot aan op een oude vaarroute. Vaarverkeer tussen Wieringen, de Zijpe en Alkmaar maakte al gebruik van die geul; de nieuwe sluis kwam aan het einde ervan, bij het Oude Veer en de nieuwe dijk van de Anna Paulownapolder.

Daarmee begint Van Ewijcksluis eigenlijk vóór het dorp zelf. Het begint bij het Balgzand, het Oude Veer, het Amsteldiep en de natuurlijke waterwegen tussen Wieringen, de Zijpe en Alkmaar. De plaats is geboren op een kruispunt van water.

De inpoldering van de Anna Paulownapolder

In de jaren 1840 groeide de belangstelling voor nieuwe landbouwgrond. Buitendijkse slikken, schorren en zandplaten werden niet langer alleen gezien als vis- en vaargebied, maar ook als toekomstig land. De Anna Paulownapolder ontstond uit die gedachte: water moest land worden.

De polder werd genoemd naar Anna Paulowna van Rusland, de echtgenote van koning Willem II. In 1844 verleende koning Willem II toestemming voor de inpoldering. In 1845 begon de bedijking en in 1846 viel de polder droog. De aanleg werd geleid door Johan Carel de Leeuw, de ingenieur die de polder technisch vormgaf en later ook de eerste dijkgraaf werd. Hij gaf zelfs wegen in de polder hun naam; de Stoomweg verwijst nog altijd naar de stoommachine bij het gemaal.

De drooglegging was geen eenvoudige zaak. De Anna Paulownapolder lag laag, was jong en kwetsbaar, en moest vanaf het begin kunstmatig worden drooggehouden. Dijken alleen waren niet genoeg. Er moesten vaarten, sluizen, molens en een gemaal komen. Van Ewijcksluis werd daarin de noordelijke poort van de polder.

Die poort was niet alleen symbolisch. Het nieuwe land had een uitweg nodig. Water moest de polder uit. Schepen moesten de polder in. Mensen, goederen, vee, bouwmateriaal, vis, wier, landbouwproducten en later reizigers moesten bewegen. Waar de sluis kwam, kwam verkeer. Waar verkeer kwam, kwamen mensen. En waar mensen bleven, ontstond een dorp.

Een sluis als geboorteakte

De nieuwe polder moest kunnen afwateren en bereikbaar blijven voor scheepvaart. Daarom werd aan de noordzijde een grote sluis gebouwd. Die sluis werd aangelegd in 1846 en ontworpen door architect Willem H. Springer. Het sluizencomplex hoorde vanaf het begin bij de inpoldering van de Anna Paulownapolder.

De sluis was tegelijk schutsluis en uitwateringssluis. Dat is belangrijk. Ze had dus twee functies. Schepen konden via de sluis de polder in en uit, maar overtollig polderwater kon ook worden afgevoerd. De sluis was daarmee niet alleen een deur voor scheepvaart, maar ook een veiligheidsklep voor het land.

Op 16 juni 1846 bezocht Daniël Jacob van Ewijck van Oostbroek en De Bilt, gouverneur van Noord-Holland en lid van de Raad van State, de nieuwe zeesluis. Tijdens dit bezoek werd toestemming gegeven om de nederzetting naar hem te vernoemen. Zo ontstond de naam Van Ewijcksluis. Op 7 juli 1846 bezocht ook koning Willem II de nieuwe sluis. Daarmee kreeg deze kleine plek meteen een provinciaal en koninklijk begin.

De sluis lag in de zeedijk van de nieuwe polder. Aan de landzijde lag de Van Ewijcksvaart. Aan de waterzijde lag de open Zuiderzee. Wie door de sluis voer, ging letterlijk van nieuw land naar oud water. Wie er woonde, leefde precies op die grens.

De ophaalbrug tussen Oost- en Westpolder

Bij de sluis kwam ook een ophaalbrug. Die brug is meer dan een technisch detail. Zij werd kenmerkend voor Van Ewijcksluis en vormde de verbinding tussen de Oost- en Westpolder van Anna Paulowna. Kort na de drooglegging werd in 1846 een ophaalbrug aangelegd dicht naast de zeesluis, zodat schepen van de Van Ewijcksvaart via de sluis naar de Zuiderzee konden varen.

Daarmee werd Van Ewijcksluis niet alleen een waterpoort, maar ook een kruispunt over land. De brug verbond delen van de polder. De sluis verbond de polder met het buitenwater. Samen vormden ze het hart van de Sluisbuurt.

Dat hart was beweeglijk. Brug open, brug dicht. Sluisdeuren open, sluisdeuren dicht. Water lozen, schepen schutten, wachten op tij, wachten op bediening, wachten op doorgang. Van Ewijcksluis was vanaf het begin geen stil dorp, maar een werkende overgang.

Het eerste permanente stoomgemaal van het Noorderkwartier

Vrijwel tegelijk met de sluis werd aan de Van Ewijcksvaart een technisch wonder gebouwd: het eerste permanente stoomgemaal van het Noorderkwartier. Het latere J.C. de Leeuwgemaal had een bescheiden uiterlijk, maar een enorme betekenis. Het werd ingezet bij de bedijking en bemaling van de Anna Paulownapolder en hoorde tot de vroegste grote toepassing van stoomkracht in dit deel van Noord-Holland.

Oorspronkelijk stond de stoommachine in een houten gebouw uit 1845. In 1847 werd dit vervangen door een stenen gebouw. Dat stenen gebouw werd gebouwd door aannemer P. Schenk te Oude Sluis. Daarmee kreeg het jonge polderland een vast technisch hart.

De eerste machine leverde ongeveer 23 pk. Samen met zes grote vijzelwindmolens hield het gemaal de jonge polder droog. Dat was bijzonder, want stoomkracht was in deze streek nog nieuw. De Anna Paulownapolder was daarmee een overgangslandschap: nog afhankelijk van windmolens, maar al geholpen door stoom.

Later werd het gemaal meerdere keren gemoderniseerd. In 1873 kwamen nieuwe ketels van de Amsterdamse machinefabriek De Atlas. In 1912 werden zuiggasmotoren van Crossley Motors uit Manchester geplaatst, gecombineerd met centrifugaalpompen van Stork uit Hengelo. In 1933 volgde elektrificatie. Op 22 september 1942 besloot het bestuur van de Anna Paulownapolder om de gemalen te vernoemen naar verdienstelijke personen uit de poldergeschiedenis. Gemaal I werd toen vernoemd naar Johan Carel de Leeuw.

In 1984 werd het gemaal provinciaal monument. Na de bouw van gemaal Balgdijk in 1989 kreeg het vooral nog een functie als noodgemaal. Daarmee veranderde het van dagelijks werkpaard in erfgoed, maar zijn betekenis bleef groot. Het is één van de belangrijkste waterstaatkundige monumenten van de Anna Paulownapolder.

Bemaling was nooit eenvoudig

De bemaling van de Anna Paulownapolder bleef een terugkerend probleem. De polder werd in de eerste tientallen jaren bemaald door een stoomgemaal bij Van Ewijcksluis en zes windmolens. Bij zware regenval en weinig wind was dat niet altijd genoeg. Daarom kwam later ook gemaal Wijdenes Spaans bij Kleine Sluis in beeld, een voormalig stoomgemaal uit 1873 dat later elektrisch gemaal werd.

Dit laat zien dat Van Ewijcksluis wel het eerste technische hart was, maar niet het enige waterstaatkundige punt in de polder bleef. De hele Anna Paulownapolder moest voortdurend worden bijgestuurd: waterpeilen, vaarten, gemalen, molens, sluizen en later elektrische bemaling vormden samen één systeem.

Een polder is nooit af zodra hij droogvalt. Hij moet iedere dag opnieuw droog blijven. Dat is de harde waarheid achter Van Ewijcksluis. De sluis kon water lozen, het gemaal kon malen, de molens konden helpen, maar de zee, regen en lage ligging bleven aanwezig. Het dorp leefde dus niet ná de droogmaking, maar ín het voortdurende werk van de droogmaking.

De eerste bewoners

Rond de sluis en het gemaal verschenen de eerste woningen. Er kwamen ambtswoningen voor de sluiswachter en de polderopzichter. De eerste bekende sluiswachter was Willem ’t Hard Siewers, afkomstig uit de Zijpe. Zijn woning bestaat nog steeds. De woning van de opzichter werd in 1906 gesloopt.

De eerste bewoners waren mensen van het werk. Van Ewijcksluis was geen dorp van herenhuizen, maar van arbeid. Er woonden sluiswachters, polderwerkers, dijkwerkers, schippers, vissers, machinisten, stokers, brugwachters, pontbazen, ambachtslieden en later trammedewerkers.

Zij leefden letterlijk tussen water en techniek. De sluis moest worden bediend. Het gemaal moest draaien. De brug moest open en dicht. Schepen moesten wachten. Vee en goederen moesten worden overgezet. Bij storm en hoogwater moest iedereen weten wat er moest gebeuren.

Daarom is Van Ewijcksluis een menselijk waterstaatsverhaal. De grote namen zijn belangrijk — Anna Paulowna, Willem II, Daniël Jacob van Ewijck, Johan Carel de Leeuw, Willem H. Springer — maar het dorp werd gedragen door de mensen die de brug bedienden, het gemaal draaiend hielden, de sluis sloten, de pont voeren, de vangst binnenbrachten en reizigers verder hielpen.

Haven, scheepvaart en visserij

Via de Van Ewijcksvaart konden schepen vanuit de polder naar de sluis varen. Door de sluis bereikten zij de Zuiderzee. Voor de jonge polder was dat van levensbelang. De haven diende voor landbouwproducten, vee, bouwmaterialen, turf, goederen en passagiers.

Maar Van Ewijcksluis keek niet alleen naar binnen, naar de nieuwe kavels en vaarten van de Anna Paulownapolder. Het keek ook naar buiten, naar het Amsteldiep, het Balgzand, Wieringen en de Zuiderzee. Aan die kant lag de oudere wereld van visserij, wier, geulen en getij. Daarin lag nog lang het andere gezicht van het dorp.

Er werd gevist op haring, ansjovis en andere Zuiderzeevis. De vangst hoorde bij het ritme van seizoen, waterstand, wind en markt. Vissers voeren uit over water dat generaties lang bekend was door geulen, platen en ondiepten. Zij wisten waar het slik lag, waar het water trok, waar vis zat en wanneer het gevaarlijk werd. Van Ewijcksluis was daardoor niet alleen een toegang tot een polder, maar ook een uitvalsbasis naar een oude waterwereld.

Ook de wiervisserij speelde een rol. Wier werd in de zomer gemaaid, opgevist of verzameld, daarna gedroogd en gebruikt voor matrassen, kussens en andere toepassingen. Rond Wieringen, het Marsdiep, het Amsteldiep en de Noordkop hoorde wier bij het bestaan aan zee. Het was werk dat rook naar zout water, natte platen, drogend wier en zomerse arbeid langs de randen van de Zuiderzee.

Die visserij- en wierlaag is belangrijk, omdat Van Ewijcksluis anders te gemakkelijk alleen als polderdorp wordt gezien. Het was óók een Zuiderzeedorp. De ene kant van het dorp hoorde bij kavels, stoom, brug, sluis en bestuur. De andere kant hoorde bij netten, wier, boten, getij, vis en Wieringen. Juist die dubbele ligging maakt Van Ewijcksluis bijzonder.

De Sluisbuurt als dorpshart

Rond de sluis ontstond de Sluisbuurt. Hier kreeg het dorp zijn hart. Niet in de vorm van een kerkplein of marktplein, maar als een werkende plek aan water en brug. Wie iets te vervoeren had, kwam hier. Wie op de postboot wachtte, kwam hier. Wie de brug over moest, kwam hier. Wie de sluis moest passeren, kwam hier. Wie nieuws wilde horen, bleef even staan.

In de Sluisbuurt stonden functies die bij een werkdorp hoorden: een smederij, een scheepswerfje, een bakkerij en een café met kruidenierswinkel. Schippers lieten er hun schepen repareren. Vissers kwamen met hun vangst. Polderwerkers haalden benodigdheden. Reizigers wachtten op de boot of de pont. Boeren kwamen langs met vee of producten. De sluiswachter, brugwachter, machinist en stoker hoorden bij het dagelijks decor.

Het café was niet zomaar horeca. Het was wachtkamer, dorpskamer, handelsplek en ontmoetingspunt tegelijk. Daar werd gewacht op gunstig water, op de postboot, op de pont, op een schipper, op een bericht uit Wieringen of Schagen. Er werd gedronken, gehandeld, geroddeld, onderhandeld en gerust. In een klein dorp zonder groot centrum werd de sluisomgeving zelf het centrum.

De Sluisbuurt moet je daarom zien als het menselijke hart van Van Ewijcksluis. Hier kwamen techniek en dagelijks leven samen. De stoommachine kon verderop stampen, de brug kon piepen, de sluisdeuren konden sluiten, maar in het café, bij de winkel, aan de kade en bij het scheepswerfje werd het dorp echt dorp. Van Ewijcksluis was klein, maar het was geen stille uithoek. Het was een doorgang waar altijd iemand iets kwam brengen, halen, vragen, repareren, verkopen of oversteken.

Alles kwam hier samen: de sluiswachter, de brugwachter, de machinist, de stoker, de schipper, de visser, de reiziger, de post, de handelaar, het vee, de vracht en het nieuws. Daardoor kreeg Van Ewijcksluis een eigen karakter. Niet de kerkklok bepaalde hier het ritme, maar de sluis, de brug, het gemaal, de boot en het water.

De verbinding met Wieringen

Lang voordat Wieringen via dijken en wegen met het vasteland werd verbonden, was Van Ewijcksluis één van de belangrijkste poorten naar het eiland. Vanuit het veerhuis vertrok de postboot naar Wieringen. De route liep van De Haukes op Wieringen naar Van Ewijcksluis. Daarna kon men verder richting Schagen en Noord-Holland.

De overtocht duurde normaal ongeveer een half uur, maar bij slecht weer kon dat veel langer worden. De verbinding vervoerde post, passagiers, handelaren, ambtenaren, vissers en reizigers. Later werden ook vee en goederen vervoerd. Voor Wieringen was deze verbinding van grote betekenis. Het eiland lag nog los van het vasteland en had betrouwbare verbindingen nodig. Van Ewijcksluis werd daardoor een van de plekken waar Wieringen Noord-Holland raakte.

De latere postboot Wieringen werd gebouwd door Scheepswerf De Industrie van Dirk en Willem Boot in Alphen aan den Rijn. Het schip kreeg een Deutz-Bronsmotor van 32 pk, kwam in 1912 in de vaart en maakte op 12 maart 1926 haar laatste overtocht. Het schip bestaat nog als varend erfgoedproject en werd in 2022 teruggehaald naar Wieringen voor restauratie.

De route Wieringen — Van Ewijcksluis — Schagen maakte het dorp tot doorgangspoort. Wie van Wieringen naar de rest van Noord-Holland wilde, kwam vaak langs deze plek. Van Ewijcksluis was voor Wieringen een toegang tot het vasteland en voor de polder een venster op het eiland.

Pont en veerdienst

Ook de pontverbinding hoorde bij dit netwerk. Al in 1849 besloot het polderbestuur dat een pontverbinding naar het Koegras noodzakelijk was. Een bekende pontbaas was Klaas Keuris uit Van Ewijcksluis. Vanaf 1908 verzorgde hij de overtocht. Hij verhuisde in augustus 1908 naar de pontwoning en begon op 1 september 1908. Officieel moest hij varen van één uur vóór zonsopgang tot 22.00 uur, maar in de praktijk werd hij ook ’s nachts uit bed gehaald door reizigers die dringend overgezet wilden worden.

Rond 1920 werd Muntjewerf pontbaas. Zulke namen maken het verhaal menselijk. De pont was geen abstracte verbinding, maar een dagelijkse dienst die draaide op mensen die klaar moesten staan wanneer reizigers, boeren, schippers of arbeiders overgezet wilden worden.

In die pont zit dezelfde logica als in de sluis en de postboot. Van Ewijcksluis was een plaats van oversteken. Oversteken van water naar land, van polder naar zee, van Wieringen naar Noord-Holland, van oude vaarwereld naar modern wegverkeer.

De stoomtram Schagen–Van Ewijcksluis

In 1912 kreeg Van Ewijcksluis een nieuwe verbinding: de stoomtramlijn Schagen–Van Ewijcksluis. Het dorp werd het noordelijke eindpunt van de lijn. De tram vervoerde reizigers, vee, landbouwproducten en post. Daardoor werd Van Ewijcksluis beter bereikbaar dan ooit.

De normaalsporige tramlijn van Schagen via Wieringerwaard naar Van Ewijcksluis werd geopend op 1 maart 1912. Zij was eigendom van de Spoor- of Tramweg Wieringen–Schagen en werd als stoomtramlijn geëxploiteerd. De baanlengte van de lijn Van Ewijcksluis–Schagen was 15,2 kilometer.

Maar het succes duurde niet eeuwig. Door betere wegen, auto’s, bussen en vrachtwagens verloor de tram haar betekenis. Op 31 december 1934 reed de laatste tram. Daarmee kwam na 23 jaar een einde aan de stoomtram naar Van Ewijcksluis.

De tram hoort in het verhaal omdat hij laat zien hoe Van Ewijcksluis telkens meebewoog met vervoer. Eerst was er de geul, daarna de sluis, daarna de postboot, pont en stoomtram, later bus, vrachtwagen en wegverkeer. Het dorp bleef hetzelfde knooppunt, maar de middelen veranderden.

Watersnood van 1916

In januari 1916 werd Noord-Holland getroffen door een zware stormvloed. De ramp raakte vooral duidelijk hoe kwetsbaar jong polderland kon blijven. De Anna Paulownapolder was al zeventig jaar land, maar één zware storm maakte zichtbaar dat de grens tussen polder en water nooit voorgoed was verdwenen. Dijken braken door, water stroomde binnen en grote delen van de polder overstroomden.

Voor Van Ewijcksluis was dit een kernmoment. Het dorp bestond dankzij sluis, dijk, gemaal en bemaling, maar juist in 1916 bleek hoe afhankelijk het van die werken bleef. De polder was gemaakt door mensenhanden, maar kon door water opnieuw worden teruggenomen. Dezelfde waterwereld waaruit het dorp was ontstaan, kwam dreigend terug.

Rond Van Ewijcksluis ontstonden gevaarlijke situaties. Het water zette land blank, bedreigde erven, wegen en verbindingen, en dwong bewoners tot noodmaatregelen. Vee, goederen en huisraad moesten zoveel mogelijk worden gered. Gemalen draaiden onafgebroken. De laatste windmolen hielp mee. Mobiele noodgemalen werden ingezet. Alles wat kon malen, moest malen.

Gemaal I bij Van Ewijcksluis en de andere bemaling konden het water niet alleen aan. De ramp liet zien dat het jonge polderland niet alleen afhankelijk was van vaste gemalen, maar ook van improvisatie, samenwerking en volhouden. Tal van mobiele noodgemalen werden ingezet en ook de laatste vijzelwindmolen maalde mee. Pas na maanden van pompen en herstel kon de Anna Paulownapolder weer normaal functioneren.

Daarom is 1916 meer dan een rampjaar in de marge. Het is het bewijs dat Van Ewijcksluis geen afgesloten verhaal van droogmaking is. Het is een verhaal van blijvende kwetsbaarheid. De sluis, het gemaal, de dijk en de vaarten waren geen monumenten, maar werkende reddingsmiddelen. De mensen van de polder moesten opnieuw ervaren dat land hier niet vanzelf bestond. Land moest worden verdedigd, bemalen, hersteld en onderhouden.

Na 1916 kreeg waterveiligheid in Noord-Holland een nog zwaardere betekenis. Voor Van Ewijcksluis past dat precies bij de eigen geschiedenis. Het dorp was geboren uit waterbouw, en in 1916 werd duidelijk dat die waterbouw geen verleden tijd was. Het was dagelijkse noodzaak.

De Korte Afsluitdijk en het einde van de open zeepoort

Een nieuwe periode begon in 1924 met de aanleg van de Amsteldiepdijk, beter bekend als de Korte Afsluitdijk of Kleine Afsluitdijk. Deze dijk verbond Wieringen met het vasteland en sloot het Amsteldiep af. Daardoor ontstond het Amstelmeer. De Amsteldiepdijk was bovendien het eerste grote werk van de Zuiderzeewerken en leverde belangrijke ervaringen op voor de latere Afsluitdijk.

Voor Van Ewijcksluis veranderde daardoor alles. De sluis lag niet langer direct aan de open Zuiderzee. De oude zeesluis werd een binnenlandse waterverbinding. De wereld van getij, postboot, wier, visserij en open water veranderde in een wereld van meer, dijk, wegverkeer en recreatie.

Toch verdween de betekenis niet. Ze veranderde. Van Ewijcksluis werd van zeepoort een erfgoedpoort. Waar vroeger schepen en postboten de open waterwereld opzochten, kijken bezoekers nu naar sluis, brug, gemaal, Amstelmeer en polderland. De plaats bleef een overgang, maar de richting van de overgang werd anders.

Balgzandkanaal en Wieringermeer

In 1926 werd in het noorden van de polder het Balgzandkanaal gegraven voor materiaalaanvoer bij de drooglegging van de Wieringermeer. Vanaf dat moment veranderde ook de afwatering van de Van Ewijcksvaart. De afwatering ging daarna via dit kanaal verlopen.

Dit hoort bij het verhaal omdat Van Ewijcksluis niet losstaat van de grotere Zuiderzeewerken. Eerst kwam de Anna Paulownapolder. Daarna de Amsteldiepdijk. Daarna de Wieringermeer. Het dorp lag precies op de rand van deze opeenvolgende waterstaatsprojecten.

Van Ewijcksluis is daardoor ook een schakel in een groter Noordkopverhaal. De eerste polder aan deze rand, de verbinding met Wieringen, de afsluiting van het Amsteldiep, de aanleg van het Balgzandkanaal en de drooglegging van de Wieringermeer liggen allemaal in elkaars verlengde. Het kleine dorp ligt op de lijn waar de oude Zuiderzee stap voor stap werd omgevormd.

Huis West-Einde

Niet alleen de sluis aan de noordkant bepaalde het leven in de polder. Aan het westelijke uiteinde van de polder ontstond bij de Molenvaart een tweede belangrijk verkeersknooppunt: Huis West-Einde.

De Molenvaart was in 1852 klaar. In 1863 werden bij het westelijke uiteinde een sluis en een hefbrug gebouwd als verbinding tussen de Molenvaart en het Noordhollands Kanaal. Deze verbinding was belangrijk voor de afvoer van landbouwproducten en later ook voor de bloembollenteelt.

In 1892 liet sluis- en brugwachter J. Langedijk een stenen woning met café bouwen: Huis West-Einde. Het café werd bezocht door scheepsbemanning, voerlieden van trekpaarden en passanten. Na 1920 kwamen daar ook vrachtwagenchauffeurs bij. In 1946 verkocht Langedijk het huis met café aan J. Grin, die sluis- en brugwachter werd in dienst van de gemeente Anna Paulowna.

Huis West-Einde maakt zichtbaar hoe de wereld veranderde. Eerst draaide alles om watertransport, trekpaarden, schepen en sluizen. Later kwamen vrachtwagens, wegen en nieuw verkeer. In 1968 verdwenen de hefbrug en de sluis. In 1971 eindigde de caféfunctie. Vanaf 2018 werd het gebouw gerestaureerd.

Daarom hoort Huis West-Einde als zijlaag bij Van Ewijcksluis en de Anna Paulownapolder. Het vertelt hetzelfde verhaal: waterverbindingen maakten het land bereikbaar, maar werden later vervangen door wegen. Van Ewijcksluis was de noordelijke poort; Huis West-Einde laat zien dat de hele polder door zulke poorten, bruggen, sluizen en cafés werd ontsloten.

Bollenteelt en landbouw

De Anna Paulownapolder werd aangelegd als landbouwpolder. Eerst ging het om akkerbouw, veeteelt en algemene landbouwproducten. Later werd ook de bloembollenteelt belangrijk. De ligging bij waterwegen, vaarten, bruggen en later tram- en wegverbindingen maakte afvoer mogelijk.

Van Ewijcksluis zelf was geen groot bollencentrum, maar het dorp profiteerde van de verkeersfunctie van de polder. Landbouwproducten, vee, bouwmaterialen en later bollen bewogen door hetzelfde netwerk van vaarten, sluizen, bruggen, tramlijn en wegen.

Ook hier is de sluis de sleutel. Zonder toegang had de polder minder waarde. Landbouwgrond moest niet alleen bewerkt worden, maar ook bereikbaar zijn. Producten moesten naar markten. Materiaal moest naar binnen. Mensen moesten naar buiten. Van Ewijcksluis maakte het nieuwe land open.

Bestuur en waterstaatsmacht

Van Ewijcksluis kan niet worden begrepen zonder het polderbestuur. Na de aanleg van de polder kwamen beheer, onderhoud en waterpeil niet vanzelf. Het bestuur moest beslissen over sluizen, dijken, vaarten, gemalen, molens, bruggen, ponten en wegen.

Het beheer van de sluis lag aanvankelijk bij de Maatschappij tot Inpoldering van de Anna Paulownapolder en werd in 1850 overgedragen aan het polderbestuur. Later kwam het beheer bij het waterschap. De sluis werd gerenoveerd en de sluisdeuren werden vernieuwd, maar de hoofdgedachte bleef hetzelfde: dit bouwwerk bleef onderdeel van het beheer van water en verbinding.

Dat is belangrijk. In een polder is bestuur geen papierwerk, maar levensvoorwaarde. Wie beslist over onderhoud, beslist over droge voeten. Wie beslist over sluizen, beslist over handel en bereikbaarheid. Wie beslist over ponten en bruggen, beslist over dagelijks verkeer. Van Ewijcksluis was dus ook een plaats van waterstaatsmacht.

De sluis, het gemaal en de brug waren geen losse bouwwerken. Ze hoorden bij een bestuurde werkelijkheid. Water moest worden gemeten, geleid, geloosd, opgepompt en tegengehouden. Elke beslissing had gevolgen voor boeren, vissers, schippers, bewoners en reizigers.

Oorlogsjaren en Marten Snoodijk

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag Van Ewijcksluis opnieuw op een strategische plek. Bruggen, sluizen en waterwerken waren kwetsbare punten. In 1945 hadden Duitse troepen springladingen aangebracht bij bruggen en waterwerken, zodat ze deze konden opblazen bij een geallieerde opmars.

Verzetsman Marten Snoodijk, een fietsenmaker uit Hippolytushoef, speelde hier een belangrijke rol. Hij ging ’s nachts in een bootje naar de brug bij Van Ewijcksluis en verving de Duitse springladingen door houten blokjes. Dat was levensgevaarlijk, want naast de brug stond een Duits hoofdkwartier en op de brug werd dag en nacht wacht gehouden. Toch slaagde de actie.

Dit verhaal laat opnieuw zien hoe belangrijk Van Ewijcksluis was. De brug, sluis en waterwerken waren niet alleen lokale voorzieningen, maar strategische schakels in de verbindingen van de Noordkop. Wie de brug beheerste, beheerste doorgang. Wie de sluis beheerste, beheerste water. Zelfs in oorlogstijd bleef Van Ewijcksluis een plek waar techniek, gevaar en moed samenkwamen.

Van werkdorp naar erfgoed

Tegenwoordig is Van Ewijcksluis een rustig dorp aan het Amstelmeer. Maar overal zijn sporen van het verleden zichtbaar: de sluis uit 1846, de ophaalbrug, de Van Ewijcksvaart, het J.C. de Leeuwgemaal, de haven, de oude sluiswachterswoning, de richting naar Wieringen, de Korte Afsluitdijk en het landschap van de Anna Paulownapolder.

Het gemaal is provinciaal monument. De sluis is provinciaal monument. De brug en de sluis vormen nog altijd een herkenbaar beeld van het dorp. Van Ewijcksluis is nog steeds herkenbaar als sluisbuurtje waar de eerste bewoners leefden als polderwerkers en vissers, met aan de Van Ewijcksvaart een vroeg en modern stoomgemaal dat het overtollige water uit de Westpolder maalde.

Van Ewijcksluis is daarmee een tastbaar monument van waterbouw, vervoer en polderleven. Het dorp vertelt hoe de Noordkop veranderde van open getijdengebied in bedijkt land. Het vertelt hoe een vaargeul een sluis werd, hoe slik landbouwgrond werd, hoe stoom de wind ging aanvullen, hoe Wieringen via postboot, pont en later dijk dichter bij Noord-Holland kwam, en hoe bewoners generaties lang leefden met water als vriend en vijand.

Het is ook een plek waar schaal bedriegt. Klein op de kaart betekent hier niet klein in betekenis. In Van Ewijcksluis ligt de geschiedenis van inpoldering, stoomtechniek, scheepvaart, visserij, wiervisserij, postverkeer, tramvervoer, oorlog, erfgoed en Zuiderzeewerken dicht op elkaar.

Eindbeeld

Van Ewijcksluis is klein op de kaart, maar groot in betekenis. Het is de poort van de Anna Paulownapolder. Het is het dorp van de sluis, het gemaal, de brug, de haven, de postboot, de pont, de tram, de vissers, de wiermannen, de schippers, de machinisten, de sluiswachters, de pontbazen en de waterbouwers.

Hier werd zee land. Hier werd een geul een toegangspoort. Hier werd een polder afhankelijk van stoom, wind, dijk, bestuur en mensenhanden. Hier kwam Wieringen dichter bij Noord-Holland. Hier werd de overgang zichtbaar van varen naar rijden, van Zuiderzee naar Amstelmeer, van werkdorp naar erfgoed.

De Sluisbuurt was het hart waar dat allemaal samenkwam. Daar werd gewacht, gewerkt, gerepareerd, gehandeld, overgestoken, geschut, gemalen, gedronken, gepraat en doorgereisd. Daar werd Van Ewijcksluis geen technisch punt op een kaart, maar een dorp.

Van Ewijcksluis hoort daarom zelfstandig in het project. Niet samengevoegd als bijzin bij Anna Paulowna, niet weggeschoven als aanhangsel van Wieringen, maar als eigen plaatsverhaal: een dorp dat laat zien hoe Noord-Holland is gemaakt door water, techniek, arbeid, bestuur en volharding.