Moeilijke woorden — nieuwe lijst voor West-Frisia
1. West-Frisia
Oude naam voor het West-Friese land. Hier bedoelen we vooral het gebied binnen en rond de West-Friese Omringdijk.
2. West-Friese Omringdijk
De grote dijk die West-Friesland omsloot en beschermde tegen zee, meren en buitenwater.
3. Kogge
Een oud bestuursgebied in West-Friesland. Dorpen werkten samen aan dijken, water, wegen, recht en belastingen.
4. Ambacht
Een plaatselijk bestuursgebied. Vaak een dorp of groep dorpen met eigen schout, schepenen en dorpsrechten.
5. Ban
Het grondgebied dat bij een dorp hoorde. Binnen die ban golden bestuur, belasting, kerk en recht van dat dorp.
6. Rechtsban
Het gebied waarbinnen een bepaald gerecht recht mocht spreken.
7. Stede
Een dorp of plaats met stedelijke rechten. Niet elke stede had stadsmuren; veel bleven dorps van vorm.
8. Poortrecht
Stedelijke vrijheid voor inwoners. Daardoor mochten zij bepaalde rechten gebruiken, zoals bestuur, markt of eigen rechtspraak.
9. Heerlijkheid
Gebied waar een heer rechten had. Hij kon bijvoorbeeld een schout benoemen of inkomsten ontvangen.
10. Ambachtsheerlijkheid
Kleinere heerlijkheid met plaatselijke rechten. Vaak hoorde het benoemen van schout en secretaris erbij.
11. Vrije heerlijkheid
Een heerlijkheid met meer zelfstandigheid. De heer had daar vaak sterke rechten in bestuur en rechtspraak.
12. Baljuw
Hoge bestuurder en rechterlijke ambtenaar. Hij trad op namens graaf, heer of overheid.
13. Schout
Plaatselijke bestuurder en aanklager. Hij riep mensen op, leidde zaken en hield toezicht op orde en recht.
14. Schepenen
Mannen die bestuurden en recht spraken. Zij behandelden dorpszaken, schulden, conflicten en soms strafzaken.
15. Vroedschap
Raad van aanzienlijke mannen uit dorp of stede. Zij kozen bestuurders en adviseerden bij belangrijke zaken.
16. Burgemeester
Plaatselijke bestuurder. In oude dorpen waren vaak meerdere burgemeesters tegelijk.
17. Secretaris
Schrijver van bestuur en gerecht. Hij noteerde besluiten, akten, benoemingen en rechtszaken.
18. Bode
Boodschapper van bestuur of gerecht. Hij bracht oproepen, bevelen en berichten rond.
19. Vierschaar
Rechtbank of rechtszitting. Daar kwamen baljuw, schout en schepenen bijeen om zaken te behandelen.
20. Hoge vierschaar
Rechtbank voor zware strafzaken, zoals geweld, diefstal, brandstichting of doodslag.
21. Civiele zaken
Gewone rechtszaken tussen mensen, bijvoorbeeld over schuld, land, pacht, bezit of erfenis.
22. Criminele zaken
Strafzaken over misdrijven of zware overtredingen.
23. Dijkgraaf
Hoofd van een dijk- of waterschap. Hij hield toezicht op dijken, sluizen, kaden en waterbeheer.
24. Heemraad
Bestuurder in een waterschap. Hij hielp de dijkgraaf bij dijken, sluizen en afwatering.
25. Koggemeester
Bestuurder binnen een kogge. Hij lette op sloten, wateringen, sluizen, wegen en onderhoud.
26. Molenmeester
Toezichthouder op watermolens en kaden. Hij zorgde dat molens konden blijven malen.
27. Waardschap
Bestuurlijke taak rond dijk, water, wegen of dorpszaken. Een waardschap droeg verantwoordelijkheid.
28. Schouw
Controle op sloten, wegen, dijken en waterwerken. Wie zijn onderhoud niet deed, kon boete krijgen.
29. Dijklasten
Kosten voor het onderhoud van dijken. Boeren en landeigenaren moesten daaraan meebetalen.
30. Molengeld
Geld voor het onderhoud en gebruik van watermolens.
31. Verponding
Oude belasting op huizen en land. In verpondingslijsten stonden huizen, molens en landoppervlakten.
32. Kohier
Belastingregister. Daarin schreef men op wie wat bezat en hoeveel belasting moest worden betaald.
33. Morgen
Oude oppervlaktemaat voor land. De precieze grootte verschilde per streek.
34. Roede
Oude maat voor lengte of oppervlakte. In bronnen wordt zij vaak gebruikt bij landmeting.
35. Waag
Plaats waar goederen werden gewogen. Belangrijk voor handel, markt en belasting.
36. Rechthuis
Gebouw waar recht werd gesproken en bestuur bijeenkwam.
37. Raadhuis
Bestuursgebouw van dorp of stede. Daar werden besluiten genomen en bestuurders gekozen.
38. Weeshuis
Huis voor kinderen zonder ouders of zonder verzorging. Regenten hielden toezicht.
39. Armenvoogd
Bestuurder van armenzorg. Hij deelde brood, turf, geld of andere hulp uit.
40. Kerkmeester
Beheerder van kerkgebouw en kerkgoederen. Hij zorgde voor onderhoud en betalingen.
41. Predikant
Protestantse dominee. Hij preekte, doopte, begroef en bediende soms meerdere dorpen.
42. Classis
Regionale kerkvergadering. Dorpen en predikanten vielen onder een bepaalde classis.
43. Statie
Rooms-katholieke geloofsplek na de Reformatie. Vaak verborgen of minder officieel dan een oude parochiekerk.
44. Doopsgezinden
Protestantse geloofsgroep, ook Mennonieten genoemd. Zij hadden vaak eigen vergaderplaatsen.
45. Remonstranten
Protestantse stroming uit de zeventiende eeuw. Zij kwamen vaak in conflict met contraremonstranten.
46. Contraremonstranten
Tegenstanders van de remonstranten. Hun strijd verdeelde soms dorpen en kerken.
47. Geestgrond
Hogere zandige grond. Vaak droger en ouder bewoond dan laag veen- of kleiland.
48. Waard
Laag land of voormalig watergebied. Veel waarden werden later bedijkt of drooggemalen.
49. Droogmakerij
Een meer of plas die met dijken en molens werd drooggelegd om land te winnen.
50. Zwarte boon
Lotingsmiddel bij bestuurskeuze. Wie de zwarte boon trok, kreeg een rol bij het kiezen van bestuurders.